Selecteer een pagina

Vijftig jaar in de kerk van Rome 2

>>PDF<<

HOOFDSTUK II.
Mijn eerste schooldagen in St. Thomas – De priester en het celibaat.

In de maand juni, 1818, stuurden mijn ouders mij naar een voortreffelijke school in St. Thomas. Eén van de zusters van mijn moeder woonde daar; zij was de vrouw van een hardwerkende molenaar, genaamd Stephen Eschenbach. Ze hadden geen kinderen en ze ontvingen me als hun eigen zoon.
Het mooie dorp St. Thomas had in die tijd reeds een aanzienlijke bevolking. De twee prachtige rivieren verenigen hun snelstromende water precies in het midden van het dorp, voordat ze in het schitterende bekken vallen, van waaruit ze in de St. Laurens stromen en verscheidene molens en fabrieken van waterkracht voorzagen.
Er was in het dorp een aanzienlijke handel in graan, meel en timmerhout. De visserij was erg winstgevend en er was wild in overvloed. Het leven was er echt aangenaam en gemakkelijk.
De families Tachez, Cazeault, Fournier, Dubord, Frechette, Tetu, Dupuis, Couillard en Duberges, welke behoorden tot de oudste en meest vooraanstaande families van Canada, stonden aan het hoofd van de intellectuele en zakelijke ontwikkelingen van de plaats en zij waren een echte eer voor de Frans-Canadese reputatie.
Ik ontmoette daar één van mijn voorouders van mijn moeders kant, wiens naam was F. Amour des Plaines. Hij was een oude en dappere soldaat, die ons soms de talrijke wonden liet zien, die hij had opgelopen in de veldslagen, waarin hij voor zijn land had gestreden. Hoewel hij bijna tachtig jaar was, zong hij voor ons de liederen van de goede oude tijd met al de levendigheid van een jonge man.
De school van meneer Allen Jones, waar ik naartoe werd gestuurd, was zijn wijdverspreide reputatie waardig. Ik heb nooit een leraar gekend, die meer het respect en vertrouwen van zijn leerlingen verdiende, of die het in een hogere mate genoot.
Hij werd geboren in Engeland en behoorde daar tot één van de meest voorname families. Hij had de beste opleiding gekregen die Engeland aan haar zonen kon geven. Nadat hij in Engeland een volledige studieleergang had gevolgd, was hij naar Parijs gegaan, waar hij ook een academische studie voltooide. Hij beheerste de Franse en Engelse taal perfect. Het was niet zonder goede reden dat hij omgeven werd door een groot aantal leerlingen uit elke hoek van Canada. De kinderen van de beste families van St. Thomas bezochten met mij de school van mijnheer Jones. Maar aangezien hij Protestant was, was de priester hem erg vijandig gezind en elke poging werd door die priester in het werk gesteld om mijn  familieleden ertoe te bewegen mij van die school af te halen en mij naar de andere te sturen, die onder zijn verantwoordelijkheid viel.
De naam van de priester was Loranger. Hij had een donker uiterlijk en was mager en lang van gestalte. Zijn prediking had geen aantrekkingskracht en hij was verre van populair onder het intelligente deel van de mensen van St. Thomas.
Dr. Tachez, wiens grote bekwaamheid hem later aan het hoofd van de Canadese regering bracht, was de leidende man van St. Thomas. Omdat ik door banden van oprechte vriendschap verbonden was met zijn neef, L. Cazeault, die later aan het hoofd van de Universiteit van Laval in Quebec werd geplaatst, had ik de gelegenheid om naar het huis van mijnheer Tachez te gaan, waar mijn jonge vriend in de kost was.
In die dagen had Dr. Tachez geen behoefte aan de invloed van de priesters en hij ventileerde dikwijls zijn grootste minachting voor hen. Eén keer per week was er in zijn huis een vergadering van de voornaamste burgers van St. Thomas, waar de belangrijkste vragen van geschiedenis en godsdienst vrijelijk en enthousiast werden besproken, maar zowel de vooronderstellingen als ook de conclusies van deze discussies waren steevast tegengesteld aan de priesters en de godsdienst van Rome en ook maar al te vaak aan elke vorm van Christendom.
Hoewel deze vergaderingen niet geheel het karakter of de exclusiviteit hadden van geheime genootschappen, waren zij in grote mate geheim. Mijn vriend Cazeault was punctueel in het mij vertellen van de dag en het uur van de vergaderingen en ik was gewoon met hem naar een aangrenzende kamer te gaan, waar wij alles konden horen zonder verdacht te worden. Uit wat ik hoorde en zag van deze vergaderingen zou ik zeer zeker bedorven zijn, als niet het Woord van God, waarmee mijn moeder mijn jonge geest en hart had vervuld, mijn schild en kracht was geweest. Ik werd vaak aangegrepen door angst en vervuld met afschuw door wat ik hoorde in die vergaderingen. Maar wat een vreemde en betreurenswaardige zaak! Mijn geweten veroordeelde mij elke keer als ik luisterde naar deze goddeloze discussies, terwijl er in mij een sterke hunkering was om ze te horen, die ik niet kon weerstaan.
Er was toen in St. Thomas iemand die uniek van karakter was. Hij mengde zich nooit met het gezelschap van het dorp, maar was desalniettemin het voorwerp van veel respectvolle aandacht; iedereen vroeg naar hem. Hij was één van de voormalige monniken van Canada, bekend onder de naam Capucijners of Recollecten, die door de Britse verovering van Canada gedwongen waren hun klooster te verlaten. Hij was klokkenmaker en leidde door zijn ambacht een achtenswaardig leven. Zijn kleine witte huis midden in het dorp was een toonbeeld van netheid.
Broeder Marcus, zoals hij werd genoemd, was een opmerkelijk goedgebouwde man, lang van gestalte, grote en imposante schouders en de mooiste handen die ik ooit zag. Zijn lange zwarte pij, rond zijn middel geknoopt door middel van een witte gordel, viel op door zijn zindelijkheid. Eigenlijk was zijn leven eenzaam, altijd alleen met zijn zuster, die zijn huishouding deed.
Elke dag als het weer gunstig was, bracht broeder Marcus een paar uur door met vissen. Zelf hield ik ook heel erg veel van die bezigheid en ik was gewoon hem vaak te ontmoeten langs de oevers van de mooie rivieren van St. Thomas.
Zijn aanwezigheid was altijd een gunstig voorteken voor mij, want hij was deskundiger dan ik in het vinden van de beste plaatsen om te vissen. Zodra hij een plek vond, waar een overvloed aan vis zat, was hij gewoon mij te wenken of om mij te roepen zo hard hij kon, opdat ik zou delen in zijn goede geluk. Ik waardeerde zijn fijngevoelige aandacht voor mij en betaalde hem terug met tekenen van oprechte dankbaarheid. De goede monnik had helemaal mijn jonge hart veroverd en ik koesterde een oprechte achting voor hem. Hij nodigde me vaak uit in zijn eenzame, maar keurige kleine huis en ik bezocht hem nooit zonder een paar oprechte bewijzen van zijn vriendelijkheid te ontvangen. Zijn goede zuster wedijverde met hem in het mij overrompelen met zulke tekenen van aandacht en liefde, als ik slechts kon verwachten van een geliefde moeder.
Er was een mengeling van bedeesdheid en waardigheid in de manieren van broeder Marcus, welke ik in niemand anders heb gevonden. Hij was dol op kinderen en niets kon aangenamer zijn dan zijn glimlach, die elke keer verscheen als hij kon zien dat ik zijn vriendelijkheid waardeerde en dat ik hem een of ander bewijs gaf van mijn dankbaarheid. Maar die glimlach en elke andere uitdrukking van vreugde waren erg kortstondig. Geheel plotseling kon hij dan veranderen en het was onmiskenbaar dat er een mysterieuze wolk over zijn hart gleed.
De paus had de monniken van het klooster waartoe hij behoorde, ontslagen van hun geloften van armoede en gehoorzaamheid. Het gevolg was dat zij onafhankelijk konden worden en zelfs rijk door hun noeste arbeid. Het lag in hun vermogen om op te klimmen tot een aanzienlijke positie in de wereld door hun eerzame inspanningen. De paus had hen de toestemming gegeven, die zij nodig hadden om een eerlijke boterham te verdienen. Maar wat een vreemde en ongelooflijke dwaasheid om de permissie van een paus te vragen om toestemming te krijgen eerzaam te leven van de vruchten van iemands eigen noeste arbeid.
Deze arme monniken waren na ontheven te zijn van hun geloften van gehoorzaamheid niet langer slaven van een mens, maar het was hen nu toegestaan om naar de hemel te gaan, op de enige voorwaarde, dat zij de wetten van God en de wetten van hun land zouden gehoorzamen! Maar in wat voor een verschrikkelijke afgrond van vernedering moeten mensen zijn gevallen om te geloven dat zij een vergunning van Rome nodig hebben voor zo’n doel. Dit is niettemin de eenvoudige en naakte waarheid. Dat toppunt van dwaasheid, goddeloosheid en vernedering is één van de fundamentele dogma’s van Rome. De onfeilbare paus verzekert de wereld dat er geen redding mogelijk is voor iemand die niet oprecht gelooft wat de paus leert in deze zaak.
Maar de paus, die zo genadig de Canadese monniken had ontheven van hun geloften van gehoorzaamheid en armoede, was onbuigzaam geweest wat betreft hun geloften met betrekking tot het celibaat. Hiervan was geen ontheffing.
De eerlijke verlangens van de goede monnik om volgens de wetten van God te leven met een vrouw die de hemel hem misschien gegeven had, waren onmogelijk  geworden – de paus had zijn veto uitgesproken.
De ongelukkige monnik was verplicht te geloven dat hij voor eeuwig verdoemd zou worden als hij als een evangeliewaarheid het Woord van God zou aanvaarden, dat zegt:
“Propter fornicationem autem, unusquisque uxorem suam habeat, unaquaque virum suam habeat.” (Vulgaat Bijbel van Rome). “Laat niettemin om hoererij te vermijden iedere man zijn eigen vrouw hebben en laat iedere vrouw haar eigen man hebben” (1 Corinthiërs 7:2). Dat schijnende licht, wat de wereld bevat en wat leven geeft aan de mens, daar werd broeder Marcus totaal buitengesloten. Het was hem niet toegestaan te weten dat God Zelf had gezegd: “Het is niet goed dat de mens alleen zij. Ik zal hem een hulp maken die bij hem past” (Genesis  2:18). Broeder Marcus was begiftigd met zo’n liefhebbend hart! Je kon hem niet kennen zonder van hem te houden en hij moet veel hebben geleden in dat celibaat, dat zijn geloof in de paus hem had opgelegd.
Ver bij de gebieden van licht, waarheid en leven vandaan probeerde die ziel, gebonden aan de voeten van de onverbiddelijke moderne goddelijkheid, welke de Rooms-katholieken aanbidden onder de naam van ‘Soevereine Paus’, tevergeefs de instincten en gevoelens die God Zelf in hem geplant had, te vernietigen en te verwoesten.
Op een dag toen ik mijzelf met een paar andere jonge vrienden vermaakte in de buurt van het huis van broeder Marcus, zagen we plotseling iets wat bedekt was met bloed uit het raam gegooid worden en niet ver bij ons vandaan neervallen. Op hetzelfde ogenblik hoorden we luide kreten, die duidelijk uit het huis van de monnik kwamen: “O mijn God! Wees mij genadig! Red mij! Ik ben verloren!”
De zus van broeder Marcus rende de deur uit en riep naar een paar mensen die voorbij kwamen: “Mijn arme broer gaat dood. Om Gods wil, maak haast; hij verliest al zijn bloed!”
Ik rende naar de deur, maar de dame deed die abrupt dicht en stuurde me weg, terwijl ze zei: “We hebben hier geen kinderen nodig.”
Ik had een oprechte genegenheid voor de goede broeder. Hij was altijd zo vriendelijk voor mij geweest! Ik hield vol en verzocht met respect toestemming om binnen te komen. Hoewel ik jong en zwak was, leek het dat mijn vriendelijke gevoelens voor de lijdende broeder mijn kracht zouden vermeerderen en mij in staat zouden stellen van enig nut te zijn. Maar mijn verzoek werd streng verworpen en ik moest terug gaan naar de straat temidden van de menigte, die zich snel aan het verzamelen was. Het merkwaardige mysterie, waarin zij probeerden de arme monnik te hullen, vervulde mij met zorg en ongerustheid.
Maar die zorg werd spoedig veranderd in onuitsprekelijke verwarring, toen ik het onbedaarlijke gelach hoorde van de laaghartige mensen en de schandelijke grappen van de menigte, nadat de dokter het soort wond had meegedeeld, dat de ongelukkige man bijna deed doodbloeden. Ik werd getroffen door zo’n afschuw, dat ik wegvluchtte; ik wilde niets meer van die tragedie weten. Ik wist al teveel!
Arme broeder Marcus was opgehouden man te zijn – hij was eunuch geworden.
O wrede en goddeloze kerk van Rome! Hoeveel zielen hebt gij bedrogen en gemarteld! Hoeveel harten hebt gij gebroken met dat celibaat, wat alleen satan kon uitvinden. Dit ongelukkige slachtoffer van een zeer vernederende godsdienst stierf echter niet vanwege zijn onbezonnen actie: hij kreeg spoedig zijn gewoonlijke gezondheid terug.
Een paar maand later, toen ik ondertussen ermee opgehouden was hem te bezoeken, was ik langs de rivier op een erg eenzame plaats aan het vissen. Er was een overvloed aan vis en ik werd volledig in beslag genomen met ze te vangen, toen ik geheel plotseling de zachte druk van een hand op mijn schouder voelde. Het was de hand van broeder Marcus.
Ik dacht dat ik zou flauwvallen vanwege de tegenstrijdige gevoelens van verrassing, van pijn en van vreugde, die tegelijkertijd door mijn gedachten flitsten.
Met een gevoelige en trillende stem zei hij tegen mij: “Mijn geliefd kind, waarom kom je me niet meer opzoeken?”
Ik durfde hem niet meer aan te kijken, nadat hij deze woorden tegen mij had gezegd. Ik mocht hem graag om wat hij in zijn vriendelijkheid voor mij deed. Maar dat fatale uur, toen ik op straat voor zijn deur zoveel om hem had geleden – dat fatale uur was in mijn hart als een berg, die ik niet aan de kant kon schuiven – ik kon hem niet antwoorden.
Toen vroeg hij mij opnieuw op de toon van een misdadiger, die smeekt om genade: “Hoe komt het, mijn geliefd kind, dat je mij niet langer komt opzoeken? Je weet dat ik van je houd.”
“Geliefde broeder Marcus,” antwoordde ik, “ik zal nooit uw vriendelijkheid voor mij vergeten. Ik zal u voor altijd dankbaar zijn! Ik wenste dat het in mijn vermogen lag om u als vroeger te gaan opzoeken. Maar ik kan het niet en u behoort de reden te weten, waarom ik het niet kan.”
Ik had deze woorden uitgesproken met terneergeslagen ogen. Ik was kind, met de verlegenheid en gelukkige onkunde van een kind. Maar de daad van die ongelukkige man had mij met zo’n afgrijzen vervuld, dat ik niet de gedachte in overweging kon nemen hem nog langer te bezoeken.
Een paar minuten lang zei hij geen woord en bewoog hij zich niet. Maar ik hoorde zijn snikken en huilen; zijn huilen was dat van wanhoop en leed, zoals ik dat sindsdien nooit weer gehoord heb.
Ik kon mijzelf niet langer goed houden; vanwege onderdrukte emotie was het alsof ik stikte en ik zou bewusteloos op de grond gevallen zijn, wanneer ik niet in tranen was uitgebarsten. Die tranen deden mij goed – zij deden hem ook goed – zij vertelden hem dat ik nog steeds zijn vriend was.
Hij nam mij in zijn armen en drukte mij tegen zich aan – zijn tranen mengden zich met de mijne. Maar ik kon niets zeggen – de emoties van mijn hart waren teveel voor mijn leeftijd. Ik ging op een vochtige koude steen zitten om niet flauw te vallen. Hij viel op zijn knieën naast mij neer.
Ach, als ik schilder was geweest, zou ik een zeer treffend tafereel van dat schouwspel hebben gemaakt. Zijn ogen, die gezwollen en rood waren van het huilen, waren ten hemel geslagen, zijn hand was in een smekende houding omhoog geheven: hij schreeuwde het uit met een nadruk, welke leek alsof het mijn hart zou breken:
“Mon Dieu! Mon Dieu! Que je suis malheureux!”
Mijn God! Mijn God! Wat ben ik ongelukkig!
*       *          *          *          *          *          *          *          *          *
De 25 jaar, die ik priester van Rome ben geweest, hebben mij het feit geopenbaard dat de schreeuw van eenzaamheid, welke ik die dag hoorde, slechts de echo was van de schreeuw van eenzaamheid, welke uitgaat van bijna elk nonnenklooster, elke pastorie en elk huis, waar menselijke wezens gebonden worden door de banden van het Roomse celibaat.
God weet dat ik een getrouw getuige ben van wat mijn ogen hebben gezien en mijn oren hebben gehoord, wanneer ik zeg tot de menigten, die de Kerk van Rome heeft behekst met haar betoveringen: Waar er ook maar nonnen, monniken en priesters zijn, die leven in die gedwongen schending van de wegen welke God voor de mens heeft vastgesteld om daarop te wandelen, daar zijn stortvloeden van tranen, daar zijn eenzame harten, daar zijn kreten van lijden en wanhoop, die zeggen met de woorden van broeder Marcus:
“Oh! Que je suis malheureux!”
O, wat ben ik ongelukkig!