De eindtijd.
De zondvloed is er geweest om de zonden van de mensheid te vergelden.
De Schepper kon het niet meer aanzien hoe goddeloos de mensheid was geworden.
Op bevel van God bouwde Noach de ark voor hem en zijn familie. De aarde werd onder water gezet.
Hierna zei God: “Ik zal de aarde niet nog een keer onder water zetten.
Later strafte God op verschillende manieren. Zo werden o.a. vanwege hun zedeloosheid de steden Sodom en Gomorra door vuur verwoest.
Wanneer de maat van de boosdoeners vol is, gaat God hen straffen. Verschillende profeten hebben geprofeteerd (d.w.z. Gods woorden gesproken) over wat er komen gaat.
God gebruikt de gevolgen van het leegroven van de aarde, zoals bijvoorbeeld de klimaatverandering. Sinds de industriële revolutie is het met de schepping hard de verkeerde kant op gegaan. Er staat ons nog veel ellende te wachten vanwege het verlaten van Gods wetten en de vernietiging van Gods schepping.
De mensen hebben de Schepper van hemel en aarde verlaten en het offer van Jezus Christus, Zijn Zoon, afgewezen.
De profeten zijn mensen, die Gods Woorden spreken.
Er zijn veel profetieën over de eindtijd.
Ook de Here Jezus heeft Zijn discipelen gezegd, hoe zij de eindtijd konden herkennen.
Een voorbeeld: Het zal zijn zoals in de dagen van Noach: veel geweld, zedeloosheid en goddeloosheid.
Wanneer we naar de wereld van vandaag kijken, dan zien we zoveel slechte dingen; ik denk dat de goddeloosheid, wreedheid en onzedelijkheid nu nog veel erger zijn dan toen.
De Here Jezus heeft met betrekking tot de eindtijd een hele lijst van kenmerken gegeven. Hij gaat de wereld vergelden voor hun daden. God is zeer vertoornd op de mensheid en Hij gebruikt het handelen van de mensheid zelf voor Zijn straffen.
We kunnen ons nu nog bekeren, zoals de Here Jezus en Johannes de Doper zeiden. Zij beiden begonnen hun arbeid met de woorden: “Bekeert u.” Wij hopen dat God nog velen genadig wil zijn.
Eén profeet wordt niet zo vaak genoemd, n.l. de profeet Daniël. Hij heeft een heel bijzonder gezicht over ‘de tijd van het einde’, ‘in het laatst van de gramschap’. Het doelt op het tijdstip van het einde.
Hieronder een kleine lijst Bijbelgedeelten. Er zijn er nog veel meer, zowel in het Oude als het Nieuwe Testament.
1. De woorden van Jezus Christus over de eindtijd.
Mattheüs 24
2. De profeten van het Oude Testament.
A. Jesaja 13:1-14
B. Jesaja 24:1-6
C. Zacharia 14:1-13
D. Zacharia 11:6
E. Daniël 8:15-26
F. Micha 7:13
G. Zefanja 1:14-18
3. De brieven van Paulus.
2 Thessalonicenzen 2:1-14
1. De woorden van Jezus Christus over de eindtijd.
Mattheüs 24:
1 En Jezus ging de tempel uit en vertrok. En zijn discipelen kwamen tot Hem om Hem op de gebouwen van de tempel te wijzen.
2 En Hij antwoordde en zei tot hen: Ziet gij dit alles niet? Voorwaar, Ik zeg u, er zal hier geen steen op de andere gelaten worden, die niet zal worden weggebroken.
3 Toen Hij op de Olijfberg gezeten was, kwamen zijn discipelen alleen tot Hem en zeiden: Zeg ons wanneer zal dat geschieden, en wat is het teken van Uw komst en van de voleinding der wereld?
4 En Jezus antwoordde en zei tot hen: Ziet toe, dat niemand u verleide!
5 Want velen zullen komen onder Mijn naam en zeggen: Ik ben de Christus’, en zij zullen velen verleiden.
6 Ook zult gij horen van oorlogen en van geruchten van oorlogen. Ziet toe, weest niet
verontrust; want dat moet geschieden, maar het einde is het nog niet.
7 Want volk zal opstaan tegen volk, en koninkrijk tegen koninkrijk, en er zullen nu hier, dan daar, hongersnoden en aardbevingen zijn.
8 Doch dat alles is het begin der weeën.
9 Dan zullen zij u overleveren aan verdrukking en zij zullen u doden, en gij zult door alle volken gehaat worden om Mijns naams wil.
10 En dan zullen velen ten val komen en zij zullen elkander overleveren en elkander
haten.
11 En vele valse profeten zullen opstaan en velen zullen zij verleiden.
12 En omdat de wetsverachting toeneemt, zal de liefde van de meesten verkillen.
13 Maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden.
14 En dit evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken, en dan zal het einde gekomen zijn.
15 Wanneer gij dan de gruwel der verwoesting, waarvan door de profeet Daniel gesproken is, op de heilige plaats ziet staan – wie het leest, geve er acht op –
16 laten dan wie in Judea zijn, vluchten naar de bergen.
17 Wie op het dak is, ga niet naar beneden om zijn huisraad mede te nemen,
18 en wie in het veld is, kere niet terug om zijn kleed mede te nemen.
19 Wee de zwangeren en de zogenden in die dagen.
20 Bid, dat uw vlucht niet in de winter valle en niet op een sabbat.
21 Want er zal dan een grote verdrukking zijn, zoals er niet geweest is van het begin
der wereld tot nu toe en ook nooit meer wezen zal.
22 En indien die dagen niet ingekort werden, zou geen vlees behouden worden; doch ter wille van de uitverkorenen zullen die dagen worden ingekort.
23 Indien dan iemand tot u zegt: Zie, hier is de Christus, of: Hier, gelooft het niet.
24 Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan en zij zullen grote tekenen en wonderen doen, zodat zij, ware het mogelijk, ook de uitverkorenen zouden verleiden.
25 Zie, Ik heb het u voorzegd.
26 Indien men dan tot u zegt: Zie, Hij is in de woestijn, gaat er niet heen; zie, Hij is in de binnenkamer, gelooft het niet.
27 Want gelijk de bliksem komt van het oosten en licht tot het westen,
zo zal de komst van de Zoon des mensen zijn.
28 Waar het aas is, daar zullen de gieren zich verzamelen.
29 Terstond na de verdrukking dier dagen zal de zon verduisterd worden en de maan zal haar glans niet geven en de sterren zullen van de hemel vallen en de machten der
hemelen zullen wankelen.
30 En dan zal het teken van de Zoon des mensen verschijnen aan de hemel en dan
zullen alle stammen der aarde zich op de borst slaan en zij zullen de Zoon des
mensen zien komen op de wolken des hemels, met grote macht en heerlijkheid.
31 En Hij zal Zijn engelen uitzenden met luid bazuingeschal en zij zullen Zijn
uitverkorenen verzamelen uit de vier windstreken, van het ene uiterste der hemelen tot het andere.
32 Leert dan van de vijgenboom deze les: Wanneer zijn hout reeds week wordt en de
bladeren doet uitspruiten, weet gij daaraan, dat de zomer nabij is.
33 Zo moet ook gij, wanneer gij dit alles ziet, weten, dat het nabij is, voor de deur.
34 Voorwaar, Ik zeg u, dit geslacht zal geenszins voorbijgaan, voordat dit alles geschiedt.
35 De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan.
36 Doch van die dag en van die ure weet niemand, ook de engelen der hemelen niet, ook de Zoon niet, maar de Vader alleen.
37 Want zoals het was in de dagen van Noach, zo zal de komst van de Zoon des mensen zijn.
38 Want zoals zij in die dagen voor de zondvloed waren, etende en drinkende, huwende en ten huwelijk gevende, tot op de dag, waarop Noach in de ark ging
39 en zij niets bemerkten, eer de zondvloed kwam en hen allen wegnam, zo zal ook de komst van de Zoon des mensen zijn.
40 Dan zullen er twee in het veld zijn, een zal aangenomen worden en een achtergelaten worden;
41 twee vrouwen zullen aan het malen zijn met de molen, een zal aangenomen
worden, en een achtergelaten worden.
42 Waakt dan, want gij weet niet, op welke dag uw Here komt.
43 Maar weet dit: Als de heer des huizes geweten had, in welke nachtwaak de dief zou komen, hij zou gewaakt hebben en in zijn huis niet hebben laten inbreken.
44 Daarom, weest ook gij bereid, want op een uur, dat gij het niet verwacht, komt de
Zoon des mensen.
45 Wie is dan de trouwe en verstandige slaaf, die de heer over zijn dienstvolk gesteld heeft om hun op tijd hun voedsel te geven?
46 Zalig die slaaf, die zijn heer bij zijn komst zo bezig zal vinden.
47 Voorwaar, Ik zeg u, dat hij hem over al zijn bezit zal stellen.
48 Maar als die slaaf slecht was, en in zijn hart zou zeggen:
49 Mijn heer blijft uit, en hij zou beginnen zijn medeslaven te slaan en met de dronkaards zou eten en drinken,
50 dan zal de heer van die slaaf komen op een dag, dat hij het niet verwacht, en op een uur, dat hij het niet weet,
51 en hij zal hem folteren en hem in het lot der huichelaars doen delen. Daar zal het geween zijn en het tandengeknars.
→ overzicht
2. De profeten van het Oude Testament
A. Jesaja 13:1-14
1 De Godsspraak over Babel, die Jesaja, de zoon van Amoz, aanschouwd heeft.
2 Heft op een kale berg een banier op, roept met luider stem hun toe;
wenkt met de hand, opdat zij de poorten der edelen binnentrekken.
3 Ik Zelf heb Mijn geheiligden een opdracht gegeven, ook heb Ik Mijn helden tot
voltrekking van Mijn toorn geroepen, Mijn van overmoed juichenden.
4 Hoor, een gedaver op de bergen als van veel volk.
Hoor, een rumoer der koninkrijken van verzamelde volken.
De HERE der heerscharen monstert een krijgsheer.
5 Zij komen uit een ver land, van het einde des hemels, de HERE en de werktuigen
zijner gramschap, om de gehele aarde te verderven.
6 Jammert, want de dag des HEREN is nabij; hij komt als een verwoesting van de
Almachtige.
7 Daarom worden alle handen slap en elk mensenhart versmelt.
8 Ja, zij zijn verschrikt, krampen en weeën grijpen hen aan, als een barende
krimpen zij ineen; de een ziet verbijsterd de ander aan, hun gelaat staat in vlam.
9 Zie, de dag des Heren komt, meedogenloos, met verbolgenheid en brandende
toorn, om de aarde tot een woestenij te maken en haar zondaars van haar te
verdelgen.
10 Want de sterren en de sterrenbeelden des hemels doen hun licht niet stralen,
de zon is bij haar opgang verduisterd en de maan laat haar licht niet schijnen.
11 Dan zal Ik aan de wereld het kwaad bezoeken en aan de goddelozen hun
ongerechtigheid, en Ik zal de trots der overmoedigen doen ophouden en de
hoogmoed der geweldenaars vernederen.
12 Ik zal de stervelingen zeldzamer maken dan gelouterd goud en de mensen dan
fijn goud van Ofir.
13 Daarom zal Ik de hemel doen wankelen en de aarde zal bevend van haar plaats
wijken door de verbolgenheid van de HERE der heerscharen, ten dage van Zijn
brandende toorn.
14 En het zal geschieden, dat zij als een opgejaagde gazel en als schapen die
niemand bijeen houdt, zich zullen wenden ieder naar zijn eigen volk, en zullen
vluchten een ieder naar zijn eigen land.
→ overzicht
B. Jesaja 24:1-6
1 Zie, de Here ontledigt en verwoest de aarde, keert haar onderstboven
en verstrooit haar inwoners.
2 Dan vergaat het de priester als het volk, de heer als de knecht,
de meesteres als haar dienstmaagd, de verkoper als de koper,
wie te leen ontvangt als wie te leen geeft, de schuldenaar als de schuldeiser.
3 De aarde wordt volkomen ontledigd en geheel leeggeroofd,
want de Here heeft dit woord gesproken.
4 De aarde treurt, verwelkt; de wereld kwijnt weg, verwelkt;
de hoogsten van het volk des lands kwijnen weg.
5 Want de aarde is ontwijd door haar bewoners, omdat zij de wetten hebben
overtreden, de inzetting ontdoken, het eeuwig verbond verbroken.
6 Daarom verslindt een vloek de aarde en moeten haar bewoners boeten;
daarom worden de bewoners der aarde door een gloed verteerd
en blijven er weinig stervelingen over.
→ overzicht
C. Zacharia 14:1-13
1 Zie, er komt een dag voor de HERE, waarop de buit, op u behaald,
binnen uw muren verdeeld zal worden.
2 Dan zal Ik alle volken tegen Jeruzalem ten strijde vergaderen;
de stad zal genomen worden, de huizen zullen worden geplunderd en de
vrouwen geschonden. De helft van de stad zal wegtrekken in ballingschap,
maar de rest van het volk zal in de stad niet uitgeroeid worden.
3 Dan zal de HERE uittrekken om tegen die volken te strijden,
zoals Hij vroeger streed, ten dage van de krijg;
4 Zijn voeten zullen te dien dage staan op de Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt
aan de oostzijde; dan zal de Olijfberg middendoor splijten,
oostwaarts en westwaarts, tot een zeer groot dal,
en de ene helft van de berg zal noordwaarts wijken
en de andere helft zuidwaarts;
5 En gij zult de vlucht nemen in het dal Mijner bergen,
want het dal der bergen zal reiken tot Asel;
ja, gij zult de vlucht nemen, zoals gij de vlucht genomen hebt voor de
aardbeving in de dagen van Uzzia, de koning van Juda.
En de HERE, mijn God, zal komen, alle heiligen met Hem.
6 En op die dag zal er geen kostelijk licht zijn, noch verstijving;
Ja, het zal een dag zijn – die is bij de Here bekend –
7 geen dag en geen nacht; maar ten tijde van de avond zal er licht wezen.
8 Dan zullen te dien dage levende wateren uit Jeruzalem vlieten,
de helft daarvan naar de oostelijke en de helft naar de westelijke zee;
in de zomer zowel als in de winter zal dat geschieden.
9 En de HERE zal koning worden over de gehele aarde;
te dien dage zal de HERE de enige zijn, en Zijn naam de enige.
10 Het gehele land zal worden als de Vlakte van Geba tot Rimmon,
zuidelijk van Jeruzalem; maar dit zal verhoogd worden en op zijn plaats blijven bestaan,
van de Benjaminpoort tot de plaats van de vroegere poort, tot de Hoekpoort,
en van de Chananeltoren tot de koninklijke perskuipen;
11 Men zal het bewonen, en er zal geen ban meer zijn,
maar Jeruzalem zal veilig gelegen zijn.
12 Dan zal dit de plaag zijn, waarmee de HERE alle volken zal treffen,
die tegen Jeruzalem zijn uitgerukt:
Hij zal ieders vlees, terwijl hij nog op zijn voeten staat, doen wegteren,
en ieders ogen zullen wegteren in hun kassen,
en ieders tong zal wegteren in zijn mond.
13 Ja, te dien dage zal er onder hen een grote, door de HERE bewerkte, ontsteltenis wezen, en ieder zal de hand van een ander grijpen,
en ieders hand zal zich tegen die van een ander verheffen.
→ overzicht
D. Zacharia 11:6
Want Ik zal de bewoners der aarde niet langer sparen, luidt het woord des HEREN;
zie, Ik lever de mensen over, allen in de macht van hun naaste
en in de macht van hun koning; en zij zullen de aarde tot een woestenij maken,
en Ik zal uit hun macht niet redden.
→ overzicht
E. Daniël 8:15-26
15 Toen ik, Daniel, het gezicht zag en het trachtte te verstaan,
zie, daar stond iemand voor mij, die er uitzag als een man,
16 En ik hoorde een menselijke stem over de Ulai, welke zeide:
Gabriel, doe deze het gezicht verstaan.
17 En hij kwam tot waar ik stond, en toen hij kwam,
schrok ik en wierp mij op mijn aangezicht, maar hij zeide tot mij:
Versta, mensenkind, dat het gezicht doelt op de tijd van het einde.
18 Toen hij nu met mij sprak, viel ik bezwijmd op mijn aangezicht ter aarde;
hij echter raakte mij aan en deed mij overeind staan,
19 En zei: Zie, ik maak u bekend wat geschieden zal in het laatst van de gramschap;
want het doelt op het tijdstip van het einde.
20 De ram die gij gezien hebt, met de twee horens,
doelt op de koningen der Meden en Perzen,
21 En de harige geitenbok op de koning van Griekenland,
en de grote horen die tussen zijn ogen stond, dat is de eerste koning.
22 En dat die afbrak en er vier in zijn plaats kwamen te staan:
vier koninkrijken zullen uit het volk ontstaan, doch zonder zijn kracht.
(Na de dood van Alexander de Grote viel zijn grote rijk in vier delen uiteen.)
23 En in het laatst van hun koningschap, als de boosdoeners de maat hebben
volgemaakt, zal er een koning (→ een heerser) opstaan, hard van aangezicht en
bedreven in listen.
24 En zijn kracht zal sterk zijn (maar niet door eigen kracht)
en op ontstellende wijze zal hij verderf brengen, en wat hij onderneemt zal hem
gelukken; machtigen zal hij verderven, ook het volk der heiligen. (→ het Joodse volk).
25 En door zijn sluwheid zal hij het bedrog dat hij aanwendt, doen gelukken;
hij zal zich in zijn hart verheffen, en onverhoeds velen verderven.
Ook tegen de Vorst der vorsten zal hij optreden,
doch zonder mensenhanden zal hij vernietigd worden.
26 En het gezicht van de avonden en de morgens, waarvan gesproken werd, dat is
waarheid.
→ overzicht
F. Micha 7:13:
Maar de aarde zal tot een woestenij worden vanwege haar bewoners,
om de vrucht van hun handelingen.
→ overzicht
G. Zefanja 1:14-18
14 Nabij is de grote dag des Heren, nabij en hij nadert haastig.
Hoort, de dag des Heren; bitter schreeuwt dan de held.
15 Die dag is een dag van verbolgenheid, een dag van benauwdheid en van angst,
een dag van vernieling en van vernietiging, een dag van duisternis en van donkerheid,
een dag van wolken en van dikke duisternis,
16 Een dag van bazuingeschal en van krijgsgeschreeuw tegen de versterkte steden
en tegen de hoge hoektorens.
17 Dan zal Ik de mensen benauwen, zodat zij gaan als blinden,
want zij hebben tegen de HERE gezondigd,
en hun bloed zal worden uitgestort als stof en hun ingewand als drek.
18 Noch hun zilver, noch hun goud zal hen kunnen redden
op de dag van de verbolgenheid des Heren.
Door het vuur van Zijn na-ijver zal de ganse aarde verteerd worden,
want vernietiging, ja, een verschrikkelijk einde zal Hij
alle inwoners der aarde bereiden.
→ overzicht
3. De brieven van Paulus
2 Thessalonicenzen 2:1-14
1 Maar wij verzoeken u, broeders, met betrekking tot de komst van onze Here Jezus
Christus en onze vereniging met Hem,
2 dat gij niet spoedig uw bezinning verliest of in onrust verkeert, hetzij door een
geestesuiting, hetzij door een prediking, hetzij door een brief, die van ons afkomstig
zou zijn, alsof de dag des Heren (reeds) aanbrak.
3 Laat niemand u misleiden, op welke wijze ook, want eerst moet de afval komen en de mens der wetteloosheid zich openbaren, de zoon des verderfs,
4 de tegenstander, die zich verheft tegen al wat God of voorwerp van verering heet,
zodat hij zich in de tempel Gods zet, om aan zich te laten zien, dat hij een god is.
5 Herinnert gij u niet, dat ik, toen ik nog bij u was, u dit meermalen gezegd heb?
6 En gij weet thans wel, wat hem weerhoudt, totdat hij zich openbaart op zijn tijd.
7 Want het geheimenis der wetteloosheid is reeds in werking; (wacht) slechts totdat hij, die op het ogenblik nog weerhoudt, verwijderd is.
8 Dan zal de wetteloze zich openbaren; hem zal de Here Jezus doden door de adem Zijns monds en machteloos maken door Zijn verschijning, als Hij komt.
9 Daarentegen is diens komst naar de werking des satans met allerlei krachten tekenen en bedrieglijke wonderen,
10 en met allerlei verlokkende ongerechtigheid, voor hen, die verloren gaan, omdat zij de liefde tot de waarheid niet aanvaard hebben, waardoor zij hadden kunnen behouden worden.
11 En daarom zendt God hun een dwaling, die bewerkt, dat zij de leugen geloven
12 opdat allen worden geoordeeld, die de waarheid niet geloofd hebben, doch een
welgevallen hebben gehad in de ongerechtigheid.
13 Maar wij behoren God te allen tijde om u te danken, door de Here geliefde broeders, dat God u als eerstelingen Zich verkoren heeft tot behoudenis, in heiliging door de Geest en geloof in de waarheid.
14 Daartoe heeft Hij u ook door ons evangelie geroepen tot het verkrijgen van de
heerlijkheid van onze Here Jezus Christus.
→ overzicht