De vragen van vandaag en DE vraag van vandaag     >>PDF<<

Een toespraak gehouden op zondagmorgen 26 januari 1873 door C. H. Spurgeon

“Wat denkt u van Christus?” Mattheüs 22:42
Het was de gewoonte onder de Joden om, voordat het Paaslam werd geslacht, het verscheidene dagen op te sluiten voor onderzoek. Het werd eerst geselecteerd met grote zorgvuldigheid, want het moest een “lam zonder smet, een mannelijk dier van het eerste jaar” zijn; en opdat niet bij de eerste keuze één of andere fout over het hoofd gezien zou zijn, werd het voortdurend geïnspecteerd, van dag tot dag. Het was gepast dat Gods Paaslam een soortgelijke beproeving zou ondergaan. Het is opmerkelijk dat onze Redder tijdens de dagen die voorafgingen aan Zijn geofferd worden voor ons op Golgotha, werd onderzocht en ondervraagd door zowel vrienden als vijanden. De scherpste ogen werden erbij gehaald om op Hem gericht te zijn, ogen die buitengewoon scherp waren gemaakt door de boosaardigheid van goddeloze harten. Hij ging voorbij onder de kritische blik van Farizeeën, van Herodianen, van Sadduceeën en van wetgeleerden. Zij testten hem op alle punten en stelden Hem op de proef van alle kanten; toch vonden ze geen fout in Hem.  “Zij verwonderden zich en verlieten Hem en gingen huns weegs”; maar net als Pilatus vonden ze geen fout in Hem. Lees het hoofdstuk dat voor ons ligt in dat licht en het wordt buitengewoon interessant, aangezien het de onbetwistbare volmaaktheid van onze Goddelijke Verlosser toont. Laat ons bidden dat, wanneer wij worden beproefd en getest, wij ook de vurige beproeving mogen doorstaan, en blijken zuiver goud te zijn. Zoals zij onze Meester beproefden, zo zullen ze ook ons beproeven; mogen we door Zijn overwinnende genade erdoorheen komen tot het einde.

Terwijl ik naar onze tekst keek in mijn studeerkamer, trok een andere gedachtegang door mijn geest. De tekst staat in een opmerkelijk verband. Het hoofdstuk dat hem bevat, opent met de gelijkenis van het bruiloftsfeest. Het bruiloftsmaal was klaargezet, de gasten waren uitgenodigd, zij wilden niet komen en daarom werden speciale boodschappers gestuurd om zovelen als ze konden vinden, te dwingen deel te  nemen aan het feest. Dan, om predikers van alle generaties op de hoogte te brengen, dat de grootste hindernis die ze ooit zouden ondervinden zou voortkomen uit de haarklovende, overkritische geest van de mensheid, hebben wij in hetzelfde hoofdstuk een lang verslag van de diverse scherpslijpers die onze Here aanvielen. Wanneer we het Evangelie prediken, verwerpen mensen ons niet rechtstreeks door ons te vertellen dat er geen belang in onze boodschap zit, maar in plaats daarvan suggereren zij moeilijkheden, leggen pietluttige vragen voor, of veranderen plotseling van koers richting één of ander minder belangrijk onderwerp. Zij ontwijken de achtervolging van het Evangelie door zich in de mist van het debat te storten. Zoals de inktvis, die ontsnapt door het water rondom zich te vertroebelen, zo vermijden zij de uitnodigingen en de verklaringen van het Woord van God door vragen van ondergeschikte aard op te werpen. Zo was het in de dagen van Christus. Zijn tegenstanders traden Zijn argumenten tegemoet met spitsvondigheden of met gekibbel. Zo is het zeker op dit ogenblik. We kunnen de mensen niet bereiken: zij houden ons op een afstand, zij weren onze doeltreffende steken af en tarten ons door zich te verschuilen achter het schild van het stellen van slechte vragen. Wij kunnen niet bij hen komen om hen met de bajonet te steken, zij liggen verschanst achter de bolwerken van het dispuut. Met andere vragen proberen ze af te komen van de belangrijkste vraag en blijven ver bij de waarheid die de ziel redt vandaan. De Here Jezus Christus leert Zijn predikers hier de kunst om over de verdediging van de zondaar heen te springen, om het centrum van zijn vesting te vernietigen en hem te slaan met de scherpte van het zwaard, door middel van de vraag “Wat denkt u van Christus?” Wij behoren in twistgesprekken te handelen zoals Hij deed: hen beantwoorden, voor zover ze te beantwoorden zijn, met wijsheid en voorzichtigheid; maar dan wil Hij dat wij de strijd overbrengen naar het land van de vijand en het menselijke geweten aanvallen met de vraag: “Wat denkt u van Christus?” Deze morgen ben ik van plan ten eerste te spreken over de vragen van vandaag en dan de vraag van vandaag aan u op te dringen, de vraag van alle vragen, waarin leven en dood zijn verpakt.

I. Ten eerste iets over een aantal van de VRAGEN VAN VANDAAG, helemaal niet met enige bedoeling u ervoor te interesseren, maar veeleer u er enigszins bij vandaan te roepen, opdat ze u niet teveel in beslag nemen.

De eerste vraag van de dag is nauw verwant aan die welke werd voorgelegd aan onze Here door de Farizeeën en de Herodianen. Het gaat over het verband tussen politiek en godsdienst, de hinderlijke vraag van kerk en staat. Hoever gaat de heerschappij van de keizer? Waar eindigt die? En waar zijn we alleen maar onderworpen aan God? Deze vraag dringt zich in een erg praktische vorm op aan de Afgescheidenen van Engeland. Ik schrijf de gedeeltelijke afname van de godsdienstige voorspoed in een paar van onze kerken in grote mate toe aan de interesse voor vragen die van nature voortkomen uit de onbijbelse en overspelige verbinding van vandaag die op dit ogenblik bestaat tussen de kerk en de staat in dit land. Wij hebben, een ieder van ons, een bepaalde hoeveelheid geestelijke kracht, tijd, energie, en niet meer; en als het noodzakelijk is, zoals het noodzakelijk is, dat elke non-conformist behoort te strijden voor zijn rechten en vrijheden, en nooit behoort te rusten totdat er een volmaakte godsdienstige gelijkheid is gevestigd in het land, dan wordt zoveel van onze kracht weggenomen van hogere en betere zaken, om aandacht te schenken aan datgene wat niettemin onvermijdelijk is om te overwegen. Het is niet mogelijk voor ons om te stoppen met onze inspanningen om verlossing te verkrijgen van het vernederende juk wat  nu op ons drukt.  Ons wordt verteld dat wij verdraagzaamheid genieten; het woord op zich is een belediging. Wat zouden de leden van de heersende sekte ervan vinden als wij erover zouden spreken dat wij hen tolereerden? We zullen nooit tevreden zijn, totdat alle godsdienstige gemeenschappen op gelijke voet staan voor de wet. De keizer heeft niet het recht van ons te eisen dat wij de godsdienst of het bijgeloof wat hij verkiest zullen ondersteunen. Een staatskerk is geestelijke tirannie. Wij dragen geen ketenen om onze polsen, maar op onze geest hebben onze verdrukkers boeien geworpen die ons meer bezeren dan banden van staal. Wij worden gedwongen als een onderdeel van de natie een kerk te ondersteunen, wier zaak het is datgene omver te halen, waarvoor wij, met gebeden en tranen, leven om het op te bouwen en zelfs zouden willen sterven om het in stand te houden. Als protestantse afgescheidenen zien we de waarheden die we prediken aangevallen worden door een leger van anglicaanse papisten, die we gedwongen worden te ondersteunen, opdat zij onze meest gekoesterde doelen mogen bestrijden. Het pausdom is vandaag de dag geïnstalleerd en gesubsidieerd onder ons en we worden gedwongen haar huurlingen te erkennen als de geestelijkheid van onze eigen nationale kerk. Datgene waarvoor onze vaderen stierven om omver te werpen, worden wij gedwongen te ondersteunen. We kunnen er niets aan doen dat wij verontwaardigd zijn; we zouden minder dan mensen zijn als ons bloed niet in ons zou koken om zo’n onrechtvaardigheid. Als de mensen het pausdom willen, of een andere vorm van dwaling, laat ze er dan zelf voor betalen en het hun eigendom noemen, maar om hun bijgeloof op te dringen aan ons, als een deel van het volk, is een verdrukking waartegen we in beroep gaan bij de Rechter van de hele aarde. Mensen kunnen het niet lang verdragen om te worden opgezadeld met het onderhoud van een bijgeloof dat zij verafschuwen; het minst van al kunnen de nakomelingen Cromwell’s troepen het verdragen, die, hoewel ze alle vleselijke wapens aan de kant hebben gelegd, nog niet helemaal de velden kunnen vergeten waarop hun vaderen de aanhangers van koning Karel I het gewicht van hun rechterarm deden voelen. De belediging voor ons geweten, welke belichaamd is in de huidige kerk en staat, is een dagelijkse provocatie tegen ons als mensen en als Christenen. Van de huidige onrechtvaardige overheersing zou ik willen zeggen: Omlaag ermee, omlaag ermee, allen die nog een sprankje rechtvaardigheid in uw ziel hebt. Wat ons betreft, wij zullen nooit rusten, totdat we bevrijd zijn van deze niet te verontschuldigen onrechtvaardigheid, en vrij zullen zijn, even zeker als God, de God der rechtvaardigheid, nog leeft.

Nu, we kunnen niet over dit alles nadenken en er vurig over zijn – we belijden het en zijn bedroefd dat het zo is – zonder dat veel van onze kracht in die richting gaat, kracht die we liever zouden besteden aan zuivere, geestelijke godsdienst. Wij verlangen ernaar altijd en alleen Christus te prediken; wij verlangen ernaar Zijn gemeente op te bouwen en in vrede te leven met al onze broeders; wij willen in alle dingen hart en ziel en kracht aan God geven, maar deze onenigheid met betrekking tot God en de keizer zal binnentreden. Het eist onontkoombaar onze aandacht en zo leidt het ons in zekere mate af van ons hogere werk; en daarom, hoe eerder het klaar is, hoe beter. Wij kunnen niet altijd door deze zaak in beslag worden genomen, wij achten het Evangelie 10.000 keer meer waard. De Redder antwoordde, toen de kwestie van de keizer naar voren werd gebracht, die zeer volkomen. Zij zeiden: “Zullen we de keizer belasting betalen?” “Wiens geld is dit?”, zei Hij. “Het geld van de keizer.” “Heel goed, u hebt zich klaarblijkelijk onderworpen aan de regering van de keizer, u bent onder zijn bewind; betaal hem daarom de belasting die hij van u eist, maar toch, vergeet in geen geval dat u onder Gods regering bent; geef daarom aan God de dingen die van God zijn.” Hij trok hier een scheidslijn die altijd gehandhaafd behoort te worden. “Aan de keizer de dingen die van de keizer zijn.” De orde handhaven, de misdaad tegengaan, individuele vrijheid bewaren, ieders rechten beschermen, dat is de verantwoordelijkheid van de keizer. Ons godsdienst onderwijzen? Moet de keizer dat doen? God verhoede het, want wat voor godsdienst zal de keizer ons leren? Is hij een heiden? Hij zal afgoderij afdwingen; is hij een pausgezinde? Hij zal het pausdom voorschrijven; is hij atheïst? Hij zal het ongeloof instellen. Denk aan de dagen van koningin Mary en zie waartoe de keizer in staat is wanneer hij zich bemoeit met de godsdienst. Het is helemaal geen zaak van de keizer om zich bezig te houden met ons geweten, evenmin zullen we ooit de keizer gehoorzamen in enige zaak die het geweten raakt. Hij kan wat voor wetten hij maar wil maken over de godsdienst, maar door onze trouw aan God storten we minachting uit over de keizer wanneer hij zich de plek van God toe-eigent. Hij is niet meer voor ons dan de minste bedelaar op straat, als hij buiten zijn eigen wettige gezag treedt. Aan de keizer wat van de keizer is; de politiek aan de politici; gehoorzaamheid, opgewekt en direct, aan de burgerlijke heersers; aan God en aan God alleen de dingen die van God zijn; en wat zijn die? Ons hart, onze ziel, ons geweten. De mens zelf is het muntstuk waarop God Zijn beeld en opschrift heeft gestempeld (hoewel helaas! beide erg ontsierd zijn) en we moeten aan God ons mens-zijn, onze wil, onze gedachten, ons oordeel, ons gemoed en ons hart geven. Gewetens zijn voor God. Iedere wet die het geweten raakt is van nul en generlei waarde uit zichzelf, om de eenvoudige reden dat koningen en parlementen niet het recht hebben in te grijpen in het domein van het geweten. Het geweten is onder de wet van niemand anders dan God. Wij geloven niet in vrijheid van het geweten ten opzichte van God. Wij zijn gebonden aan Hem, om te geloven wat Hij ons zegt en te doen wat Hij ons opdraagt, maar de vrijheid van het geweten met betrekking tot heel de mensheid is het natuurlijke recht van ieder mens die uit een vrouw geboren is, en het behoort zorgvuldig te worden gerespecteerd.

Onze Here begraaft het strijdpunt hier door ons te zeggen aan de keizer de dingen te geven die van de keizer zijn en aan God de dingen die van God zijn. Nu, als hier enig persoon is die onbekeerd is maar wiens geest bezig is met het dispuut van kerk en staat, welke kant van de kwestie hij ook moge omhelzen, ik zou ernstig tegen hem willen zeggen: hoe belangrijk dit ook is, en voor sommigen van ons is het de kwestie die, na de redding van onze ziel, het zwaarst op ons hart drukt,  maar toch, ten eerste van al, besteed aandacht aan de ernstiger vraag: “Wat denkt u van Christus? Is Hij de Wonderbare, de Raadsman,  de Machtige God in uw achting? Bent u door Hem gered? Zo niet, dan zou ik u willen opdragen het onderwerp waarover we nu net hebben gesproken uit te stellen, totdat die hogere vraag is beantwoord. Wanneer een mens op het punt staat te sterven, dan is de vraag: wat kunnen we doen om hem te genezen? Wanneer het schip aan het zinken is, dan is het enig noodzakelijke voor ieder mens: “Hoe kan ik in de reddingsboot komen?” Soms, in een wanhopig geval, zoals dat van een plotselinge schipbreuk, kan de liefde tot het leven mensen ertoe drijven meer te doen dan zij voor zichzelf zouden doen, en hen in hun doodsangst verzoeken om de aanspraken van anderen te vergeten. O, ik wens dat een dergelijke overmaat aan ijver, als dat zou kunnen, over het hart van de mensen zou komen met betrekking tot hun ziel. Er zijn genoeg geredde mensen die dat kerkelijke dispuut uit kunnen vechten;  u, ongeredden, moest maar liever naar het kruis gaan en daar redding zoeken en vinden. De kwestie heeft ongetwijfeld een enorm belang, maar bij u is de veel belangrijkere zaak van te geloven in Christus. Veronderstel dat u vanavond zou sterven; het zou dan maar een geringe zaak voor u zijn wat er gedaan zou worden in de volgende zitting van het parlement met de kwestie van de scheiding van kerk en staat. Als u voor de rechtbank van God moet staan voordat dit jaar voorbij is, dan zullen de staatskerken van weinig waarde voor u zijn, als u uit de hemel en van de hoop verbannen wordt; daarom, zie erop toe, zo vraag ik u, dat geen zaak de zaak van uw ziel belemmert.

Een ander probleem van deze tijd duikt ook op in dit hoofdstuk – het onderzoek naar de details van de toekomstige toestand. Ik denk dat niemand van ons zich een tijd herinnert waarin zoveel vreemde theorieën naar voren zijn gebracht met betrekking tot de verdoemenis van de goddelozen en de toestand van de rechtvaardigen. Sommigen leren, en leren met grote felheid, dat zowel gelovigen als anderen sterven op de tijd wanneer zij uit deze wereld weggaan en dat er geen bestaan meer is voor de rechtvaardigen tot de dag van de opstanding; dat er niet zulke dingen zijn als onsterfelijke zielen, maar dat zelfs de godvruchtigen vergaan tot stof en ophouden te bestaan, totdat de opstanding hen opwekt uit het graf. Nu, dit zijn ernstige onderwerpen en ik geloof dat het zeer noodzakelijk is om hierover orthodox te zijn. Ik denk niet dat enig mens die opstaat om het oude geloof met betrekking tot deze dingen te verdedigen, zijn tijd verspilt. Ik ben ervan overtuigd dat de algemeen aanvaarde opvattingen waarheidsgetrouw en gezond zijn, en dat de nieuwigheden die rondom ons zwermen overvloedige ellende zullen voortbrengen; niettegenstaande dit alles, zijn er andere zaken waaraan gedacht moet worden behalve dat hele carnaval van dwalingen, dat bestaat uit de zieleslaap, vernietiging, universeel herstel en dergelijke. Er is een voorafgaande vraag, en die is: “Wat denkt u van Christus?”

Niettemin, aangezien de feiten van de toekomst bekend behoren te zijn, trad onze Redder op tegen de ketterij van de Sadduceeën. De Sadduceeën geloofden in puur materialisme en ontkenden de opstanding; de Redder verkondigde hen de zekerheid van een toekomstige toestand, en verwijderde het wapen van vermeende moeilijkheid. In antwoord op hun vraag over de vrouw die zeven keer getrouwd was, verklaarde Hij dat in de toekomstige wereld mensen niet huwen noch ten huwelijk gegeven worden; waar de vernietigende werking van de dood onbekend is, is geen behoefte aan voortplanting. Aangezien de Sadduceeën loochenden dat er engelen waren, verklaarde onze Here, zonder te letten op hun twijfelzucht, dat zij die zijn opgestaan, zijn als engelen van God, en zo sloeg Hij twee vliegen in één klap; Hij corrigeerde hun visies op wat mensen zouden zijn in de volgende wereld en nam rustig aan dat er geesten zijn, die engelen genoemd worden. Verder bewees de grote Leraar boven alle twijfel het blijvende bestaan van de heiligen door de Sadduceeën te herinneren aan de stem die sprak uit de braamstruik tot Mozes. De Thora was het grote gezag van de Sadduceeën; zij verwierpen de andere geïnspireerde boeken niet, maar zij hielden de geschriften van Mozes in een buitengewone verering; daarom kiest onze Here met wijsheid uit het boek Exodus en citeert de woorden van de toespraak van de Here aan Mozes vanuit de braamstruik: “Ik ben de God van Abraham en de God van Izaäk en de God van Jakob.” Daarna voegde Hij de welbekende joodse grondregel eraan toe: “God is niet de God van de doden, maar van levenden”, en bracht de sceptici in één slag een zware nederlaag toe. Hieruit volgt duidelijk genoeg uit dat Abraham, Izaäk en Jakob lééfden in de tijd van Mozes. Zij waren in hun graf, dat was zeker; daarom was het even zeker dat er iets, wat waarlijk Abraham was, niet in het graf was maar ergens anders; dat wil zeggen, dat de zielen van Abraham, Izaäk en Jakob leefden, leefden in het bezit van God, hoewel hun lichamen waren verteerd door de worm. Daar was het argument van de Verlosser. De aartsvaders waren, wat betreft hun lichamen, dood geweest gedurende een aantal geslachten; toch noemde God Zich hun God; en daarom, in de meest ware betekenis, konden zij niet echt dood zijn, maar moesten nog steeds bestaan. Er is gezegd dat de kern van dit argument ligt in het feit dat Abraham, Izaäk en Jakob toentertijd, wat betreft hun lichamen, dood waren; – dat is waar, en toch zou het argument sterk zijn als Abraham, Izaäk en Jakob toen levend waren geweest. Merk dit goed op en overdenk het punt. Wanneer God tot een mens zegt “Ik ben uw God”, wat voor een oneindige zegen schenkt Hij dan, en hoeveel houden die woorden in! Zolang God bestaat, behoort Hij toe aan die mens en daarom moet die mens zelf even lang bestaan als God; want datgene wat niet bestaat, kan niets bezitten. Datgene wat iets bezit, moet zelf bestaan. Hieruit volgt dat Abraham en alle andere heiligen voor altijd God moeten bezitten als hun God, volgens het woord – “Ik ben uw God” – daarom moeten zij voor eeuwig bestaan. Om de kern en het wezen van die goddelijke belofte te ontvangen en te ervaren, zal niets minder dan eeuwigheid volstaan. Wanneer God een zegen verleent aan een mens, dan geeft Hij hem zo’n reikwijdte van bestaan, dat het hem het vermogen zal geven om die zegen te genieten. Tijdelijke zegeningen hebben het natuurlijke bestaan aan zich; de enorme geestelijke gunst om God te mogen bezitten, is oneindig, en voor het genieten ervan is een eeuwig bestaan nodig. De heiligen leven nog steeds, anders zou God niet hun God kunnen zijn; en de heiligen zijn nog steeds bij bewustzijn, want God is niet de God van onbewuste wezens die honderden jaren denken noch voelen. Hij is de God van diegenen die leven in de betekenis van actief zijn. Zij aanbidden, vereren, beminnen en dienen nog steeds; hun rust in Jezus is niet die van bewusteloosheid. Zij leven, niet alleen maar bestaan, maar leven voor de levende God. Dit was het bewijs van onze Redder, en het is er één dat onweerstaanbaar overtuigend is.

De leer van het blijvende bestaan van de rechtvaardigen is innig verbonden met die van de opstanding. Onsterfelijkheid en de opstanding zijn verwante waarheden. Toen God zei: “Ik ben de God van Abraham”, zei Hij niet: “Ik ben de God van Abrahams ziel”; als Hij dat had gedaan, dan zou het bestaan van Abrahams ziel de belofte hebben vervuld; maar “Ik ben de God van Abraham” houdt het geheel van zijn persoon in, en Abraham was zowel lichaam als ziel; het was daarom nodig dat het lichaam van Abraham zou opstaan om de volheid van God te genieten. Er was, zoals een geleerde schrijver opmerkt, de hele weg een vooruitgang. God was de God van Abraham terwijl hij in het lichaam van deze dood was, Hij was de God van Abraham terwijl hij onbekleed was en Hij zal de God van Abraham zijn wanneer hij bekleed is met zijn huis, dat uit de hemel is.

Nu, mijn geliefde toehoorders, ik zou u meteen willen terugroepen naar het belangrijkste punt. Aan deze vragen behoort gedacht te worden, en u zou het onderwijs van Christus hierover moeten aanvaarden en aan geen van de verzinselen van deze boze dagen moeten toegeven. Nog altijd is er voor u deze urgente vraag: “Wat denkt u van Christus?” Hebt u part en deel aan Hem? Bent u gered door Hem? Het lijkt me de reinste dwaasheid voor een onbekeerd mens om te vragen: “Wat is de aard van de hemel? Wat is de vorm van het opstandingslichaam?” Hebt u ooit een arme, rillende, ellendige bedelaar op straat gezien, die omkwam van gebrek aan voedsel en toch erg nieuwsgierig omtrent de precieze details van de keizerlijke inkomsten van het lopende kwartaal? Wat voor zaak kan dat nou voor hem zijn? Is niet dít zijn eerste zaak, namelijk, een hap brood verkrijgen? En zou het niet uw eerste zorg moeten zijn als mens, dat u vergiffenis geschonken is, dat u aanvaard zou worden voor God, dat u gered zou worden van de hel? Speculaties over de tweede komst en de profetieën van Ezechiël en Daniël – wat hebben die met u te maken, terwijl u buiten Christus bent? Bent u krankzinnig, u ongeredden? Zult u uw nieuwsgierigheid bevredigen, terwijl uw zielen omkomen vanwege gebrek aan de kennis van Christus? De toorn van God blijft op u; u bent als de man die in een dodencel zit, wachtend op de dag van de executie; is dit een tijd om uw hoofd te breken over dingen die anderen betreffen, maar die tot nu toe zeker geen betrekking hebben op u? “Wat denkt u van Christus?” Schuif andere dingen aan de kant, totdat dat in orde is gebracht; daarna kunt u aandacht schenken aan die andere dingen, na elkaar, naargelang God u zal helpen.

Er zijn echter nog andere vragen die zullen opkomen – vragen over de theologie. Één ervan werd gesteld aan onze Verlosser door de Farizeeën. Zij wilden weten wat het eerste en voornaamste gebod was. Zij geloofden dat Mozes hen 365 geboden had gegeven, overeenkomstig het aantal dagen in het jaar, en dat hij hen 248 verboden had gegeven. Ze maakten er een groot punt van om de precieze getallen te weten. Onder hen waren er grote discussies over wat meer zonde inhield, het overtreden van dit of het overtreden van dat gebod. Sommigen beweerden dat de ceremoniële verordeningen belangrijker waren dan de morele geboden; een andere partij meende dat de ceremoniële voorschriften erg ondergeschikt waren vergeleken met de morele wet. Schriftgeleerden en wetgeleerden ruzieden zonder einde. Onze Redder beantwoordde hun vraag door hen te zeggen dat de liefde voor God en de liefde voor hun naaste de twee grote geboden waren; en zo beëindigde Hij die kwestie, maar Hij stond niet toe dat hun gedachten  daarbij bleven. Hij zette aan tot  de noodzakelijke vraag: “Wat denkt u van Christus?” Vandaag de dag, als u met iemand spreekt over zijn ziel, dan zal hij u vragen: “Bent u Arminiaan of Calvinist?” Hierop antwoorden wij: “Beste kerel, bent u gered? Dat is uw zaak. We zullen u een andere keer vertellen wat we zijn. Voor het ogenblik hebt u een Redder nodig, en daar moet uw geest zich op richten.” “Wel,” zegt hij, “wat is uw mening met betrekking tot de Doop?” Ons antwoord is gevat genoeg, want we zien de wil van de Here duidelijk genoeg in Zijn Woord, maar wij verzoeken u dringend meer aan Jezus te denken dan aan verordeningen. “Maar,” zegt de haarklover, “bent u Presbyteriaans qua kerkbestuur of prefereert u het episcopaat?” Beste vriend, wat heeft dat met u te maken? Bent u overgegaan uit de dood in het leven? Dát is het punt. Een man is aan het verdrinken en ik strek mijn arm uit om hem te redden, maar hij wil mijn hand niet vastgrijpen, totdat ik hem kan verzekeren dat ik een bepaald Latijns woord correct uitspreek. Is hij geen idioot? Mijn beste kerel, de goede of de valse lengtes zijn onbeduidende dingen vergeleken met uw verdrinken; laten we u eerst op het droge krijgen en dan zullen we spreken over lange en korte klinkers. Zo kunnen we ons ook niet veroorloven haren te kloven terwijl zielen bezig zijn verloren te gaan. Het zij verre van ons om te zeggen dat een bepaalde leer onbetekenend is en dat een bepaalde waarheid onbelangrijk is – een greintje waarheid is het waard om voor te sterven; toch zijn er ernstige feiten waaraan gedacht moet worden, voordat we bij de controversiële leerstukken komen. Er zijn personen die zullen zeggen: “Maar hoe zou u het Avondmaal des Heren willen vieren?” Ik antwoord: “Wij vieren het helemaal niet met zulke mensen als u. Totdat u de Redder kent, hebben we überhaupt geen Avondmaal des Heren voor u.” “Maar,” zegt hij, en hij begint u vragen te stellen of er een altaar van steen of een tafel van hout moet zijn, en of de elementen (brood en wijn, vert.) uitgedeeld moeten worden door een priester, een predikant of een gewoon Christen: “Dit zijn erg gewichtige zaken en ik moet ze meteen allemaal opgelost hebben.” Geliefde vrienden, wij vinden ze ook gewichtig, en ons getuigenis daarover aarzelt nooit, maar we gaan er niet met u over discussiëren, want wij smeken u ernstig om in de eerste plaats Christus en Die gekruisigd te kennen. Vergewis u van uw roeping en uitverkiezing, en dan zullen we bereid zijn u de redenen uit het Woord te geven voor ons geloof en toepassing daarvan. Op dit ogenblik is “Wat denkt u van Christus?” de enige vraag die uw zorg eist. Ik denk dat ik nu duidelijk genoeg sprak over de eerste vraag met betrekking tot de politiek en de godsdienst, om u te laten weten dat ik geenszins lauw ben over minder belangrijke punten; en ik zou hier met evenveel bepaaldheid willen spreken over leerstukken en verordeningen, als het nodig zou zijn om u te laten zien dat ik ze niet onderschat, maar niettegenstaande dat, “Wat denkt u van Christus?” staat ver boven alle andere vragen voor een mens die niet verlost is, en ik verzoek u dringend, die andere punten u niet in het verderf te laten storten, aangezien zij dat kunnen doen door uw gedachten weg te halen van het enig noodzakelijke. Totdat u gered wordt,  moet uw geest geconcentreerd zijn op het ene wezenlijke punt. Daarna zullen we u leren om alle dingen waar de Here ook maar over gesproken heeft, op te merken, maar voor nu is “Geloof in de Here Jezus Christus en gij zult gered worden” de belangrijkste tekst in de Bijbel voor u om te overdenken.

II. Laten we nu bij het tweede deel van ons onderwerp komen, DE VRAAG VAN ALLE VRAGEN, de vraag van vandaag, de vraag van alle dagen totdat de dagen zullen eindigen: “Wat denkt u van Christus?”

Merk op dat het een vraag is die de Redder betreft. “Wat denkt gij van de Messias, de Gezondene, de Christus, de Gezalfde van God?” Denkt u dat Zijn opdracht noodzakelijk was? Was er behoefte aan zo’n Persoon om hierheen te komen? Was er een Redder nodig in uw geval? Hij kwam om mensen te redden uit hun zonden: hebt u zonden? Hebt u zonden waaruit u niet zelf kunt ontsnappen, waarvoor u zelf geen verzoening kunt doen?  Hebt u dit ervaren? Ervaart u het nu? Als u zegt dat u geen zonde hebt, dan zullen uw gedachten over Christus zijn, dat Hij een overbodige gevolmachtigde van de hemel was, voor zover het uw geval betreft. Hij kwam niet om diegenen te roepen, die het niet nodig hebben gered te worden; waarom zou Hij zo’n overbodig werk doen? Hebt u zonde ervaren? Belijdt u het? Gelooft u daarom dat God door Christus te zenden om Zijn volk te redden uit hun zonden, een genadige en barmhartige daad heeft verricht? Aanvaardt u de Persoon Die Hij heeft gezonden? Bent u bereid door Hem gered te worden? Bent u bereid gered te worden op Zijn voorwaarden, welke zijn dat u zichzelf aan Hem overgeeft, opdat Hij uw enige Redder zal zijn, opdat Hij al de eer van uw redding zal krijgen, opdat u niet gered zult worden door enige verdienste van uzelf, maar vergeving zult krijgen door Zijn bloed en gerechtigheid? Bent u het daarmee eens? Zegt uw ziel hier “ja” op voor de levende God? Als dat zo is, dan zijn uw gedachten over Christus juist, maar indien niet, als u zich tegen Zijn offer verzet en zegt: “Ik zie er geen noodzaak in”, als u het onvoldoende vindt voor het wegdoen van zonde, en als u er daarom niet op vertrouwt, dan hebt u God tot een leugenaar gemaakt door Zijn getuigenis betreffende Zijn Zoon niet te geloven. Maar ik vertrouw erop dat vanmorgen uw gedachten over Christus juist deze zijn: “Ik ben een zondaar die straf van God verdient, ik zie dat God de zonde heeft gestraft in Jezus Christus, en ik vertrouw mijzelf geheel en alleen toe aan Christus, het verzoenende offer;  ik geef mijzelf over aan Christus opdat Hij mij zal redden, opdat Hij over mij zal heersen, opdat Hij mij heilig zal maken, zoals Hij heilig is. Als Hij mij maar wil hebben; ik heb geen weerstand tegen Hem, nee, integendeel, ik ervaar een volledige overgave van mijn ziel aan Zijn Goddelijke wil, blij om gered te worden door zo’n Verlosser.” Ik ben inderdaad bevoorrecht om personen toe te spreken die dit in het diepst van hun ziel ervaren. Wat anders u ook moge verwarren, geliefden, houd hier altijd aan vast en laat uw gedachten over onze geliefde Redder altijd nederig, altijd liefelijk en altijd aangenaam zijn voor uw hart, dan zult u sterk zijn voor de heilige dienst, maar houd nooit, nooit, nooit op met goed te denken van Jezus.

Let er alstublieft op dat deze vraag niet alleen betrekking heeft op de Redder, maar dat zij de persoon van de Redder betreft, en dit is een punt dat vaak wordt vergeten. Wij spreken over de leer en het handelen van de Here, maar wij behoren er vaker aan te denken dat Hij een echte persoon is, niet een naam of een fictie, niet een schaduw die over de bladzijde van de geschiedenis is gegleden, maar een mens over Wie we de vraag mogen stellen: “Wiens Zoon is Hij?”, zoals de Meester het hier vroeg. Nu, zal ik de vraag aan u stellen? Wat denkt u van de Persoon van Christus? Begrijpt u hoe het Zoonschap en de heerlijkheid zich vermengen in Hem? Begrijpt u dat Hij de Zoon van David is, en dat Hij daarom gehoorzaamheid opbracht op aarde, zowel aan mensen als aan God, dat Hij een dienaar van dienaren werd ter wille van ons, en gehoorzaam zelfs tot de dood; en begrijpt u toch dat Hij Heer van alles is en dat de regering op Zijn schouders rust? Is Christus uw Redder en toch uw Meester? Heeft Hij uw voeten gewassen en buigt u zich toch neer om Zijn voeten te kussen? Heeft Hij alles voor u gedaan en ervaart u nu dat Hij wordt verheerlijkt in de beste liefde van uw hart, en dat u alles zou willen doen voor Hem? Bloedend aan het kruis en toch verheven op de troon; kunt  u die twee dingen met elkaar in overeenstemming brengen? De doornenkroon en de kroon van het universele koningschap; hebt u gezien hoe die twee zijn verenigd in Zijn gezegende Persoon? Wat denkt u van Christus –  het Zoonschap en de heerlijkheid met elkaar vermengd? En hebt u gezien, en weet uw geloof, dat Hij zowel menselijk als Goddelijk is – Zoon van David, naar waarheid door natuurlijke afstamming; Zoon van God, eveneens van nature en wezenlijk. Het heeft geen zin dat wij de zaken vergoelijken; wij kunnen niet geloven in de redding van een mens die niet gelooft in de Godheid van Christus. We zouden de hoogst mogelijke Christelijke liefde willen hebben, maar we moeten ook eerlijkheid hebben, en het lijkt ons dat de verwerping van Christus als God de verwerping van heel Zijn redding is. Geliefden, hebt u Christus aangenomen, de gehele Christus, de mens Christus, de God Christus, Immanuël, God met ons? Is Hij uw vertrouwen? Zo niet, moge de Here u ertoe brengen de vraag onder ogen te zien, voor elke andere. Zet de rest op de achtergrond en overdenk dit: hebt u juist gedacht over God in Christus Jezus, de Redder van mensen?

Hebt u ook juist gedacht over Hem in de zaak van de tegenstand die wordt gegeven aan Zijn Koninkrijk, en toch ook van de zekere overwinning die Hij zal behalen? Merk op hoe de Heilige Geest David heeft geleid om hierover te schrijven. “De Here heeft gezegd tot mijn Here: zet U aan Mijn rechterhand totdat Ik uw vijanden gemaakt heb tot Uw voetbank.” Christus wordt tegengestaan, u ziet het; betreurt u het ook? Grijpt uw geloof tezelfdertijd de gedachte dat heel deze tegenstand overwonnen zal worden, dat Christus nog zal zitten op de troon van Zijn vader David en Zijn scepter zal zwaaien over de meest kwaadaardige van al Zijn tegenstanders? O, het is goed wanneer we hierbij kunnen komen: Christus in mijn eigen ziel vechtend met de zonde, Christus weerstaan door mijn verdorvenheid en bederf, en toch Christus die zeker zal regeren en zitten als Koning wanneer al mijn zonden zijn overwonnen en al mijn bederf omvergeworpen. Het is een gezegende aanblik om het worstelen en weldra triomferen van de Redder te zien en aan Hem te denken in dat opzicht. Ik vermaan u betrouwbaar werk te maken van de Goddelijke Persoon van onze geliefde Here Jezus Christus en om alle andere dingen te laten gaan of te laten wachten op hun beurt voor menig lange dag, totdat u Hem kent en in Hem wordt bevonden en wordt gered met een volkomen redding in Hem.

Maar ik moet een eindje verdergaan. Deze vraag gaat niet alleen over de Verlosser en Zijn Persoon,  maar gaat ook over gedachten. “Wat denkt u van Christus?” Er is gezegd dat we niet opgehangen zullen worden vanwege onze gedachten. Dat moge zo zijn. Maar velen zijn verdoemd vanwege hun gedachten. Inderdaad, dit is de oorzaak van de verdoemenis, dat mensen verkeerd denken, en vanuit verkeerd denken verder gaan tot verkeerd spreken en handelen. “Wat denkt u van Christus?” Dit is voor sommigen een onderzoekende vraag, want hun relaties tot Christus bestaan uit alles behalve denken. Velen die een gebedshuis bezoeken getroosten zichzelf nooit de moeite van het denken. Ze zeggen ‘s avonds en ‘s morgens een gebed op, maar wat betreft denken, dat is niet aan de orde. Ze gaan naar het sacrament, en het kan ze niet schelen hoe vaak, maar ze denken nooit. Wat is een priester anders dan een uitvinding om voor mij te denken, om mijn godsdienst voor mij te doen? Maar de vraag is: “Wat denkt u van Christus?” Als er geen gedachte in uw godsdienst zit, dan zit er geen leven in. De mens vindt mechanische vormen en procedures uit om weg te komen van die vreselijke noodzakelijkheid van het denken, maar door dat te doen, vernietigt hij zijn ziel. Ieder mens zou zelf moeten nadenken, en het ook thuis doen, en hij hoeft het niet aan iemand anders uit te besteden om voor hem te doen. De geest moet zichzelf bezighouden met betrekking tot God, en als het dat niet doet, is onze aanbidding dode aanbidding. Onze Redder stelt ons voor dat wij moeten denken, en denken aan Hem: “Wat denkt u van Christus?” Is het een genoegen voor u om aan Christus te denken? Hebt u Hem lief, is Hij zo aantrekkelijk in uw achting, dat u zich verheugt aan Hem te denken? Denkt u vaak aan Christus, zoals u vaak denkt aan degenen die u liefhebt? En denkt u van nature aan Christus, zoals wij van nature aan voedsel denken zonder eraan herinnerd te worden, aangezien wij ervan moeten leven, en daarom een innerlijke eetlust het onmogelijk maakt het te vergeten? Hebt u hartstocht voor Christus? Dit is het soort vragen dat een mens beproeft. Is uw karakter zo veranderd dat Christus uw vriend is geworden, en u zich daarom in Hem verheugt; uw voedsel is geworden, en dat u daarom onvermijdelijk naar Hem verlangt, en dat wel moet doen vanwege die nieuwe honger en het hunkeren in uw natuur? Denkt u met blijdschap aan Christus? Kunt u zeggen:

“In het hemelse Lam

ben ik driemaal gelukkig

en mijn hart springt op

bij het geluid van Zijn naam”?

Denkt u aan Christus, verlangend naar steeds dichtere toenadering en een helderder blik op Hem,  zuchtend met heilige verliefdheid, die zegt: “O, was ik maar bij Hem, waar Hij is, of was Hij maar bij mij, waar ik ben”? Denkt u met bewondering aan Hem, u verwonderend over de Algeheel Lieflijke. Denkt u aan Hem met een vurig verlangen om gelijkvormig te worden gemaakt aan Zijn beeld, en zegt u: “Genadige Redder, maak mij als Uzelf”? Denkt u aan Hem met een werkelijke liefde, zodat u Zijn zaak helpt, Zijn arm volk te hulp komt, Zijn waarheid verkondigt, Zijn gemeente helpt en medelijden hebt met zondaren voor wie Hij Zijn bloed gaf? Denkt u zo aan Christus, dat u goed van Hem spreekt en Hem aanbeveelt bij de liefde van de mensen? Weerhouden gedachten over Jezus u van de zonde, en sporen die u aan om door te gaan op de paden der heiligheid ter wille van Zijn naam? Denkt u zo aan Christus dat u voor Zijn aangezicht bidt, dat u aan Hem geeft, dat u voor Hem werkt? “Wat denkt u van Christus?” Is Hij uw werkelijke, praktische en ijverige dienst waardig, of is het allemaal maar gepraat, ledig geklets, verbroken besluiten en ijdele belijdenissen? “Wat denkt u van Christus?”

Merk dan op dat de vraag gaat over uw eigen gedachten. Hoe tevreden zijn we allemaal met het werk om andere mensen te beoordelen. Er zijn bepaalde mensen die u, als u zou spreken tegen alle kerken en alle godsdienstige mensen, en zeggen “Wat wijken die allemaal af van de waarheid en gaan allemaal verkeerd”, voorzien van de lekkerst mogelijke noten. Zij scheppen een behagen in heilige roddel. Nu kan het waar zijn dat iedereen erg slecht is, maar ik zie niet in het bijzonder wat ik daarmee te maken heb. In ieder geval, het belangrijkste voor de meesten van u om over na te denken, is – “Wat denkt u van Christus”- u. “Ach,” zegt iemand, “ik zie graag dat misbruiken worden ontmaskerd”. Heel goed, kom hierheen en laat ons uw hart binnenste buiten keren. “Wat denkt u van Christus?” “Ik houd van een onderzoekende bediening”, zegt iemand. Heel goed, laat deze vraag u dan grondig doorzoeken en recht door uw ziel gaan als een orkaan, “Wat denkt u van Christus?” “Helaas! Mijn buren zijn enorme sabbatschenders.” Wat bent u, meneer? Kunt u niet de rustdag overtreden en toch een gebedshuis bezoeken? Draagt u geen lasten in uw ziel op de zondag, en is die niet ingesteld om een dag van rust te zijn voor zowel de Geest als het lichaam? “Ach, maar sommige van mijn buren zijn heel erg onjuist in hun leer.” Hoeveel beter bent u vanwege uw orthodoxie? Dat is het punt. Kan het niet meer zonde betekenen om het licht te hebben en er niet naar te handelen dan om helemaal in het donker te zijn? Ik verzoek u dringend, elke man, elke vrouw, voor uzelf de vraag te stellen aan uw eigen ziel: “Wat denkt u van Christus?” Hoe vaak hebt u na een preek gezegd: “Ik vraag me af hoe Die-en-die stil kon zitten en luisteren naar dat gedeelte. Ik dacht, terwijl ik daar zat: wat een rake stoot gaf de prediker aan Die-en-die.” Waren zulke gedachten goed? Is dat de manier om het evangelie te horen? Moeten wij niet voor onszelf horen? Moet er niet een persoonlijke toepassing op alle zaken zijn? Ik breng deze eis met vuur naar voren met toestemming of zonder toestemming; ik verzoek een ieder van u dringend antwoord te geven op deze vraag: “Wat denkt u van Christus?”

En laat mij hier afsluiten door te zeggen dat deze vraag, hoewel die alleen maar over gedachten gaat, iets heeft met elk ander geestelijk onderwerp. Als u hierin niet juist bent, bent u in niets juist. Het gezang zegt zuiver:

“Gij kunt niet juist zijn in de rest
als gij niet juist denkt over Hem.”

Ik heb nooit een mens gekend die gering dacht over de Redder, of hij dacht ook gering over de zonde. Er was nooit een mens die gering dacht over de Middelaar, of hij had erg vreemde ideeën over de Godheid. Nooit dwaalde een mens af in zijn gedachten over Christus zonder ook verkeerd te gaan in zijn gedachten over zichzelf. Als u weet dat Christus ten volle een Redder is en alle zonde wegdoet door het offer van Zichzelf, dan zult u weten dat u een zondaar bent met zonde die weg moet; en spoedig zult u weten dat u een heilige bent met zonde die is weggedaan, en zo zult u juiste gedachten krijgen over al het andere. Ga naar de bron, verzoek ik u. Maak hartenwerk van die essentiële vraag: “Wat denkt u van Christus?” Als u mij zou toestaan u te ondervragen over uw geestelijke toestand, dan zal ik niet een bijzonderheid van de geloofsbelijdenis of een sekte behandelen, maar ik zal beginnen en eindigen met dit ene: “Wat denkt u van Christus?” Als een mens ziekte heeft in belangrijke organen, dan zal de enkele versiering van zijn uiterlijk weinig baten; de innerlijke delen moeten in orde worden gebracht, en als u het mis hebt met betrekking tot de Here Jezus, dan moet het kwaad worden genezen door de genade van God, of u zult voor eeuwig sterven. Denk eraan: als onze opvattingen over Christus verkeerd zijn, is onze toestand verkeerd. Wanneer een mens wedergeboren wordt, kent hij Christus; hij denkt misschien dat hij Hem tevoren kende, maar dat deed hij niet, want alleen de geestelijke mens begrijpt geestelijke dingen. Als uw tegenwoordige toestand verkeerd was, zou uw toekomstige toestand verkeerd zijn, tenzij u in orde wordt gebracht met betrekking tot de Here Jezus. Dus de vraag waarmee wij ons bezig houden omvat zowel tijd als eeuwigheid.

Spreek ik hier een broeder toe, die reeds gered is, maar die een geringe hoeveelheid vreugde bezit? Geliefde broeder, het zou mij niet verbazen dat de reden van uw moedeloosheid kan zijn geringe, onwaardige gedachten over Christus Jezus. Als u meer wist over uw eenheid met de levende Redder, over de volmaaktheid die wordt gegeven aan heel Zijn volk door Zijn bloed en gerechtigheid, dan zou uw vreugde zeker overstromen en uw moedeloosheid zou ophouden. Als wij toestaan dat lage gedachten over onze Here in onze geest verblijven, dan zal onze hele geestelijke natuur als gevolg daarvan achteruit gaan. Smalle ideeën over de Verlosser versmallen onze liefde tot Hem en ons ondernemen voor Zijn eer. Lage gedachten over Christus zullen de sterkste arm verlammen, maar een grote Redder die zeer wordt bemind leidt tot grote daden. Zie Hem, dat Hij meer dan alle dingen liefelijk is, en laat Hem uw hart in beslag nemen en uw geest aanvuren, en Hij zal een mens van u maken naar de volheid van het mens-zijn, zodat u  God zult dienen met nut. Laat Jezus geen schaduw voor u zijn, of anders zal uw godsdienst onwezenlijk zijn; laat Hem niet een naam voor u zijn, of anders zal uw godsdienst alleen in naam bestaan; laat Hem niet een mythe van de geschiedenis zijn, of anders zal uw godsdienst alleen maar fantasie zijn; laat Hem niet slechts een leraar zijn, of anders zult u een Redder missen; laat Hem niet alleen maar een voorbeeld zijn, of anders zult u niet in staat zijn de verdienste van Zijn bloed te waarderen; laat Hem het begin en het einde zijn, de eerste en de laatste, het al-in-al van uw geest. Aangezien Hij Gods Geliefde is, laat Hem ook uw Geliefde zijn; aangezien Hij Here der Heren is, laat Hem uw Here zijn, en wanneer iemand aan u vraagt “Wat denkt u van Christus?”, vertel hem dan: “Hij is heel mijn Redding en Hij is heel mijn Verlangen.” Amen en amen.