Uit de diepten

Voorwoord van de Vertaler.

Jaren geleden lazen we een zeer belangrijk boekje, dat heel zuiver de noodzaak van echt berouw aangeeft. De Engelse titel is “Out of the depths”. Het bevat vier Bijbelstudies over Psalm 51, welke door D.M. Lloyd Jones in het najaar van 1949 werden gegeven. Heel duidelijk wordt erin uitgelegd welke consequenties voortvloeien uit de Bijbelse beschrijving van het Christen worden. Naar onze overtuiging is deze boodschap vandaag hard nodig nu het Arminianisme ook in orthodoxe kringen zo in opmars is. Vandaar ons verlangen het hele boekje op de website te plaatsen. Er was echter een moeilijkheid. In 1993 had uitgeverij De Groot Goudriaan te Kampen “Out of the depths” in het Nederlands uitgegeven met de titel “Witter dan sneeuw”. Bij navraag verwees de Engelse uitgever, The Evangelical Press of Wales, ons naar de Nederlandse uitgever. Gelukkig was men bij De Groot Goudriaan zo vriendelijk ons toestemming te verlenen dit Engelse boekje op onze website te plaatsen, mits het opnieuw vertaald werd.

Copyright deze vertaling: Stichting Exodusgemeente.

UIT DE DIEPTEN

Hoofdstuk 1

DE BEKENTENIS VAN DE ZONDAAR

Psalm 51:1-5

Voor de koorleider. Een psalm van David, toen de profeet Nathan bij hem gekomen was,

nadat hij tot Bathseba was gekomen.

Wees mij genadig, o God, naar uw goedertierenheid,
delg mijn overtredingen uit naar uw grote barmhartigheid;
Was mij geheel van mijn ongerechtigheid,
reinig mij van mijn zonde.
Want ik ken mijn overtredingen,
mijn zonde staat bestendig voor mij.

Over het algemeen is men het erover eens dat deze 51ste psalm wellicht de klassieke uiteenzetting in het Oude Testament is over het onderwerp berouw. Inderdaad kan er in bepaalde zin worden gezegd dat het wellicht de klassieke uiteenzetting over dit hele onderwerp berouw is in de hele Bijbel. Het is het verslag van de zielenstrijd van David, de koning van Israël, nadat hij zich schuldig had gemaakt aan een bijzonder lafhartige misdaad. Een klein opschrift in de Authorized Version zegt: “Aan de koorleider, een psalm van David, toen Nathan de profeet tot hem kwam, nadat hij tot Bathseba was gekomen.” Met andere woorden, om een bepaalde reden kunnen we deze psalm en het onderwijs ervan niet echt begrijpen, tenzij wij de achtergrond die de aanleiding ertoe gaf, in gedachten houden.
Het is een erg akelig verhaal. Toch moet ik u eraan herinneren, omdat het leven naar kan zijn. We zijn helaas allen in staat om nare dingen te doen. De geschiedenis komt hierop neer. David was de koning van Israël, en op dit specifieke moment tijdens zijn regering waren zijn legers aan het oorlogvoeren. David zelf was niet bij het leger; hij was in Jeruzalem achtergebleven. Ons wordt verteld dat hij op een dag toevallig op het dak van zijn huis zat en dat hij daar, toen hij blijkbaar toevallig in de verte keek, een erg mooie vrouw zag. Deze vrouw was de echtgenote van een man die met de legers van David vocht tegen de vijand. Toen David gekeken had en deze vrouw knap gevonden had, begeerde hij haar en hij beval dat zij bij hem zou worden gebracht. Zij werd bij hem gebracht en hij bedreef overspel met haar. Hij verontreinigde haar. Toen stuurde hij, om zijn zonde te bedekken, een boodschap naar zijn opperbevelhebber, en vertelde hem dat hij Uria, de man van deze vrouw, naar huis moest sturen. Hij kwam en had een gesprek met de koning. De koning stuurde hem toen weg en zei dat hij naar huis moest gaan.
Maar deze man was een man van eer en hij ging niet naar huis naar zijn vrouw. Hij vond dat hij dat niet behoorde te doen, wanneer de legers van de koning op het slagveld waren en het lot van Israël misschien gevaar liep. Hij zei: “Nee, nee! Ik kan dat niet doen”, en hij sliep op de drempel. De koning hoorde hiervan en hij maakte de arme man dronken in een poging hem naar huis te sturen. Maar opnieuw weigerde Uria. Dus schreef David een brief aan Joab en stuurde die door de hand van Uria. Hij zei in feite: “Ik wil deze man kwijt; je moet hem op de een of andere manier vooraan in de strijd plaatsen.” Joab voerde het bevel uit. Hij regelde dat Uria de Hethiet en bepaalde anderen vooraan werden gezet in de strijd waar de dapperste mannen van het leger van de tegenstander zich bevonden. De arme Uria werd gedood. Zo verkreeg David wat hij wilde; hij had zijn zin en nam deze vrouw, Bathseba, de vrouw van Uria, om één van zijn vrouwen te worden. Alles leek volkomen in orde. “Maar de zaak die David had gedaan, mishaagde de HERE” (2 Samuel 11: 27).
David ging echter heel gelukkig verder, totdat God Nathan de profeet naar hem toe stuurde. Nathan zei tot de koning: “Ik heb u een nogal verdrietige zaak mee te delen. Er waren twee mensen in uw koninkrijk; de een was een rijk man; hij had grote kudden en een overvloed aan schapen en ossen, en er was een andere man, een erg arme man, die alleen maar een ooilam had. Het was een soort huisdier bij hem. Maar het gebeurde dat de grote rijke man, toen iemand bij hem op bezoek kwam, in plaats van één van zijn eigen schapen te slachten, het ene ooilam van de arme man nam, het slachtte en klaarmaakte voor zijn gast. De arme eigenaar was er kapot van.” David stond woedend op en sprak zich als volgt openlijk uit: “De man die zo’n lafhartige daad heeft gedaan, moet onmiddellijk gestraft worden!” Toen onderbrak Nathan hem en zei: “U bent die man!” Hiermee gaf hij aan, dat hij hem een gelijkenis verteld had om hem te attenderen op de zaak die hij zelf had gedaan in het geval van Uria de Hethiet. Dat is de achtergrond.
David ziet het plotseling en wordt vervuld met een gevoel van schaamte en afschuw en het was in die toestand dat hij deze 51ste psalm schreef. Daar is het verhaal, daar is de achtergrond. Nu hoop ik deze psalm met u te bestuderen, omdat het onze aandacht op een erg beeldende en krachtige manier richt op een paar van de fundamentele waarheden en feiten die verband houden met ons leven in deze wereld. Het heeft speciaal betrekking op de grote zaak van onze redding.
Volgens de Bijbel zijn er bepaalde stappen die we noodzakelijkerwijs moeten doorlopen, voordat we de redding van God in Jezus Christus kunnen kennen. We gaan zondag aan zondag naar de kerk, omdat we ons druk maken om de verspreiding van het evangelie van onze Here Jezus Christus. Mijn enige reden om op de preekstoel te staan is, dat ik geloof dat dit boek hier Gods weg van redding voor de mensheid bevat. Het is het enige wat de wereld vandaag nodig heeft. Het is het antwoord op de nood van de mens, en toch negeren mannen en vrouwen het en maken het bespottelijk. Er zijn er velen die er in geïnteresseerd zijn en toch hebben ze niet de kracht en de reddende genade ervan ervaren. Waarom? Wel, ik zeg het eenvoudig, het is omdat zij zich niet hebben gerealiseerd dat er bepaalde dingen zijn die moeten gebeuren, voordat een mens de grote redding kan ervaren die in dit evangelie wordt gevonden. Er zijn bepaalde dingen die we ons moeten realiseren, die we moeten begrijpen, die we moeten geloven, en de eerste van deze is berouw. Daarom beginnen we met deze psalm; wij moeten helderheid hebben over dit hele vraagstuk van berouw.
Lees het geval van welke bekeerde dan ook die u kunt vinden in de Bijbel en u zult altijd merken dat dit element van berouw erbij komt. Lees de levens van de gelovigen, lees de geschiedenis van mensen die prominent aanwezig waren in de gemeente van God tijdens de voorbijgegane eeuwen en u zult merken dat ieder mens die werkelijk de ervaring en de kracht van de genade van God in zijn leven heeft gekend, altijd een mens is die blijk geeft van berouw. Ik aarzel daarom niet deze verzekering te geven dat zonder berouw er geen redding is. De noodzaak van berouw is een van die absolute dingen waarover de Bijbel niet argumenteert. Het zegt het gewoon. Het geeft het gewoon als basisprincipe. Het is onmogelijk, zeg ik, dat een mens een Christen is zonder berouw; geen mens kan de Christelijke redding ervaren, tenzij hij weet wat het is om berouw te hebben. Daarom leg ik er de nadruk op dat dit een zeer belangrijke zaak is. Toen Johannes de Doper zijn bediening begon, ging hij uit en predikte hij de doop van bekering tot vergeving van zonden. Het was de eerste boodschap van de eerste prediker. Er wordt ons door Marcus verteld dat onze Here en Redder, Jezus Christus rondging en predikte dat de mensen tot berouw moesten komen. Berouw is absoluut belangrijk. Paulus ging rond en predikte berouw tot God en geloof in onze Here Jezus Christus. Petrus predikte op de dag van Pinksteren de eerste preek onder auspiciën van de Christelijke gemeente en toen hij klaar was, riepen bepaalde mensen het uit en zeiden: “Wat moeten wij doen?” “Kom tot berouw!”, zei Petrus. Zonder berouw is er geen kennis van redding, is er geen ervaring van redding. Het is een essentiële stap. Het is de eerste stap.
“Goed”, zegt iemand, “wat bedoelt u wanneer u zegt dat wij tot berouw moeten komen?” Nu, deze psalm is de klassieke uiteenzetting over de hele zaak en leer van berouw. In deze eerste studie wil ik het alleen maar hebben over één aspect en één stap, over wat ik beschouw als de eerste stap van berouw. Het is overtuiging van zonden, of zo u wilt, het is onze bekentenis van onze zondigheid. Als u een titel aan deze toespraak wilt geven, zou u kunnen zeggen dat wij het gaan hebben over de bekentenis van de zondaar, onze overtuiging van zonde en de belijdenis van onze zondigheid.
Nogmaals, hier is iets wat ik niet aarzel te beschrijven als absoluut noodzakelijk. Omdat mensen zich niet het Bijbelse onderwijs over de zonde beseffen, schieten zij tekort in het zich realiseren van zoveel andere dingen die onderdeel uitmaken van het Christelijke evangelie. Er zijn vandaag zoveel mensen die zeggen dat zij de behoefte aan de vleeswording niet zien, dat zij al dit praten over de Zoon van God Die naar de aarde moest komen, niet begrijpen; dat zij dit praten over de wonderen en het bovennatuurlijke niet begrijpen; dat zij dit denkbeeld van de verzoening en uitdrukkingen zoals rechtvaardigmaking, heiligmaking en wedergeboorte niet kunnen volgen. Ze zeggen dat zij niet begrijpen waarom dit alles noodzakelijk lijkt te zijn. Zij zouden graag op de volgende manier willen argumenteren: “Is het niet de kerk, die al deze theoretische, puur abstracte ideeën heeft ontwikkeld? Zijn het geen dingen die verzonnen zijn in het denken van theologen? Wat hebben wij ermee te maken en waar is het praktische belang ervan?” Ik zou graag willen uitleggen dat mensen die zo praten, dat doen, omdat zij zich niet de waarheid over de zonde hebben gerealiseerd. Ze hebben zich niet de volledige betekenis van het Bijbelse onderwijs over de zonde gerealiseerd. Ze hebben zich niet gerealiseerd dat zijzelf zondig zijn. Maar de Bijbel houdt, in scherp contrast daarmee, voortdurend vanaf het begin tot het einde hieraan vast. Inderdaad, ik zou de uitdaging van de Bijbel aan de moderne wereld in deze vorm willen gieten. Zij vertelt ons dat het leven van de mens, of het nu individueel of collectief is, eenvoudig niet begrepen kan worden los van de leer van de zonde. Hier zijn we in deze moderne en verwarrende wereld; we zijn ons ervan bewust dat er iets verkeerd is en de vraag is: “Wat is er verkeerd?” Politici lijken niet in staat onze problemen op te lossen. Filosofen stellen vragen, maar ze lijken niet in staat te zijn die te beantwoorden. Al onze inspanningen lijken de wereld niet op orde te kunnen brengen. De Bijbel zegt: “U negeert de enige zaak die de sleutel voor de situatie is! Het is zonde. Hier ligt de oorzaak van de problemen in individuen, in intieme menselijke relaties, in internationale relaties, overal. Dit is het probleem.”
Nu benadrukt de Bijbel dit overal en verbazingwekkend eerlijk. Dat is voor mij altijd één van de meest bijzondere, fascinerende dingen van dit Boek. Het verbergt niets. Ik kan de mens niet begrijpen die niet in dit Boek gelooft als het Boek van God. Het is zo heel erg eerlijk. Het probeert niet zijn grootste helden van blaam te zuiveren. Het probeert niet een groots beeld van een verzameling helden zonder smet op te bouwen. De mythologie doet dat en over het algemeen doet de mensheid dat. Maar de Bijbel doet dat nooit. Het toont de mensen evengoed in hun zwakheid als in hun kracht. Zij doet dat slechts om één reden – haar uiteindelijke belang ligt helemaal niet bij deze mensen, maar bij de waarheid van God. Ik wil dat u inziet dat het gewone idee dat Christenen claimen dat ze beter zijn dan andere mensen een totale karikatuur is van de positie als Christen. De positie als Christen is eerder dat ik geloof dat ik buiten de genade van God totaal en absoluut hopeloos ben. Ik ben wat ik ben door de genade van God – dat is de Bijbelse verklaring. De boodschap van de Bijbel is dat de enige hoop voor de mens ligt in het evangelie en in de genade van God. Dit is een evangelie voor zondaren. In een bepaalde betekenis heeft het niets te zeggen tot een mens, totdat hij zichzelf als zondaar ziet. Met andere woorden, het doel van haar uitspraken in zijn richting is hem zo te maken dat hij zichzelf als zondaar ziet. De Bijbel heeft niets te zeggen tot een mens die geen berouw heeft gehad. Haar eerste roep is dan ook een oproep tot berouw. Op deze manier behandelt zij deze ontzagwekkende leer van de zonde.
Het aan de orde stellen van de zonde door haar kan zo onder woorden worden gebracht: de zonde is een vreselijke, boosaardige macht; de zonde is zo ’n vreselijke en machtige zaak dat het ons allemaal tegen de grond krijgt; ieder mens die ooit in deze wereld heeft geleefd, is het slachtoffer ervan geworden. Het vertelt ons dat de macht van de zonde zo groot en vreselijk is, dat zelfs een wonderbaarlijk en geweldig man als David, de koning van Israël, kon vallen op de manier die ik reeds beschreven heb. “Nu,” zegt de Bijbel, “tot de tijd dat u zich gaat realiseren dat u te strijden hebt tegen zo’n macht, bent u nog niet begonnen helder te denken. Als u zich niet realiseert, dat, zolang als u in dit leven en in deze wereld bent, er deze vreselijke helse macht binnen in u en rondom u zal zijn, dan bent u nog maar een nieuweling in deze dingen! Het feit is dat er hier in deze wereld overheden en machten, heersers van de duisternis van deze wereld, geestelijke boosheden in de hemelse gewesten zijn, die bij u bedelen, die u verzoeken, die u tegen de grond krijgen.” Dat is de Bijbelse leer van de zonde. Dat is het vreselijke wat ons wordt geopenbaard in deze psalm. De eerste stap is dat de mens zich zijn zondigheid moeten beseffen en die belijden.
Feitelijk is deze 51ste psalm een psalm, die u zou kunnen noemen als u dat wilt, “een gebed van een afvallige”. Het was het gebed van een man die in God geloofde en het barmhartige handelen van God had ervaren. Het gaat over een man, die valt hoewel hij de waarheid kent. Maar dat maakt geen enkel verschil. Wat David ons hier over de zonde vertelt is altijd de waarheid over de zonde, of het nu de zonde van een gelovige of van een ongelovige is. Een zonde verandert nooit van karakter en daarom is hetgeen David over zonde te zeggen heeft, iets wat altijd een universele waarheid over de zonde is. Hier dan worden ons de stappen en de stadia getoond, waar een mens onontkoombaar doorheen gaat, wanneer hij overtuigd wordt en schuldig bevonden wordt wat betreft zijn zonde. Ik wil ze er alleen maar uitlichten en hen onderstrepen.

De eerste is deze. Hij komt tot kennis van het feit en erkenning van het feit dat hij heeft gezondigd. Luister naar David in vers 5: “Want ik ken mijn overtredingen, mijn zonde staat bestendig voor mij.” Het eerste daarom wat er met een mens gebeurt, wanneer hij overtuigd wordt en veroordeeld wordt vanwege zonde is dat hij zijn zonden onder ogen ziet en werkelijk op een eerlijke manier kijkt naar wat hij heeft gedaan. Deze hele geschiedenis vertelt ons dat dat precies was wat David niet had gedaan. Nu, zit daar niet iets bijna ongelofelijks in, dat een mens de dingen kon doen die David deed en ze toch niet reëel onder ogen zag? Zeker moet David hebben ervaren dat hij verkeerd handelde; toch deed hij het! Hij zag nooit werkelijk het feit van het kwaad doen onder ogen en hij bleef weigeren het onder ogen te zien. Na deze vreselijke dingen gedaan te hebben zou David ze nog steeds niet onder ogen hebben gezien ware het niet dat God de profeet Nathan naar hem toe stuurde en hem dwong ze onder ogen te zien door in een andere vorm hem details van hetzelfde te geven als wat er gebeurde. Zo gingen David de ogen open en werd hij tot in het stof vernederd. Dat is hoe hij ertoe kwam deze 51ste  psalm te schrijven. Dit is altijd de eerste stap. Wij moeten stil blijven staan en nadenken; wij moeten een ogenblik pauzeren en onszelf in ogenschouw nemen en het leven onder ogen zien dat we hebben geleefd en onder ogen zien wat we hebben gedaan en wat we aan het doen zijn.
Nu weet ik dat dit erg onplezierig is en dat mensen een hekel hebben aan een evangelie dat zoiets zegt. Maar als u Gods redding wilt leren kennen, dan moet u tot berouw komen en de eerste stap is overtuiging van zonde en de eerste manier om overtuigd te worden van zonde is te blijven stilstaan en naar uzelf te kijken. Is het niet verbazingwekkend, vraag ik opnieuw, dat David de dingen kon doen die hij deed en ze toch niet onder ogen zag? Daar zijn al de dingen die hij heeft gedaan en toch gaat hij door. Hoe kan hij zoiets doen? Er is slechts één manier om in zo’n positie door te gaan en dat is te weigeren onder ogen te zien wat u aan het doen bent en weigeren om te stoppen en na te denken. Daarom keur ik de zogenaamde plezier-mania af welke gewoon een poging van de kant van de mensen is om hierbij vandaan te lopen. Het is onplezierig om een avond te moeten doorbrengen met uzelf en de vraag te stellen: “Wat voor soort leven leid ik? Wat zijn de dingen die ik koester in mijn fantasie en in mijn denken?” Toch is dit absoluut essentieel; wij moeten stil blijven staan en onszelf en het leven wat wij leiden onder ogen zien. Wij lijken allemaal opmerkelijk veel op David. Hoe gemakkelijk is het dingen in onszelf te verontschuldigen, ze over te slaan en ze van ons af te zetten! Toch staan we zo gemakkelijk klaar om met felheid dezelfde dingen af te keuren, wanneer we die in iemand anders zien of wanneer een soortgelijk geval ons wordt voorgelegd. Dit maakt deel uit van de menselijke natuur. Dit is waar van ons allen als gevolg van de zondeval en de zonde. We verzinnen van alles om onszelf te ontlopen. Laat mij u op dit punt een eenvoudige vraag stellen: “Hebt u uzelf onder ogen gezien?” Vergeet alle andere mensen. Houd een spiegel omhoog voor uzelf; kijk terug op uw leven; kijk naar de dingen die u hebt gedacht en gedaan en gezegd; kijk naar het soort leven dat u leidt. Bent u ermee tevreden? Keurt u sommige van de dingen die uzelf doet, in de levens van andere mensen goed? Vindt u dat zij een schone lei hebben? De eerste oproep van God aan de mens is om eerlijk te zijn, om te stoppen met argumenteren en zichzelf onder ogen te zien. Laat hem zichzelf onderzoeken. En ja, laat me nog wat verdergaan, laten we stoppen met te discussiëren over godsdienst en theologie en laten we voor één keer gewoon naar onszelf kijken, eerlijk en onomwonden. Dat is de eerste stap. “Ik erken mijn overtredingen en mijn zonde staat mij voor ogen.” Hebt u het onder ogen gezien, hebt u uzelf werkelijk onderzocht en werkelijk in uw eigen hart gekeken? Er is geen hoop voor een mens die dat niet doet en de waarheid over de moderne wereld is dat mensen juist hier voor weglopen. Zij verdringen zich in bioscopen, lezen romans – alles om hun leven op te vullen en hen ervoor te behoeden na te denken. Ik denk dat u moet vechten voor uw leven en u moet vechten voor uw ziel. De wereld zal alles doen om te voorkomen dat u uzelf onder ogen ziet. Mijn geliefde vriend, laat mij een beroep op u doen. Kijk naar uzelf. Vergeet alles en iedereen. Het is de eerste stap in de kennis van God en in de ervaring van Zijn glorievolle redding.
Maar laat mij snel naar het tweede onderwerp gaan. De tweede stap is een erkenning van het precieze karakter of de aard van wat we hebben gedaan. Dat is hier in drie woorden perfect weergegeven. Het eerste woord is ‘overtredingen’, het tweede is ‘ongerechtigheid’ en ‘zonde’ is het derde. Nu, laat mij iets over deze drie woorden zeggen.
Wat betekent ‘overtreding’? Het betekent opstand, het betekent het zich verheffen van de wil tegen gezag, en vooral tegen een persoon met gezag. Dat is de betekenis van overtreding. “Delg mijn overtredingen uit.” Met andere woorden, David geeft toe dat hij overtreden heeft; hij geeft toe dat hij in opstand is gekomen. Hij kwam in opstand tegen gezag, tegen iemand. Zijn eigen wil stond op in hem en hij heeft zich laten gelden. Hij is geregeerd door verlangen en heeft zichzelf toegestaan om geleid te worden door lusten. Een overtreding betekent een verlangen om onze eigen gang te gaan, een verlangen om te doen wat wij willen doen, waar wij van houden om te doen. Het houdt een bewuste keuze in, het houdt een daad van actief verzet in. Het betekent altijd dat wij iets doen waarvan ons eigen geweten zegt dat het verkeerd is. Het is een eigenzinnige, bewuste daad van ongehoorzaamheid, een schending van gezag – dat is de betekenis van overtreding. Ieder mens die tot berouw komt, realiseert zich dat hij daar schuldig aan is. Hij is bereid om toe te geven: “Ja ik deed het, hoewel ik wist dat het verkeerd was! Ik kende de stem binnen in mij, mijn geweten, dat ‘nee’ zei, maar ik deed het. Ik was een rebel, ik deed het bewust!”
‘Ongerechtigheid’, wat betekent dat? Wel, ongerechtigheid betekent dat een daad achterbaks is of dat het verdorven is. Het betekent verdorvenheid en dit is bij David duidelijk het geval. “Was mij grondig van mijn ongerechtigheid! – het smerige, dat lafhartige. Wat zat er in mij dat mij dit deed doen? Die verdraaiing, de verdorvenheid! Hoe verdorven moet ik zijn geweest om dat te doen?” U herinnert zich wat David had gedaan. Ik hoef niet te blijven stilstaan om dat achterbakse te benadrukken en zijn perverse toestand en de verdorvenheid van dit alles. En in dit opzicht, hoe waar is dit van elke daad waaraan wij schuldig zijn. U en ik zijn misschien niet schuldig aan moord, dank God! We zijn niet schuldig aan een paar van de andere dingen, waar David schuldig aan was. Maar ik vraag u, als u zichzelf onderzoekt, ziet u niet dat zoveel dingen die u doet achterbaks en verdorven zijn? Ziet u niet dat zoveel daden in het leven vals zijn? Jaloersheid en naijver en boosaardigheid, hoe vreselijk is die verdorvenheid! Het verlangen dat iemand iets kwaads mag overkomen; er een hekel aan hebben dat iemand anders geprezen wordt – slechte gedachten, vals, verdorven, lelijk, smerig – ‘ongerechtigheid’! En wij zijn allen schuldig aan ongerechtigheid. Is er iemand die graag zou willen loochenen dat er zo’n bedrog in hem zit en dat zoveel van zijn daden deze vreselijke achterbaksheid en verdorvenheid in zich hebben?
En dan met betrekking tot het laatste woord, ‘zonde’. Wat betekent zonde? Zonde betekent het doel missen en dat is een heel goede manier om het weer te geven. De gedachte die het overdraagt is dit – dat wij niet leven zoals wij behoren te leven. Daar staat een man die mikt op een doelwit, daar is zijn doel. Hij schiet, maar hij mist die. Hij heeft het doel gemist. Het betekent dat wij niet zijn wat wij behoren te zijn, dat wij ‘van het rechte pad’ zijn. Dat is wat zonde altijd betekent. Het geeft aan dat een mens een leven leidt, dat niet de bedoeling is. Het laat zien dat hij niet het pad bewandelt, dat God voor hem heeft uitgezet. Hij maakt geen recht spoor. Hij is niet stabiel. Het ene moment gaat hij vooruit, dan weer achteruit. Er zit een gebrek aan rechtlijnigheid in.
Ik hoef deze punten niet te benadrukken. Ik weet dat iedereen in deze samenkomst moet erkennen dat hij of zij schuldig is aan deze drie dingen – overtreding (of opstand), ongerechtigheid (of verdorvenheid, achterbaksheid, verdorven daden), en zonde (d.i. het doel missen, er niet komen, niet zijn wat we behoren te zijn, wat wij bedoeld zijn te zijn, hier en daar en overal heengaan in plaats waar wij behoren te gaan – rechtdoor). De tweede stap in de overtuiging van zonde en de bekentenis van zonde is dat de mens erkent dat dit het karakter is van zijn leven en daden.
Dan stap nummer drie, dat is, dat de mens zich realiseert en belijdt dat dit alles wordt gedaan tegen God en voor Gods aangezicht. “Tegen U, U alleen heb ik gezondigd, en kwaad gedaan wat kwaad is in Uw ogen.” “Zeker”, zegt iemand, “dat moet toch verkeerd zijn? David behoorde gezegd te hebben: ‘Tegen Bathseba, tegen Uria, tegen de mannen die werden gedood in die strijd, tegen Israël en mijn volk heb ik gezondigd.’ Maar hij zegt: ‘Tegen U, U alleen . . . .’” Ach, hij heeft helemaal gelijk! Hij loochent het niet, dat hij gezondigd heeft tegen anderen, maar hij gaat hier een stap verder. Hij realiseert zich dat zijn daden niet alleen maar heel gewoon op zichzelf staan. Hij ziet dat zij niet slechts andere mensen raken en beïnvloeden, maar dat de echte essentie is, dat hij gezondigd heeft tegen God. Nu is dat het essentiële verschil tussen wroeging en berouw. Een mens die wroeging ondergaat, is iemand die zich realiseert dat hij verkeerd gedaan heeft, maar hij heeft nog geen berouw, totdat hij zich realiseert dat hij gezondigd heeft tegen God.
Waarom moet hij dat ervaren? Laat mij proberen de vraag op de volgende manier te beantwoorden. Zonde, ziet u, betekent een schending van wat God heeft gemaakt en van hoe God de mens bedoeld heeft te zijn. Laat me het voorlopig op deze manier formuleren. Wanneer een mens zondigt, dan doet hij niet alleen zelf bepaalde dingen die hij niet behoorde te doen; hij zondigt tegen de menselijke natuur, hij laat die in de steek. Hij zondigt daarom tegen de menselijkheid en vanwege dat zondigt hij tegen God, Die de mens heeft gemaakt. God heeft de mens volmaakt gemaakt en God had de bedoeling, dat de mens dat volmaakte leven zou leiden. Hij gaf hem de mogelijkheid dat te doen en wanneer een mens zondigt dan stelt hij God teleur. “Tegen U, U alleen heb ik gezondigd.” Ik heb Gods bedoeling met de mens geweld aangedaan. Ik ben Gods schepping aan het verdraaien en verderven. Elke keer als ik zondig, schend ik Gods heilige wet. De Tien Geboden, de morele wet en het gemeenschappelijke idee van fatsoen in de menselijke natuur – dit alles vindt zijn oorsprong in God. Daarvan zijn we ons allen bewust en elke keer als ik schuldig ben aan overtreding, of ongerechtigheid of zonde, dan schend ik de heilige wet van God en het plan dat is vastgelegd voor het leven van de mens. Inderdaad, zoals ik u daaraan herinnerd heb, doe ik ook mijn geweten in mij geweld aan. Het geweten is in mij geplaatst door God. Ik ben er niet verantwoordelijk voor. Hoe vaak hebben wij gewenst dat wij geen geweten hadden! Maar het is er. U kent die innerlijke stem die spreekt en u vertelt iets niet te doen. Als u het wel doet, houdt u zich niet aan de heerschappij van God. Het is ook zonde tegen God, omdat het betekent dat wij al deze dingen doen ondanks Zijn goedheid jegens ons. Ik denk dat dat de zaak was die het hart van David meer brak dan iets anders. God was zo goed voor hem geweest. Hij was slechts een herdersjongen en God had hem tot koning van dit grote koninkrijk gemaakt en hem zulke overvloedige zegeningen geschonken. Toch belijdt David: “Ik heb deze lafhartige zaak gedaan.” Hij zegt: “Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd.”
God gaf u de gave van het leven. U hebt uzelf niet in deze wereld gebracht en u bent een unieke persoon. Hij heeft Zijn zegeningen op u doen regenen. Hij heeft u in een gezin geplaatst, u omringd met liefde. Hij heeft u voedsel en onderdak gezonden. Hij had dat allemaal kunnen terughouden. Denk aan de goedheid die God u op verschillende manieren heeft verleend! Toch tarten wij Hem! Wij zondigen tegen Hem en tegen Zijn verbazingwekkende goedheid, vriendelijkheid en liefde met betrekking tot ons!

Wat is de volgende stap? De volgende stap is dat de mens ontdekt dat hij absoluut geen verontschuldiging of pleitgrond heeft. “Tegen U, U alleen heb ik gezondigd, en gedaan wat kwaad is in Uw ogen: opdat Gij rechtvaardig blijkt in Uw uitspraak, zuiver in Uw gericht.” Met andere woorden, David zegt tot God: “Ik heb geen enkele verontschuldiging. Ik heb geen pleitgrond. Er is niets ten gunste van mij te zeggen. Er is geen reden voor wat ik heb gedaan. De hele zaak was het resultaat van pure eigenzinnigheid. Ik ben helemaal verkeerd geweest. Ik heb niets om op te pleiten ter verzachting.” Ik wil dit benadrukken. Ik zeg dat dit een absoluut wezenlijk deel van berouw en van overtuiging van zonde is. Daarom pleit ik bij u om uzelf te onderzoeken en uw daden te onderzoeken. Kunt u alles rechtvaardigen wat u hebt gedaan? Kunt u werkelijk een pleitgrond van verzachtende omstandigheden naar voren brengen? Laat mij de plek van Nathan, de profeet, innemen. Hoe zou het zijn als ik op deze preekstoel stond en uw leven voor u beschreef in een gelijkenis over iemand anders? Zou u dit zien? We moeten onszelf in dit opzicht onderzoeken. Laat mij het botweg stellen door het u op deze manier te zeggen. Zolang als u in de positie bent om te proberen uzelf te rechtvaardigen, hebt u geen berouw. Zolang als u vasthoudt aan een poging, welke dan ook, tot zelfrechtvaardiging en eigengerechtigheid, dan zeg ik dat u geen berouw hebt. Zeker, de mens die berouw heeft is de mens die net als David zegt: “Er is geen enkele verontschuldiging. Ik zie het helder. Ik heb geen rechtvaardiging. De dingen die ik in mijn leven zie – ik haat ze, ik hoefde ze helemaal niet te doen, ik deed ze moedwillig, ik wist dat het verkeerd was, ik geef het toe! Ik beken het eerlijk, –  “opdat Gij rechtvaardig blijkt in Uw uitspraak, zuiver in Uw gericht.” Denkt u dat God u nogal hard aanpakt, wanneer Hij u veroordeelt? Vindt u dat God oneerlijk zou handelen met u als u ooit in de hel terecht kwam? Als u dat vindt, dan hebt u geen berouw. Ik zou willen benadrukken dat de test van berouw dit is, dat een mens nadat hij naar zichzelf heeft gekeken en naar zijn eigen hart en leven, tegen zichzelf zegt: “Ik verdien niets anders dan de hel en als God mij daarheen stuurt, heb ik geen enkele klacht in te dienen. Ik verdien niet beter!” Dat is een wezenlijk deel van berouw en zonder berouw is er geen redding. De mens, zeg ik, die overtuiging van zonde heeft, is de mens die tot deze stappen komt. Dat brengt mij bij het laatste punt.

De laatste stap is dat hij beseft en erkent dat met name zijn aard wezenlijk slecht is. “Zie, in ongerechtigheid ben ik geboren, in zonde heeft mijn moeder mij ontvangen.” Ziet u de stappen? De eerste zaak is, dat hij blijft stilstaan en de feiten onder ogen ziet; hij kijkt naar zichzelf. Dan, bij de tweede stap, erkent hij de daden waaraan hij schuldig is en hij geeft toe dat zij in drie opzichten verkeerd zijn. En dan zegt hij: “Ja, maar dit heeft betrekking op God en ik heb tegen God gezondigd.” De volgende stap komt wanneer hij erkent: “Ik ben zonder één enkele pleitgrond en verontschuldiging.” Maar dan vraag hij zichzelf af: “Wat maakte dat ik dit deed? Wat bracht mij hiertoe? Wat zit er in mij dat mij in staat stelt al deze dingen te doen, jaloersheid, na-ijver, haat, boosaardigheid, gierigheid, verlangens, begeerte, hartstocht?” Dan gaat hij het tenslotte inzien en verklaart: “Mijn aard moet wel verdorven zijn, mijn hart moet wel slecht zijn! Het is niet de wereld buiten mij, het is iets in mij wat verrot is!” Met andere woorden, de laatste stap in deze overtuiging van zonde is dat een mens verder gaat dan het zich realiseren van zijn zonden en tot het besef komt van wat zonde inhoudt en hoe waardeloos hij is.
Deze laatste stap is de stap die Paulus beschrijft in het zevende hoofdstuk van de Brief aan de Romeinen: “Ik weet dat er in mij (dat is, in mijn vlees), geen goeds woont. O ik ellendig mens, wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods?” (Vers 18, 24). Dat betekent dat hij verklaart: “Van binnen ben ik verrot, ik ben smerig, mijn hart is zwart. Het is niet alleen maar dat ik de dingen doe die ik niet behoor te doen, ik ben het zelf. Het is zo, omdat ik een verlangen heb om deze dingen te doen. Waarom? Omdat er in mij iets is dat reageert op de aantrekkingskracht van het kwaad. Dat is wat mij zorgen baart. Het is dat ik ertoe in staat ben en dat ik ervan geniet. Het is mijn hart, het is niet de wereld.” Zoals Shakespeare het zei:

de fout, geliefde Brutus, zit niet in ons gesternte,
maar in onszelf, omdat wij handlangers zijn.

“Zie, in ongerechtigheid werd ik geschapen en in zonde heeft mijn moeder mij ontvangen.” Vanaf het ogenblik van mijn geboorte in deze wereld is er een neiging in mij tot het kwaad; er is iets achterbaks en verdorven. Het zit in mij; het is een deel van mijn wezen en natuur.
Dit dan zijn de stappen wat betreft de overtuiging van zonde en de belijdenis van zonde.

Als u de waarheid ziet van wat ik probeer te zeggen, zou u het dan niet willen uitroepen met David: “Wees mij genadig, o God?” Dat is het juiste, het enige om te doen, mijn vriend. Als u uzelf ziet als iemand die gezondigd heeft, dan vraag ik u dringend, vlucht tot God, werp uzelf op Zijn genade. U zult het niet tevergeefs doen. U zult merken dat Hij voor u in alles heeft voorzien. Hij stuurde de Zoon van Zijn liefde in deze wereld juist voor u, om te sterven voor uw zonde op de heuvel Golgotha. Uw zonde is bestraft, Hij heeft die daar uitgedelgd. Hij zal u wassen en witter maken dan sneeuw; Hij zal u alles geven wat u nodig hebt. Haast u tot Hem. Als u de nood hebt gezien dan zult u dat doen. De mens die het ziet, zoals David het zag, roept onmiddellijk uit: “Wees mij genadig, o God . . . was mij.” Doe hetzelfde en uw gebed zal op een glorievolle wijze worden beantwoord en u zult de vreugde van Gods grote redding kennen.

Hoofdstuk 2

DE HULPELOOSHEID VAN DE ZONDAAR

Psalm 51: 3,4.

Wees mij genadig, o God, naar uw goedertierenheid,
delg mijn overtredingen uit naar uw grote barmhartigheid;
Was mij geheel van mijn ongerechtigheid,
reinig mij van mijn zonde.

We zullen onszelf niet alleen maar beperken tot deze twee verzen, omdat, zoals u zult merken, de gevoelens nogmaals herhaald worden. “Ontzondig mij met hysop, dan ben ik rein; was mij, dan ben ik witter dan sneeuw . . .  Verberg Uw aangezicht voor mijn zonden, delg al mijn ongerechtigheden uit.” (vers 9 en 11).

Laat mij, terwijl we verder gaan met onze bestudering van deze psalm, u eraan herinneren, dat mijn hoofdreden hiervoor is, dat hierin de voornaamste stappen en stadia staan wat betreft de hele vraag van de redding en onze verhouding tot God. Dat is de belangrijkste en meest essentiële vraag ter wereld – onze verhouding tot God. Het is de belangrijkste vraag, omdat het onmiskenbaar een vraag is die onvermijdelijk is. Er zijn veel dingen in dit leven onzeker, maar één ding is absoluut zeker en dat is dat wij eruit weg zullen moeten gaan. En wat gebeurt er dan? “Wel, ik geloof niet dat er iets na de dood komt”, zegt iemand, maar kunt u dat bewijzen? Bent u bereid dat te riskeren? Kunt u niet inzien, dat u zich aan uw geloof vasthoudt zonder enige toetsing of bewijs? Het vaste feit is er, dat we uit deze wereld weggaan. Wij zullen allemaal noodzakelijkerwijs moeten sterven, en dan, – ‘ja, daar schuurt het’, zoals Shakespeare het zei:

. . . . de angst voor iets na de dood,
Het niet ontdekte land, van welks grenzen
geen reiziger terugkeert

dat is het, wat ‘van ons allen lafaards’ maakt. En daarom is voor ons het belangrijkste in het leven dat we weten hoe we God kunnen ontmoeten. Gelukkig wordt dat in deze psalm grondig behandeld. Het vertelt ons dat er erg duidelijke stappen en stadia zijn; bepaalde dingen zijn altijd aanwezig in deze zaak van de redding en het komen tot God.
Laat mij u er nogmaals aan herinneren dat deze 51ste psalm, geschreven door David, de koning van Israël, in werkelijkheid de psalm is van iemand, die afgegleden is, de psalm van een man, die wist dat hij een vreselijke misdaad had begaan. Hij was schuldig aan overspel, moord, bedrog en veel andere dingen en hoewel hij deze dingen had gedaan, was hij een tijdlang volmaakt gelukkig geweest en leek hij te genieten van de vrucht van al zijn kwade, boosaardige en gemene daden. Maar God stuurde de profeet Nathan naar hem toe en Nathan legde hem een gelijkenis voor, waarin hij in werkelijkheid David vertelde wat hij had gedaan. David zag plotseling de waarheid en zag de zonde, waaraan hij schuldig was. Het gevolg was, dat hij deze 51ste psalm schreef. Ik zeg dat het in wezen de psalm is van iemand die is afgegleden, maar wat David ons hier laat zien over de zonde, is altijd waar, of het nu in een zondaar is of in iemand die afgleed, of in iemand die in Christus gelooft, of in iemand die dat niet doet. Zonde heeft altijd dezelfde vreselijke kenmerken. Zo krijgen we in deze psalm werkelijk één van de meest volkomen en klassieke verslagen van zonde en hoe een mens zijn zonde kan kwijtraken. Algemeen wordt het de grote psalm van berouw genoemd. En dat is het; het vertelt ons al het wezenlijke van berouw.
Nu herinner ik u aan dit alles, omdat ik heel graag het punt wil benadrukken dat er zeer beslist een algemeen patroon zit in deze ervaring van redding. Ik breng het op deze manier om zo bepaalde mensen te helpen, die misschien ongelukkig zijn met betrekking tot deze hele vraag van de redding. Er zijn zulke mensen; zij zijn er zich volledig van bewust, dat er iets verkeerd zit in hun leven. Zij komen andere mensen tegen, die ooit net zo waren als zij, maar die een wonderlijke blijdschap en bevrijding gevonden lijken te hebben en die over redding praten. Deze verontruste mensen zeggen: “Ik wil daarover iets aan de weet komen. Ik wou, dat ik het had; ik wou dat ik de ervaring van deze andere mensen had. Hoe kun je die krijgen?” Nu is mijn antwoord dat er bepaalde dingen zijn, die altijd aanwezig zijn in de typische en karakteristieke ervaring van de Christen. Neem bijvoorbeeld de Bijbel zelf: er is een gemeenschappelijk patroon in al de gevallen, welke in de Bijbel worden beschreven. Er zijn bepaalde dingen, die er altijd in te vinden zijn en dat zijn de dingen, waarin wij geïnteresseerd zijn. Of als u de biografieën van Christenen pakt, of de levens van geheiligde mensen leest, dan kan het niet anders of u ontdekt dit gemeenschappelijke patroon. Bepaalde dingen zijn altijd aanwezig en als we ons daarom niet bewust zijn van deze dingen in onszelf, zijn we gewoon geen Christen. Of neem ons gezangboek: verschillende mensen schreven de gezangen, maar zij zeggen allen hetzelfde. Daar is dit gemeenschappelijke element, dit gemeenschappelijke patroon. De ervaring van de Christen is iets heel duidelijks, het is heel concreet; daarom kan een mens werkelijk zichzelf testen en ontdekken of hij Christen is of niet. Het Nieuwe Testament spoort hem aan dat te doen en het vraagt van hem iets dat gedaan kan worden. Er hoeft geen onzekerheid in uw denken te zijn; het kan heel gemakkelijk ontdekt worden. Laten we nooit aan de positie van de Christen denken als aan iets vaags, iets onduidelijks, iets neveligs daarboven in de lucht. Nee, de positie van de Christen is heel duidelijk; het is één van de meest concrete dingen in het leven. Daarom kunnen we criteria toepassen.
Okay, er is dus een gemeenschappelijk patroon en natuurlijk is dat niet verrassend, want dit werk is het werk van de Heilige Geest. Geen mens kan Christen worden zonder het werk van de Heilige Geest in zijn ziel en het is niet verrassend dat Hij de neiging heeft in alle gevallen hetzelfde te doen. Hij laat bepaalde kenmerken achter en die zijn erg duidelijk. En toch, na dit gezegd te hebben moeten we tezelfdertijd voorzichtig zijn, dat we de ervaring van de Christen niet op een verkeerde manier standaardiseren en in elke situatie vasthouden aan bepaalde bijzondere details. Ik zeg dit bij wijze van waarschuwing, omdat ik mensen ben tegengekomen, die in moeilijkheden zaten rondom deze zaak, omdat iemand geprobeerd heeft de ervaring van de Christen tot in detail te standaardiseren, evenals de grote uitgangspunten.
Laat mij u een voorbeeld geven van wat ik bedoel. Iedereen die ooit Overvloedige Genade van John Bunyan heeft gelezen, zal weten dat John Bunyan ons in dat boek vertelt, dat hij een zielenstrijd van berouw doormaakte, die achttien lange maanden duurde en gedurende die achttien maanden leidde hij een leven dat niets anders was dan pure worsteling. Er waren tijden dat hij zich zo ellendig en zo ongelukkig voelde, dat bij een bepaalde gelegenheid, toen hij een paar ganzen op een akker zag, hij wenste dat hij zoiets zou zijn als die ganzen, zodat hij deze worsteling van berouw niet hoefde te ervaren. Op een andere dag vertelt hij ons, dat hij zichzelf als het ware zag bengelen boven de open muil van de hel en dat hij de zwavel in de lucht kon ruiken. Nu heb ik mensen ontmoet die zo ongeveer het volgende tegen me zeiden: “Weet u, mijn grootste wens in dit leven is Christen te worden; ik probeer het al jaren.” Als ik vraag: “Wat zit er in de weg?”, dan zeggen zij: “Ik heb nooit berouw gehad.” “Op grond waarvan vertelt u me dat?”, vraag ik. “Ik heb me nooit zo gevoeld als John Bunyan en ik heb nooit gewenst dat ik een dier zou zijn, dat niet de eigenschappen van de menselijke natuur bezit. Ik heb mijzelf nooit voelen of zien hangen boven de open muil van de hel. Ik heb nooit het zwavel in de lucht geroken.” En omdat zij niet deze bijzondere ervaringen hebben gehad die John Bunyan wel had, vinden zij dat zij niet tot berouw gekomen zijn.
Ooit kende ik een man, die zelf Christen was en die uiting gaf aan een grote bezorgdheid over de geestelijke toestand van zijn zoon. Hij was voor zichzelf er helemaal van overtuigd dat zijn zoon geen Christen was en toen ik hem vroeg waarom, zei hij dat zijn zoon nooit ‘de ervaring van de Damascus weg’ had gehad. Iets dergelijks had hij zelf gehad; zijn bekering was nogal plotseling gekomen en omdat zijn zoon niet een of andere plotselinge ervaring had gehad, zei hij dat zijn zoon niet bekeerd was. Dat bedoel ik wanneer ik zeg dat we ervoor op onze hoede moeten zijn dat we deze gemeenschappelijke ervaring op het punt van bijzondere details niet gaan standaardiseren. Er zijn vandaag veel heiligen in de hemel, die nooit de bijzondere gevoelens hebben gehad, welke John Bunyan had, maar zij kwamen tot berouw, even zeker als John Bunyan tot berouw kwam.
Wel, laten we hierin heel erg voorzichtig zijn. Of laat mij het zo zeggen: we moeten erg op onze hoede zijn dat we er niet op staan dat de diverse stappen en stadia, die in deze psalm beschreven worden, in een bepaalde chronologische volgorde plaatsvinden. Er zijn sommige mensen, die er altijd op uit zijn alles te standaardiseren en ik ben hier niet om daar een pleidooi voor te voeren. Wat ik zeg is dat in elk geval van bekering, in elk geval van berouw, er bepaalde gemeenschappelijke elementen zijn. Er is een gemeenschappelijk patroon, maar in sommige gevallen komt het ene eerst en volgt het andere, in andere gevallen komt het tweede eerst en volgt het eerste. Ik zeg niet dat het op een gestandaardiseerde manier moet gebeuren, maar ik zeg wel dat bij het ontbreken van bepaalde dingen we nooit tot berouw gekomen zijn en zonder berouw zijn wij geen Christen.
Een andere manier waarop we hier naar kunnen kijken is deze. Er zijn bepaalde mensen die deze hele vraag schijnen te vermijden om deze reden. Zij zeggen: “U weet dat de 51ste psalm, zoals u heel terecht zegt, een grootse psalm is over de kwestie van berouw. Het is niet verrassend dat David zich voelde zoals hij zich voelde met het oog op de dingen die hij had gedaan. Maar weet u, ik voel me echt niet zo betrokken bij uw 51ste  psalm, omdat, God zij gedankt, ik nooit overspel heb gepleegd; ik heb nooit een moord begaan. Het is allemaal prima voor een mens, die zoiets gedaan heeft, maar verwacht u van mij dezelfde dingen te ervaren, die David ervaarde? Als ik schuldig was geweest aan grote zonde, zou ik me zo voelen. Maar verwacht u van mij dat ik me net zo voel als David?” Velen nemen deze positie in en het eenvoudige antwoord aan zulke mensen is dat berouw helemaal niet afhankelijk is van het type of het soort zonde, dat u hebt bedreven.
Dit is wat David over zichzelf zegt als zondaar, maar laat mij u wijzen op een ander soort man. Neem een man, wiens gezangen we fijn vinden om te zingen, Charles Wesley. Nu, Charles Wesley bedreef nooit overspel of beging nooit een moord; hij was nooit schuldig aan de dingen, waar David schuldig aan was op dit punt in zijn leven. Charles Wesley was een heel goed man; hij was de zoon van een geestelijke, een bijzonder godvruchtig geestelijke, en hij had een uitzonderlijke moeder, een bijzonder heilige vrouw. Hier is hij, opgevoed in een pastorie en wanneer hij met zijn broer John naar Oxford gaat, vormen zij de ‘Holy Club’, opdat zij een goed leven mogen leiden. Als student in Oxford gingen zij al in gevangenissen prediken; zij gaven hun geld om arme mensen te helpen. Hij leidde altijd een goed leven en deed alles om godvruchtig en vroom te zijn en God te behagen. Toch herinnert u zich wat hij over zichzelf zegt – dingen die even ingrijpend zijn als wat David ons vertelt:

Rechtvaardig en heilig is Uw Naam
Ik ben een en al ongerechtigheid;
Walgelijk en vol zonden ben ik,

zegt deze uitnemende jongeman, hoewel hij niet schuldig is aan de zonden van David. Ik zou nog veel meer voorbeelden kunnen noemen. Neem bijvoorbeeld dat prachtige lied van Augustus Toplady. Hier was nog een man die nooit schuldig was geweest aan de dingen waaraan David schuldig was; hij was altijd een goed man. Maar u herinnert zich wat hij over zichzelf zegt:

Vuil vlucht ik naar de fontein;
was mij Redder, of ik sterf.

O, mijn beste vriend, zo kunt u dit vraagstuk niet uit de weg gaan. De feiten zijn tegen u. Het gevoel van berouw is niet afhankelijk van de speciale aard van de bedreven zonde. De Bijbel bewijst dat, de gezangen bewijzen dat, de Christelijke biografieën bewijzen hetzelfde.
Dan zijn er nog anderen, die moeite met dit punt lijken te hebben. Zij zeggen dat dit zeker allemaal een kwestie van persoonlijkheid is, het bijzondere type of het soort persoonlijkheid van een mens. Zij zeggen dat zij wat psychologie hebben gelezen en ontdekt hebben dat er een soort ‘tweemaal-geboren’ type individu bestaat. Dit tweemaal-geboren type is volgens de psycholoog de mens die een behoorlijk deel van zijn tijd doorbrengt met het onderzoeken van zichzelf. Dan is er nog een ander type mens, dat het ‘eenmaal-geboren’ type mens wordt genoemd. Hij besteedt zijn tijd niet aan het onderzoeken van zijn eigen ziel. Deze man is een beschaafd, evenwichtiger type, niet introvert en niet overgegeven aan zwartgalligheid zoals het tweemaal geboren type. Nu zeggen ze, dat ze bereid zijn ons toe te geven dat bepaalde mensen van het tweemaal geboren type, zoals David, Saulus van Tarsus, John en Charles Wesley en Augustus Toplady, waarschijnlijk een grote ervaring van berouw lijken nodig te hebben, maar in het geval van het eenmaal-geboren type is er geen behoefte aan het ervaren van zo’n worsteling van berouw, aangezien zij helemaal in orde zijn zoals ze zijn. Aangezien alle mensen verschillend zijn, waarom zouden wij dan allemaal hetzelfde moeten ervaren? Aan de buitenkant is dat een heel plausibele verklaring en bewijsgrond. Maar nogmaals, we hoeven niets anders te doen dan het licht van de feiten op dit argument te laten schijnen. Wat zijn de feiten? De feiten zijn deze. U gaat uw Bijbel door en kijkt naar deze geloofshelden in het Oude en het Nieuwe Testament en niets zal u meer opvallen dan de verbazingwekkende en duidelijke natuurlijke verschillen tussen de diverse genoemde mensen. Ik aarzel niet te beweren dat u in de Bijbel al de psychologische combinaties van temperament, karakter en aanleg en wat u maar meer mag wensen, hebt. Kijk naar de twaalf discipelen. Johannes en Petrus waren heel verschillende mannen. Paulus is weer anders. Dit zijn precies de feiten. De Bijbel zelf weerlegt deze theorie en als u de geschiedenis van de kerk door de eeuwen leest, zult u precies hetzelfde tegenkomen. U zult binnen de Christelijke kerk het levendige en opgewonden type vinden en het flegmatische type, het gevoelige en het bijna verharde type en toch zullen zij allemaal hetzelfde zeggen over deze zaak. Ik beweer dat elk denkbaar type vandaag vertegenwoordigd is in de Christelijke kerk en toch, als we die er uit konden pikken en hun getuigenis horen dan zouden zij allemaal deze verklaring afleggen over het zien van zichzelf als zondaren en het vluchten naar de fontein tot reiniging. Nee, het heeft niets te maken met temperament, helemaal niets. Opnieuw zijn de feiten voldoende om de bewering te weerleggen. Ik vertrouw daarom dat er niemand nog langer in verwarring is met betrekking tot dit bijzondere punt.
Mijn bewering is dat er bepaalde dingen zijn die altijd aanwezig zijn in iedere situatie van bekering en van redding, en ik doe de suggestie dat, als u deze dingen niet ergens in uw leven of ervaring aantreft, u niet het recht hebt de naam Christen te gebruiken met betrekking tot uzelf. Wij hebben reeds een paar dingen bekeken. Dit zijn de eerste dingen, dat de mens die berouw heeft, een mens is die zichzelf onder ogen ziet en naar zichzelf kijkt. Geen mens is ooit Christen geworden zonder te blijven stilstaan en naar zichzelf te kijken. De wereld doet haar best om te voorkomen dat een mens naar zichzelf kijkt; het houdt hem bezig zich hierheen en daarheen te haasten – alles om het kijken naar zichzelf te stoppen. Maar een Christen is een mens, die zichzelf gezien heeft en gezien heeft wat hij heeft gedaan. Hij heeft zijn overtredingen, zijn ongerechtigheid en zijn zonde gezien. Hij realiseert zich de betekenis van zijn daden. Hij realiseert zich dat hij tegen God heeft gezondigd en hij heeft gezien dat zijn werkelijke aard op zich zondig is. Ik zou dat ‘het ontwaken van de zondaar’ willen noemen, zichzelf onder ogen zien en zich de eerste waarheden over zichzelf realiseren. Maar wij blijven daar niet bij stilstaan; wij moeten doorgaan.
Het volgende punt is dit. Geen mens is ooit tot berouw gekomen en Christen geworden zonder dat er een element van zorg en emotie in zijn bewustzijn komt over zijn positie en toestand. Dat is duidelijk in deze psalm: “Wees mij genadig o God.” De mens die deze psalm schreef voelde zich wanhopig. Hij ervaarde een grote zorg over zijn positie en toestand. Hij kon er niet van los komen, het is het belangrijkste probleem in zijn leven en bestaan. David was koning, een heel rijk koning, en hij had een heel rijk koninkrijk, maar toen hij zich deze waarheid over zichzelf realiseerde, konden al zijn rijkdom en macht en positie hem geen voldoening geven. Dit was de zaak waarop het aankwam en hij zei: “Ik moet hierover vrede vinden; ik moet het met God in orde maken.” Het was de grootste zaak in zijn leven geworden. Ik hoef hier niet bij te blijven stilstaan; zeker is het meer of minder duidelijk. Ik vraag u weer uw Bijbel te lezen, de biografieën van de gelovigen te lezen, uw gezangboek te lezen en u zult merken dat ieder mens die ooit tot berouw gekomen is door die bijzondere fase en ervaring is heengegaan. Hij heeft zorg ervaren over zijn ziel en over zijn relatie met God. Ik heb niets aan dit punt toe te voegen, maar gewoon een eenvoudige vraag te stellen. Hebt u zich ooit zorgen gemaakt over uzelf en de toestand van uw ziel? Hebt u daar onrust over, hebt u ooit rusteloosheid daarover gekend, heeft de kwestie van uw ziel u bezorgd of ongerust gemaakt? Ik zeg opnieuw dat, als het dat niet heeft gedaan, het kerklidmaatschap geen nut voor u heeft en uw gebruik van de naam ‘Christen’ totaal misleidend is. Dit is iets onvermijdelijks en onontkoombaars in het geval van allen, die tot berouw komen en Christen worden.
Laten we verder gaan en het in deze vorm zeggen. Ik stel me iemand voor die tot me zegt: “Ik heb nooit die grote zorg ervaren. Ik zie niet in dat ik die zorg hoef te ervaren. Ik ben godsdienstig opgevoed, ik ben naar gebedshuizen geweest, ik heb geprobeerd goed te doen, ik heb geprobeerd de helpende hand te bieden. Er wordt zeker niet van mij verwacht deze grote zorg te kennen, waarover u spreekt.” Wel, mijn antwoord is, dat ik vermoed dat juist het zich zo voelen de grootste zonde van alle is. Laat mij het op deze manier zeggen. Ik vraag u nogmaals naar de gelovigen te kijken. Als deze godvruchtige mensen, deze heilige mannen en vrouwen naar wie ik verwezen heb, zichzelf hebben gezien als zondaren voor Gods aangezicht, waarom bent u dan anders? Ik daag u gewoon uit op dit punt. Ik zeg dat er nooit een geheiligd iemand op het oppervlak van deze aarde is geweest die zichzelf niet heeft gezien als vuile zondaar, zodat, als u niet ervaart dat u een vuile zondaar bent, u anders bent dan de geheiligden. Maar wacht eventjes, laat me nog wat dichterbij komen. Ik zou u willen uitnodigen een ogenblik te overwegen wie God is en wat God is. Ik herinner mij een artikel gelezen te hebben van een man die kritiek had op dat lied van Charles Wesley, waar Charles Wesley zei: “Ik ben een en al ongerechtigheid” en “Vuil en vol zonden ben ik.” De man bekritiseerde het op deze manier: hij zei: “Stel je een man voor die een baan zoekt en die de man benadert, die hem in dienst gaat nemen, en tijdens het sollicitatiegesprek zegt hij tegen hem: ‘Vuil en vol zonden ben ik.’ Hij zou de baan niet krijgen.” En hij dacht dat daarmee de hele zaak aan de kant was geschoven. Maar u ziet wat hij was vergeten. Ik zie zelf geen enkele reden waarom een mens zo zou spreken tot een medemens die, zoals hij weet, net zo is als hijzelf; maar Charles Wesley sprak niet over zichzelf in de tegenwoordigheid van een mens, hij richtte zich tot God. En “God is licht, en in Hem is in het geheel geen duisternis.” (1 Johannes 1:5). Kunt u dat vatten? God is absolute heiligheid. Er is geen vlek, er is geen blaam. Probeer dat te begrijpen. Hij is Degene met Wie wij te maken hebben – God. En wat vraagt God? Wel, ik zal het u zeggen: “Gij zult de Here uw God, liefhebben met geheel uw hart, met geheel uw ziel, met geheel uw kracht en met geheel uw verstand en uw naaste als uzelf” (Lucas 10: 27). Mijn vriend, de vraag is niet of u overspel of moord hebt bedreven. Het is dit: Hebt u God liefgehad en hebt u God lief met heel uw hart, met heel uw ziel, met heel uw verstand en met al uw kracht? Als u dat niet doet, bent u zondaar. God eist dat van U en Hij heeft het recht dat van ons te eisen, want Hij is God en Hij heeft ons gemaakt en Hij heeft ons voor Zichzelf gemaakt. “Het belangrijkste doel van de mens is God te verheerlijken” en God niet verheerlijken is de grootste zonde van alle. Verheerlijken wij God? Danken wij Hem dag aan dag voor Zijn goedheid, genade en barmhartigheid voor ons? Brengen wij lofprijs, eer en roem aan Hem? Is het onze belangrijkste zorg, dat Hij meer en meer verheerlijkt mag worden? Jezus Christus zei dat Zijn grootste doel in het leven was dat de Vader verheerlijkt zou worden. Ieder mens wordt opgeroepen om hetzelfde te doen en dat niet doen is zondig. U herinnert zich hoe Daniël dit alles zei tot een andere koning, Belsazar. Hij zegt: “De God, in Wiens hand uw adem is, Die al uw paden beschikt, Hem hebt gij niet verheerlijkt” (Daniël 5:23). Het wezen van zonde is niet zozeer schuldig zijn aan bijzondere daden. Het is God niet verheerlijken; het is niet voor God leven. God plaatste de mens op aarde, opdat hij dat zou doen, en een weigering of falen om dat te doen is juist het wezen van zonde. Daarom ervaart ieder mens die tot berouw komt altijd deze zorg over zijn ziel en heeft hij een gevoel van wanhoop over zichzelf. Dient u God, hebt u God lief, zoekt u God, probeert u God te verheerlijken? Dat is het eerste.
Het tweede wat ik wil noemen is het verlangen naar vergeving. “Wees mij genadig o God, naar Uw goedertierenheid, delg mijn overtredingen uit naar Uw grote barmhartigheid; was mij geheel van mijn ongerechtigheid, reinig mij van mijn zonde.” Met andere woorden, een mens die tot berouw komt is altijd een mens die zich bewust is van zijn schuld. Hij zegt: “Wanneer ik God onder ogen kom en aan Hem denk en wanneer ik Gods wet en Gods maatstaf in ogenschouw neem, dan ben ik mij bewust van het feit dat ik schuldig ben. Ik heb niet dat soort leven geleid; er zijn dagen geweest, dat ik niet tot God heb gebeden. Ik heb Hem niet gedankt en ik ben Hem helemaal vergeten. Onmiddellijk als ik mijzelf ga onderzoeken, vind ik dingen die ik heb gedaan waarvan ik wist dat ze verkeerd waren; ik ben schuldig aan zonde in gemoed, gedachten en verbeelding. Ik weet het.” Hij is zich bewust van zijn schuld en aangezien hij zich hiervan bewust is, heeft hij het verlangen vergeving te krijgen. Hij weet wat David bedoelde, toen hij zei: “Delg mijn overtredingen uit”. Hij verlangt gereinigd worden, hij heeft het gevoel dat hij onrein is. Hij weet dat hij bevlekt en besmeurd is door het kwaad en de zonde en dat wat verkeerd is. Hij weet dat hij niet rein is, van binnen evenmin als van buiten; hij is bevlekt geworden. Daarom kent hij dit verlangen om gewassen te worden, om gereinigd te worden, ja om gezuiverd te worden van zijn ongerechtigheid.
Het volgende dat een kenmerk is van iedere echt berouwvolle ziel en van ieder persoon die echt Christen is, is een besef, een gevoel van totale hulpeloosheid. U ziet dit naar voren komen in de psalm van David. Hij weet niet wat hij met zichzelf aan moet. Wat is er met hem aan de hand? Hij kan zijn eigen geweten niet geruststellen. Zijn geweten beschuldigde hem en wat hij ook deed, hij kon het niet tot zwijgen brengen; het hield hem altijd zijn zonde voor ogen. Wanneer het geweten wakker wordt, is het een vreselijk iets, en vroeg of laat moet het geweten van ieder mens wakker worden. Sommige mensen hebben een lang leven en het lijkt niet wakker te worden, maar zij zijn er nog niet klaar mee. Er wacht hen nog een sterfbed en soms wordt het dan pas wakker en soms zelfs nog later. Herinnert u zich dat toen de rijke man de bedelaar in de schoot van Abraham zag, zijn geweten daar in de hel wakker werd? Het geweten is een vreselijk iets. David probeert zijn geweten rustig te krijgen, maar hij kan het niet. Hij zou alles willen geven om zijn geweten tot rust te brengen – hij is een rijk man, hij hij heeft kudden schapen en koeien – maar hij kan het niet. Wanneer u terugkijkt op uw leven en bepaalde dingen ziet, zou u die dan niet kwijt willen raken, ze wegwissen en uitdelgen, de vlek verwijderen? Maar dat kan niet. David besefte dat en ieder mens die Christen is geworden, beseft dat. Hij kan ook geen vrede vinden; hij doet alles wat hij kan, maar hij kan geen vrede vinden. Hij kan niet slapen; deze zaak is er, het staat hem altijd voor ogen, hij kan er niet los van komen. Ik zeg niet dat u noodzakelijkerwijs een bijzonder gevoel moet hebben, maar ik zeg wel dat geen mens Christen is, tenzij hij op enig moment dat vreselijke zoeken heeft gekend naar rust en naar kalmte. (. . .) Hebt u deze rusteloosheid gekend, hebt u dit zoeken naar vrede en rust van het geweten, van het verstand en van het hart gekend in een poging het gevoel van schuld kwijt te raken?
David was zich bewust van zijn totale hulpeloosheid. Inderdaad, hij gaat verder, hij weet dat hij er niets aan kan doen. Luister naar hem: “Want Gij hebt geen behagen in slachtoffers, dat ik die brengen zou; aan brandoffers hebt Gij geen welbehagen.” Arme David, hoe goed begrijp ik hem! Zoals ik u herinnerd heb was hij een rijk man en hij zegt, dat als het een kwestie van het brengen van offers was, hij het zou doen. “Ik heb kudden schapen en runderen; ik zou een groot offer kunnen brengen. Maar het ‘vee op duizend heuvels is het Uwe’; ik kan U niets geven. Als het voldoende was, zou ik het doen, maar Gij wenst geen offer.” Ieder mens die echt berouw heeft, weet precies wat dat betekent. Ziet u, u begint te denken, wanneer het geweten wakker wordt en u zegt: “Ik ga een beter leven leiden; ik ga bepaalde dingen opgeven en andere dingen doen.” En u gaat verder en verder, maar u kunt geen vrede, rust en kalmte vinden; u blijft doorgaan, totdat u tenslotte inziet dat het nooit genoeg zal zijn en u realiseert zich uw complete, totale, absolute hulpeloosheid. O mijn vriend, hebt u nog steeds een restje zelfvertrouwen? Vindt u nog steeds dat u van uzelf een Christen kunt maken? Denkt u dat God tevreden zal zijn met het leven dat u nu leidt? Ik vraag opnieuw: Hebt u de Here, uw God, lief met geheel uw ziel, met geheel uw verstand en met al uw kracht en uw naaste als uzelf? Dat is Gods wet; dat is het eerste en het tweede grote gebod. U zult aan de hand daarvan geoordeeld worden. Stop ermee te vertrouwen op uw eigen zelfgerechtigheid, op uw goede werken en op deze moraal van ‘ik geef iedereen het zijne’. U bent totaal hulpeloos. Kom God onder ogen en realiseer u dat u niets kunt doen. U bent totaal hulpeloos. “Gij hebt geen behagen in slachtoffers, anders zou ik die geven.” (KJV).
Maar tenslotte, het meest verbazingwekkende van de mens die tot berouw komt en Christen wordt, is zijn nieuwe houding ten opzichte van God. Dat is hier erg duidelijk in het geval van David. Wat is dit iets opmerkelijks! Ik aarzel niet te stellen, dat dit misschien de meest subtiele en gevoeligste test van alle is, wat betreft ons tot berouw komen, of waar we staan: onze houding ten opzichte van God. Is het u opgevallen in de psalm? Degene tegen Wie David gezondigd heeft, is God en toch is God Degene naar Wie hij boven alles verlangt. Dat is het verschil tussen wroeging en berouw. De mens die geen berouw heeft, maar die alleen wroeging ervaart wanneer hij zich realiseert dat hij iets tegen God heeft misdaan, vermijdt God. U herinnert zich Adam en Eva in het begin; zij zondigden en zij probeerden zich voor God te verbergen. Zij hadden geen berouw op dat tijdstip. De mens die niet door de Geest van God onder handen is genomen en die niet is overtuigd en veroordeeld, probeert bij God vandaan te komen en Hem ten koste van alles te vermijden. Hij denkt niet na, hij leest de Bijbel niet, hij bidt niet, hij doet alles wat hij kan om niet over deze dingen na te denken. Maar het buitengewone van de mens die door de Heilige Geest overtuigd wordt van zonde is dat – hoewel hij weet dat hij tegen God gezondigd heeft – hij juist God nodig heeft: “Wees mij genadig, o God.” Hij wil bij God zijn. Dat is de bijzondere paradox van het berouw – Diegene nodig hebben, tegen Wie ik gezondigd heb! Ik formuleer het daarom op deze manier. De onboetvaardige mens vermijdt God, de berouwvolle mens weet dat niemand anders dan alleen God werkelijk gerust kan stellen. En daarop zeg ik dit over hem, dat, hoewel hij weet dat hij geen aanspraak op God kan maken, hij zich desondanks tot God wendt en tot Hem begint te spreken. Hij gelooft dat God hem kan helpen en hij weet dat niemand anders dat kan – brandoffers, slachtoffers, zij alle zijn onvoldoende. Al het reinigen van de wereld is niet genoeg. “Wat kan ik doen?”, zegt hij. “Hoe kan ik van het vuil afkomen?” Er is slechts Één, Die het kan en dat is God Zelf.
Maar het wonderlijkste van alles – als laatste punt – is dit: de berouwvolle zondaar weet niet alleen dat God de macht heeft om het vuil en de schuld van zijn zonde te verwijderen; hij weet – wonder boven wonder – dat God bereidwillig is het te doen. Luister naar David – “Wees mij genadig, o God.” Wat nog meer? “Wees mij genadig, naar Uw goedertierenheid” – wat een glorievolle woorden! Maar zelfs daar stopt hij niet; hij voegt dit eraan toe – “delg mijn overtredingen uit naar Uw grote barmhartigheid.” Dat is de verklaring van de paradox van de mens die berouw heeft: hij weet dat hij tegen deze heilige God heeft gezondigd en toch weet hij, dat er bij God goedertierenheid is, dat er bij God grote barmhartigheid is en hij werpt zichzelf op deze genade – “Wees mij genadig, o God.” U herinnert zich hoe Christus het zei in Zijn gelijkenis van die arme tollenaar, die naar de tempel ging om te bidden; hij was zich zo bewust van zijn zonde, dat hij zijn ogen niet kon opslaan naar de hemel, maar het uitriep en zei: “God, wees mij zondaar genadig.” (Lucas 18:13)
Hoe wist David dit alles over God? Het antwoord is, natuurlijk, omdat hij het ervaren had. God had hem gezegend; God was goed voor hem geweest; God was vriendelijk voor hem geweest en hier is hij nu met zijn vreselijke zonde tegen God. David zegt: “Ik kan het wagen om naar Hem toe te gaan. Ik ben een leugenaar geweest, ik ben een moordenaar geweest, ik ben de oorzaak geweest van de dood van onschuldige mensen. Geen mens zal mij vergeven, maar hoewel God absoluut heilig is, weet ik dat Hij genadig is. Hij is goedertieren, Hij is rijk aan erbarmen. Ik kan het wagen naar Hem toe te gaan en Hij zal mij niet verwerpen.”
David wist dat, maar, mijn vriend, u en ik weten iets, wat oneindig veel meer is. Is er iemand die zich bewust is van zonde en schuld, maar die geen vrede gevonden heeft? Bent u ernaar op zoek? Ik vraag u, bent u naar God toe gegaan? “Maar als u wist, wat ik heb gedaan, dan zou u mij niet zeggen dat ik naar God toe moest gaan”, zegt iemand. “Ik ben bang voor God.” Mijn vriend, laat mij u dringend vragen om naar God toe te gaan, gewoon zoals u bent. David wist dat Hij genadig is; hij wist dat Hij goedertieren is en rijk aan erbarmen, maar u en ik hebben het voorrecht dat op een oneindig hogere manier te weten. Wat betekenen het brood en de wijn op de Avondmaalstafel? Zij zijn een herinnering, een gedenkteken van het feit dat eens, bijna 2000 jaar geleden, deze God van genade, deze God van goedertierenheid, deze God, Die rijk is aan erbarmen, Zijn eniggeboren Zoon in deze wereld zond. En Hij zond Hem met één doel en dat was, dat Hij de schuld van uw en mijn zonde zou dragen. Hij legde onze zonden op Hem en Hij bestrafte die daar. God heeft uw zonden bestraft in Christus en daar biedt Hij Zijn vrije genade en vergeving aan.

Waag het met Hem, geheel en al,
Laat geen ander vertrouwen binnendringen.

Dit is, zeg ik, het meest verbazingwekkende ter wereld, dat de God tegen Wie wij hebben gezondigd, de God is Die heeft gezorgd voor de weg tot redding. Nogmaals, het is deze verbazingwekkende liefde van God, die je versteld doet staan vanwege haar onmetelijkheid. “Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe” (Johannes 3:16). Dat is het antwoord. Het is ook de maat van de zonde. Ziet u, God moest dat doen; God moest de zonde aanpakken. Zo vreselijk is de zonde. Uw goede werken zijn niet genoeg om die te verzoenen, anders zou Christus nooit gestorven zijn. Waarom ging Christus naar het kruis, waarom stierf Christus?

Er is slechts één antwoord:
Er was niemand anders goed genoeg
om de prijs van de zonde te betalen;
Hij alleen kon ontsluiten de poort
van de hemel en ons binnenlaten.

Maar dank God, Hij heeft het gedaan en daarom:

Zoals ik ben, zonder één pleitgrond,
dan slechts dat Uw bloed werd vergoten voor mij,
en dat U mij nodigt om tot U te komen,
kom ik, o Lam van God.

Maakt u zich zorgen over uw ziel? Beseft u zich de positie waarin u zich bevindt? Maakt u dit onrustig, ziet u het onder ogen? Ik vraag u, wordt het geen tijd dat u dat doet? Daar is God – onontkoombaar. U moet Hem onder ogen komen en de enige manier om dat te doen is in Jezus Christus. Geloof in Hem, geef uzelf over aan Hem en wees voor eeuwig gered.

Hoofdstuk 3

DE CENTRALE NOOD VAN DE ZONDAAR

Psalm 51:12a:

Schep mij een rein hart, o God.

Ik zou u er nog een keer aan willen herinneren, dat ik niet alleen aandacht voor deze psalm vraag omdat het de grote klassieke uiteenzetting is over de hele leer van het berouw, maar omdat het tezelfdertijd ons erg helder en krachtdadig herinnert aan een aantal stappen en stadia, waar iedereen, die echt Christen wordt, onvermijdelijk doorheen moet. Er zijn bepaalde dingen, die essentieel zijn voor de positie van de Christen. Ik verontschuldig mij niet voor deze stelling. Ik denk dat één van de grootste tragedies van vandaag is, dat er bij de meeste mensen een idee van vaagheid is binnengeslopen wat betreft hun opvatting over het begrip Christen. Het is niet moeilijk om in het Nieuwe Testament te ontdekken wat iemand tot Christen maakt. Bepaalde mensen werden Christen genoemd om een heel speciale reden en het was zo’n duidelijk iets, dat het bij tijden gevaarlijk was om Christen te zijn. Er is geen twijfel of vaagheid in het Nieuwe Testament en er zijn andere perioden in de geschiedenis van de kerk geweest, waarin de positie van de Christen volkomen helder en volkomen duidelijk was. Ik zeg dat het één van de belangrijkste tragedies van deze twintigste eeuw is dat er een vage opvatting over wat het Christendom inhoudt en wat iemand tot Christen maakt, binnengekropen is. Hier hoeven we ons niet bezig te houden met de oorzaken daarvan. We weten dat het uiteindelijk terug te voeren is op de loochening van het unieke gezag van dit Boek en op het vervangen van de Goddelijke openbaring door menselijke ideeën.
Hier in deze psalm zijn in een heel duidelijke vorm een aantal van deze essentiële dingen voor ons samengebracht, dingen die altijd een wezenlijk onderdeel vormen van de ervaring van de echte Christen. Ik zeg het nog een keer, dat tenzij we in een bepaalde mate of tot een bepaalde hoogte ons bewust zijn van deze dingen bij onszelf, wij helemaal niet het recht hebben om het etiket ‘Christen’ op onszelf toe te passen. Hier hebben we tegelijkertijd een enigszins schrikbarende onthulling van de nood waarin de zondige mens zich bevindt en de voorziening die voor ons tot stand is gebracht in het evangelie van onze Here en Redder, Jezus Christus. U krijgt dat niet in zijn geheel in deze psalm, maar u krijgt een inleiding op een heel bijzondere wijze. Hier hebben we in beginsel, wat wij in het Nieuwe Testament vollediger hebben. We kijken er op deze manier naar, omdat de natuur van de mens buiten Christus hier zo helder en treffend tot uitdrukking wordt gebracht.
Laat me het punt samenvatten waar we bij onze voorgaande studies van deze psalm zijn gebleven. Er zijn bepaalde stappen voordat iemand ooit Christen wordt en de eerste is, dat een mens moet gaan stilstaan en nadenken. Ik zeg dat het onmogelijk is om Christen te worden zonder na te denken. Nu weet ik dat er veel mensen, die denken dat iemand Christen is omdat hij niet denkt en dat degenen die buiten Christus zijn het monopolierecht op het denken hebben. Toch staat er duidelijk in de Bijbel dat een mens er zelfs nog niet aan begint Christen te worden, totdat hij denkt. Waar denkt hij over? Hij denkt na over zichzelf. David had een vreselijke zonde gedaan, een vreselijke zonde. Hij was schuldig aan moord, hij was schuldig aan overspel en toch ging hij door alsof hij helemaal niets had gedaan. Hij moest tot stilstand worden gebracht door de profeet Nathan, die hem liet zien wat hij gedaan had en maakte dat hij zichzelf onder ogen kwam. Toen realiseerde hij zich wat hij precies had gedaan. Dat is altijd de eerste stap. Als u iemand bent die nog niet is gaan zitten om naar uzelf te kijken, dan kan ik u zeggen dat u, wat er verder ook waar van u moge zijn, geen Christen bent. Het is onmogelijk Christen te worden zonder uzelf in ogenschouw te nemen en naar uw eigen leven te kijken. De wereld doet haar best om te voorkomen dat wij dat doen. Met haar georganiseerde pleziertjes en al haar suggestieve attracties doet zij alles wat zij kan om te voorkomen dat mensen er voor gaan zitten, gaan nadenken en zichzelf en hun leven onder ogen zien. Maar de mens die Christen is, is door dat alles heen gegaan. Hij is stil blijven staan en heeft gekeken, hij heeft onderzocht, hij heeft bepaalde dingen over zichzelf erkend, hij heeft een bepaalde belijdenis afgelegd. U zult dat vinden in het eerste vers van de psalm.
Dan is de tweede stap, dat de mens die Christen wordt een mens is die zijn eigen totale hulpeloosheid is gaan beseffen. Hij is zich zijn behoefte aan genade, zijn behoefte aan vergeving gaan realiseren. Hij is de mens die heeft gezegd: “Wees mij genadig, o God, naar Uw goedertierenheid; delg mijn overtredingen uit naar uw grote barmhartigheid.” Hij is de mens die is gaan inzien, dat hij het gevoel van schuld zelf niet kwijt kan raken; hij kan geen vrede en rust vinden voor zijn hart en gemoed als resultaat van iets dat hij doet. In wanhoop wendt hij zich tot God, de God, tegen Wie hij heeft gezondigd, en hij zegt bij zichzelf: “Mijn enige hoop is in God. De Enige Die mij vrede kan geven is Diegene, tegen Wie ik het meest gezondigd heb.” En zo werpt hij zich geheel op de liefde, de barmhartigheid en de genade van die Ene.
Het punt waar we zijn aangeland is dat de mens die niet beseft dat hij vergeving nodig heeft, geen Christen is. U kunt hem een moreel mens noemen, als u dat wilt; noem hem een ethisch persoon, noem hem wat u maar wilt. Ik ontken niet dat hij dat alles kan zijn, maar ik zeg dat een mens letterlijk geen Christen kan zijn, tenzij hij zich realiseert dat hij zondaar is en dat hij vergeving, genade en barmhartigheid van God nodig heeft en daar om roept. Het is een van die essentiële zaken zonder welke iemand geen enkel recht heeft op de grote en verheven naam van Christen.
Maar u hebt opgemerkt dat David daar niet stopte. Hij ging verder dan dat. En ik wil benadrukken dat ieder echt Christen steevast en onvermijdelijk altijd voorbij dat punt moet gaan. Het eerste waar een mens zich van bewust wordt, is dat hij vergeving nodig heeft. Ik weet zeker dat we allemaal wel iets afweten van een beschuldigend, kwellend geweten, – het gevoel dat we verkeerd hebben gedaan en dat we dat gevoel van schuld en ellende kwijt willen raken. We willen rust en vrede ervaren. Dat is het eerste wat een overtuigde zondaar altijd voelt. De mens die is blijven stilstaan, naar zichzelf heeft gekeken en gezien heeft wat hij heeft gedaan, is iemand die ongelukkig is en die uit die toestand van ellende weg wil. Maar de echte Christen stopt daar niet. De volgende stap is het zien en haten van dat vreselijke in ons, dat ons steeds maar door in staat stelt om te zondigen.
U ziet deze stappen in het geval van koning David. In het begin is hij gedachteloos. Dan komt hij tot stilstand; hij ziet zijn overtreding, ongerechtigheid en zonde. Dan het schuldgevoel en het verlangen dit kwijt te raken, dan de roep: “Wees mij genadig, o God.” Maar daar stopte hij niet. Hij ging verder en zei: “Het vreselijke is dit, dat ik ooit in staat was tot dat overspel en die moord.” Nu, dat is de kern van de toestand van een Christen. De Christen stopt nooit bij alleen maar het verlangen om vergeving te krijgen; hij beschuldigt zichzelf en onderzoekt zichzelf in zo’n mate, dat hij ongerust wordt en zich meer zorgen maakt over datgene in hem dat hem in staat stelt tot zo’n daad dan de daad zelf. Voor hem is vergeving niet langer de grote vraag; het is de zaak binnen in hem, die hem ooit in de positie bracht dat hij vergeving nodig had. Ik ga ervan uit dat ik dit duidelijk en helder zeg. Ik ben bang dat het een erg oppervlakkig evangelie is, dat lijkt te stoppen bij de vergeving, alsof dat het enige probleem is. Nee, nee, er is iets dat veel vreselijker is dan de behoefte aan vergeving; het is dat er iets in mij zit, dat mij in zo’n toestand brengt dat ik vergeving nodig heb. Die positie neemt David in en dat is hetgeen hij zo doordringend in dit tiende vers tot uitdrukking brengt: “Schep in mij een rein hart, o God.” “Dat is mijn werkelijke moeilijkheid,” lijkt hij te zeggen, “het is mijn hart, dat verkeerd is.” Dit is iets, wat altijd aanwezig is in ieder echt Christen. Hij realiseert zich dat hij een nieuwe natuur nodig heeft; hij realiseert zich dat hij een hergeboorte – een wedergeboorte nodig heeft. De echte Christen is iemand die beseft dat het niet voldoende is om vergeving te krijgen en om te besluiten een beter leven te leiden; hij gaat inzien dat hij opnieuw gemaakt moet worden, dat hij totaal verloren is als God niet iets doet in het diepste van zijn wezen. Hij realiseert zich dat hij nog een keer geboren moet worden en opnieuw geschapen moet worden.
Nu, dat is het onderwerp waarvoor ik uw aandacht vraag in deze derde studie. Het is een erg groot onderwerp, een onderwerp waarover dikke boeken zijn geschreven en het ligt voor de hand dat ik niet de pretentie kan hebben het hier uitputtend te behandelen. Maar ik ga u het leerstuk van de wedergeboorte laten zien, zoals het onderwezen wordt in Psalm 51. Het vertelt ons er niet alles over. Ik beperk mijzelf eenvoudig tot de uitleg ervan, zoals die hier door David wordt geven in zijn worsteling en in zijn gebed.
Echter, laat me in het voorbijgaan zeggen, dat niets zo vreemd is, naar het mij toeschijnt, als de manier waarop de mens van nature altijd bezwaar maakt tegen deze leer van de wedergeboorte. Soms denk ik dat er ook niets is dat zozeer de diepte van de zonde in het menselijke hart demonstreert als dit bezwaar tegen de leer van de hergeboorte of het opnieuw geboren worden. Lees de Nieuwtestamentische geschriften en u zult merken dat mensen in die dagen er bezwaar tegen maakten. Wanneer onze Here en Redder, Jezus Christus erover sprak, werd Hij altijd vervolgd. De mensen hadden een hekel aan Hem, omdat Hij het noemde. Wanneer Hij de diepte van de ongerechtigheid in het menselijke hart begon uit te leggen en begon te spreken over een hergeboorte, begrepen zij Hem steevast verkeerd. Zij hadden er toen een hekel aan en zo is het sindsdien altijd geweest. Toen John Wesley echt bekeerd werd, ging hij terug naar zijn universiteit in Oxford en hield een preek over juist dit onderwerp en hij werd erom gehaat. Die achtenswaardige, godsdienstige mensen daar in Oxford hadden een hekel aan deze leer en zij maakten het hem onmogelijk om daar door te gaan met prediken. De natuurlijke mens, het natuurlijke, onwedergeboren menselijke hart maakte bezwaar tegen deze grote en wonderlijke Bijbelse leer van de hergeboorte en wedergeboorte. En vandaag is dat evenzeer waar. De mensen zitten te luisteren naar een toespraak of een preek over wat wordt genoemd het vaderschap van God of de broederschap van de mensen en zij maken er nooit bezwaar tegen. Wanneer zij worden aangespoord om een beter leven te leiden, geven zij nooit uiting aan enig bezwaar daartegen. Zij zeggen dat het volkomen juist is en zelfs als zij berispt worden dat zij geen beter leven leiden, zeggen zij dat het volkomen waar is en helemaal eerlijk en dat zij betere mensen zouden kunnen zijn. Maar als een prediker voor de natuurlijke mens gaat staan en zegt: “U moet opnieuw geboren worden – u moet een nieuw leven van God krijgen”, dan vragen ze: “Wat is dit voor een vreemde leer?” Ik herinner me nog erg goed dat ik bij een bepaalde gelegenheid in het midden van Engeland te midden van een boerengemeenschap aan het prediken was en dat ik het genoegen had bij een boer en zijn vrouw te logeren. Ik herinner me dat die avond de boerin onder het avondeten begon te praten over een andere boerin, waarbij zij ongeveer dit zei: “Ja, ze is een erg aardige vrouw, een prima boerin en ze is erg godsdienstig, maar, weet u, zij blijft maar praten over opnieuw geboren worden.” Deze goede vrouw vond op de een of andere manier dat dat een soort gebrek was in het karakter van de ander. Het was terecht om godsdienstig te zijn, maar om te blijven praten over een nieuw leven en over opnieuw geboren worden was iets wat zij echt niet kon begrijpen en wat zij duidelijk beschouwde als bijna een geestesstoornis.
Nu komt zo’n houding vaak voor. Van nature is er in het menselijke hart een diepgeworteld bezwaar tegen de leer van de wedergeboorte. Wat is daar de oorzaak van? Het is helemaal niet moeilijk om het antwoord op deze vraag te ontdekken. Wanneer ik met deze leer word geconfronteerd, leid ik daaruit af dat ik er zo door en door slecht aan toe ben, dat alleen als ik opnieuw geboren zou worden het met mij in orde kan komen. En van nature houd ik niet van die suggestie. De natuurlijke mens is bereid toe te geven dat hij niet voor honderd procent een heilige is, maar als u hem vertelt dat hij totaal verrot is, dat hij niet alleen geen honderd procent heilige is, maar dat hij, als hij niet opnieuw geboren wordt, een hopeloos geval is, dan zal hij zich ergeren en vragen: “Wat suggereert u?” Hij zal vinden dat u hem beledigt. Door de zonde en de zondeval is de mens zeker niet zijn vermogen kwijtgeraakt om een juiste conclusie te trekken uit allerlei uitspraken en het voorgaande is precies wat de leer van de wedergeboorte suggereert. U herinnert zich hoe onze Here het zei tegen Nicodemus, die een keer ’s nachts naar Hem toe ging. Nicodemus zei: “Meester, ik heb op U gelet, uw wonderen gezien en naar U geluisterd; het is duidelijk dat U een Leraar bent, Die van God gekomen is, want geen mens zou deze wonderen kunnen doen tenzij God met hem is.” Toen onderbrak onze Here hem en zei: “Tenzij iemand wederom geboren wordt, kan hij het Koninkrijk van God niet zien.” (Johannes 3:3) U herinnert zich het gesprek dat er op volgde. Ongetwijfeld dacht Nicodemus ongeveer zo: “Ik heb U in de gaten gehouden en naar U geluisterd en ik ben tot de conclusie gekomen dat U iets hebt wat mij ontbreekt. Ik ben een leraar in Israël, ik heb behoorlijk wat, maar het is mij helemaal duidelijk dat U meer hebt dan ik. Wat moet ik doen om net zo als U te worden?” Onze Here zei tegen hem: “Het is niet een kwestie van toevoegen aan wat u hebt; u moet opnieuw geboren worden, u moet rechtstreeks terug naar het fundament – geen toevoeging maar wedergeboorte.” Echter, we houden daar niet van. We houden van nature niet van een leer die ons vertelt dat we hopeloos zijn, dat we zo zondig en verrot zijn, dat we niet hersteld kunnen worden, maar dat we letterlijk opnieuw geschapen moeten worden.
Of laat het me op deze manier zeggen. We maken bezwaar tegen de leer van de hergeboorte, omdat het een leer is die ons impliciet duidelijk vertelt, dat we werkelijk onszelf niet op orde kunnen brengen. Nu, daar is opnieuw iets waar de natuurlijke mens altijd bezwaar tegen maakt. Om die reden heeft hij nooit bezwaar tegen een oproep die hem wordt gedaan om een beter leven te leiden. Hij houdt daar eigenlijk wel van, want in zekere zin geeft het hem een compliment. Als ik zou zeggen: “Nu, dit is het soort leven dat u behoort te leiden; ik doe een beroep op u tot dat niveau op te klimmen”, dan zouden we het van nature allemaal fijn vinden, omdat ik ermee te kennen zou geven dat wij daartoe in staat zijn. Waar de natuurlijke mens een hekel aan heeft is een leer die hem vertelt dat hij er niets aan kan doen, dat al zijn inspanningen en pogingen hem nergens zullen brengen, dat hij kan vasten, zweten en bidden, maar dat hij het even nutteloos zal vinden als Maarten Luther. Hij was monnik geweest en had gevast en gebeden in zijn cel; hij was op pelgrimstocht naar Rome geweest en hij had alles gedaan wat een mens kon doen om zichzelf te redden, maar hij was er aan het eind even ver bij vandaan als aan het begin. Het kan niet tot stand worden gebracht! Maar van nature houdt de mens daar niet van en daarom strijden we allemaal tegen deze leer van de wedergeboorte, die ons meteen aan het begin vertelt dat we niets kunnen doen, dat wij op God moeten wachten en Hem vragen dit voor ons te doen.
Of laat mij het nog anders zeggen. Dit zijn de voor de hand liggende uitleggingen van de tegenstand tegen de leer, maar de echte oorzaak van de moeilijkheid moet een laag dieper worden gezocht. Waarom zou ik bezwaar maken wanneer mij in het evangelie wordt verteld, dat ik zo verrot ben, dat ik opnieuw geboren moet worden? Waarom zou ik bezwaar maken wanneer mij wordt verteld dat al mijn inspanningen en pogingen niet geschikt zullen zijn? Ongetwijfeld is dit het antwoord: ik faal, omdat ik niet besef dat ik van aangezicht tot aangezicht voor God sta. Wij zijn er zo aan gewend om naar onszelf te kijken en ons met elkaar te vergelijken. We zitten allemaal met elkaar in een competitie. Kijk naar de hoogopgeleiden, kijk naar de zakenmensen; zij concurreren allemaal met elkaar. Mensen zeggen dat je alleen maar verder kunt komen in deze wereld als je jezelf laat gelden – dat is het hele idee van het leven dat we van nature hebben en tot op zekere hoogte kunnen we elkaar tevreden stellen en aan de menselijke maatstaven voldoen. Maar in deze zaak, die we aan het overdenken zijn, richten wij ons niet op de mens; we staan van aangezicht tot aangezicht voor God. David heeft het al verwoord in vers 8: “Zie, Gij wilt waarheid in het verborgene.” Als wij ons een ogenblik realiseren dat we met God hebben te maken en niet met mensen, dan beseffen we heel spoedig hoe verloren we zijn en hoe hulpeloos.
De andere uitleg is vanzelfsprekend ons falen, dat we ons niet van de waarheid over onszelf bewust zijn. David heeft dat al tot uitdrukking gebracht in vers 7: “Zie, in ongerechtigheid ben ik geboren, in zonde heeft mijn moeder mij ontvangen.” Een mens die zich dit heeft gerealiseerd over zichzelf, maakt geen bezwaar tegen een evangelie dat hem vertelt dat hij opnieuw geboren moet worden. Het is de mens die denkt dat hij over het algemeen erg goed is en dat die zwarte vlek in zijn karakter erg gemakkelijk verwijderd kan worden, die gekant is tegen dit evangelie. De mens die ziet dat hij in ongerechtigheid geschapen is en dat zijn moeder hem in zonde ontving, zegt, wanneer hem wordt verteld dat hij verrot is en dat hij nog een keer geboren moet worden: “Ik ben het er helemaal mee eens. Ik weet dat mijn hart in deze rotte toestand is.”
Dat zijn dan de redenen en verklaringen van dit bezwaar tegen de leer. Maar het is ook waar om te zeggen dat het een vernederende leer is. Laten we toegeven dat geen mens er van nature van houdt te horen te krijgen dat hij opnieuw geboren moet worden. Het is waar van ons allemaal. Onze uiteindelijke moeilijkheid is onze trots, onze zelfvoldaanheid, onze zelfachting en ons zelfvertrouwen. Het evangelie komt en geeft dat ‘ik’ een dodelijke slag en wij vinden het niet fijn. De mensen hielden er nooit van en zij hebben er nog steeds een hekel aan. Het is een lastige en vernederende leer en toch is het het wezenlijke van de toestand van de Christen. Het staat helemaal compleet in deze twee verzen: “Zie, Gij wilt waarheid in het verborgene. . . . Schep mij een rein hart, o God.” (vers 8 en 12).
Waarom moeten we opnieuw geboren worden? Dat is de vraag. Wat maakt de wedergeboorte tot een absolute noodzaak, als we echt Christen willen worden? Het eerste antwoord is dit – de trouweloosheid en de onoprechtheid van onze natuur. David geeft dat toe met deze woorden: “Zie, Gij wilt waarheid (of oprechtheid) in het verborgene.” Dat is de moeilijkheid. U ziet de fasen waar David doorheen is gegaan. Hij heeft zichzelf onderzocht, hij is zijn zonden gaan erkennen, de dingen die hij heeft gedaan. Dan gaat hij een stap verder en zegt: “Er zit iets verrots in mij, in mijn hart, en in zekere zin kan ik er niets aan doen, omdat ik ben gaan inzien dat ik mijzelf niet kan vertrouwen. Het ontbreekt mij aan oprechtheid tot in het diepst van mijn natuur en wezen.” Wat is dit voor een mens een vreselijke belijdenis om die over zichzelf af te leggen! En toch is dit iets, wat ieder Christen noodzakelijkerwijs moet gaan inzien. Jeremia zegt het met deze woorden: “Arglistig is het hart, boven alles, ja verderfelijk is het” (Jeremia 17:9). Een zeer geheiligd iemand zei het in een gezang met deze woorden:

Ik durf de lieflijkste gemoedstoestand niet te vertrouwen.

Vertrouwt u uzelf? Als u dat doet, kent u uzelf niet. Hebt u nog niet de kronkels, de neigingen en de verdorvenheid in uw eigen hart ontdekt? Bent u nog niet de onoprechtheid gaan zien, die er middenin zit? Wij zijn allemaal huichelaars, wij spelen allemaal toneel, wij pretenderen allemaal iets te zijn wat we niet zijn. Ben ik aan het fantaseren of zeg ik eenvoudig de waarheid? Zouden wij ons allemaal volmaakt gelukkig voelen, als onze fantasieën en verborgen gedachten op een scherm geprojecteerd konden worden, zodat iedereen ernaar kon kijken? Nee, deze verzen zijn volkomen waar en in die positie en toestand zijn we totaal hulpeloos, omdat wij met God te maken hebben. We kunnen de schijn hoog houden voor een ander; we kunnen zeggen dat het ons spijt om zo vergeving te krijgen en het toch niet werkelijk menen in ons hart, maar de ander weet het niet. We willen uit een moeilijkheid zien te komen; we willen de pijn vermijden en dus zeggen we dat het ons spijt. Maar als het om God gaat is dat alles totaal nutteloos. “Ik sta van aangezicht tot aangezicht met U, o God,” zegt David, “en U verlangt waarheid en oprechtheid in het hart. Ik kom niet los van U.” “Het Woord van God,” zegt de schrijver van de Brief aan de Hebreeën, “is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard en het dringt door, zo diep, dat het vaneen scheidt ziel en geest, gewrichten en merg, en het schift overleggingen en gedachten des harten; en geen schepsel is voor Hem verborgen, want alle dingen liggen open en ontbloot voor de ogen van Hem, voor Wie wij rekenschap hebben af te leggen.”(Hebreeën 4:12,13). Ach, als u er gewoon op uit bent uw gevoel van schuld en ellende kwijt te raken en niets meer, dan zeg ik dat u nog niet in de echte positie van een Christen bent. De Christen gaat verder dan dat: hij is zich bewust van deze fundamentele behoefte aan grondige oprechtheid. Hij ziet zichzelf door de ogen van God. Hij weet dat hij gelezen wordt als een open boek, en wat andere mensen ook in hem mogen zien of van hem mogen denken, hij weet dat God de gedachten en bedoelingen van zijn hart leest en alles over hem tot in de schuilhoeken van zijn leven. Hij weet dat zijn naaktheid open ligt voor het oog van de Almachtige God.
Maar verder weet ik dat ik mijzelf niet oprecht kan maken. Ik besluit oprecht te worden, maar ik merk dat ik nog steeds een spelletje met mijzelf speel; ik houd mijzelf voor de gek. Ik houd een grootboek bij met mijn winst- en verliesrekening en ik slaag er goed in mijn rekening in balans te houden. Ik kan altijd goed met mijzelf opschieten. Ik ben een expert – om een modern woord te gebruiken – in het goedpraten van mijzelf en mijn daden. Ik kan mijzelf uitleggen wat ik doe en het is okay voor mij om het te doen, hoewel ik het in anderen veroordeel. Dat ontdek ik bij mijzelf. Ik ben niet eerlijk en oprecht in de kern van mijn wezen – maar “Gij verlangt waarheid in het verborgene”. En, hoe ik het ook probeer, ik ben mij bewust van deze fundamentele oneerlijkheid, deze onoprechtheid te midden van dit alles en ik schreeuw het uit tot God, dat Hij er iets aan moet doen. Ik zie daar de noodzaak van de wedergeboorte. De gedachten en de overleggingen van mijn hart zijn van levensbelang. Ik besef dat ik mij hier op een gebied bevind, waarover ik geen controle heb en ik val terug op God en op Zijn almacht.
De tweede reden voor de noodzaak van de wedergeboorte kan ik als volgt formuleren. Het komt door mijn onkunde en gebrek aan wijsheid. Luister opnieuw naar vers 8: “Zie, Gij wilt waarheid in het verborgene, in het geheim maakt Gij mij wijsheid bekend. O! David kende zijn eigen hart zo grondig. U ziet de stadia waar een mens doorheen gaat. In het allereerste stadium liep ik zonder ergens op te letten. Dan word ik tot stilstand gebracht en tegengehouden. Ach ja, zeg ik, ik had dat niet moeten doen. Dan ga ik me afvragen wat mij ertoe bracht het te doen en dan vraag ik: “Hoe kan het in orde worden gemaakt? Ik ben zo onoprecht, ik kan niets doen. Wat kan ik dan doen? Ik weet niet wat ik moet doen, ik ben hulpeloos, ik geef het toe. Wat heb ik nodig?” “Wel,” zei David, “wat ik boven al het andere nodig heb, is wijsheid. Ik heb licht en verlichting nodig. Ik beken heel eerlijk dat, als ik probeer mijn eigen zaak op te lossen, ik tegen deze blinde muur aanloop. Ik krijg het niet voor elkaar. Ik heb licht van buiten nodig.” Elk Christen weet waarover ik praat. U komt op dat wanhopige punt uit, waar u zegt: “Wel, wat kan ik doen? Ik kan mijn eigen gedachten en ideeën niet vertrouwen. Ik moet iets van buiten mijzelf hebben. Ik heb nodig dat er licht op mij schijnt.” Dat betekenen deze verzen. David roept om wijsheid in het verborgene. Met andere woorden, geen mens is echt Christen, totdat hij zich realiseert dat menselijke kennis, wijsheid en begrip niet genoeg zijn, totdat hij met Pascal, één van de grootste filosofen van alle tijden, is gaan inzien, dat de hoogste prestatie van de rede is een mens ertoe te brengen de grenzen van de rede te zien en hem te laten roepen om openbaring. Ik heb wijsheid nodig. Ik heb licht nodig. Ik heb licht op mijn eigen hart nodig. Ik ben een erg slecht arts voor mijzelf, omdat ik weet dat ik niet eerlijk ben ten opzichte van mijzelf. Ik zie de dingen niet eerlijk onder ogen, ik wil altijd mijzelf verdedigen, zodat ik mijzelf geen eerlijke behandeling kan geven. Ik heb licht op mijzelf van buitenaf nodig. Ik heb meer wijsheid nodig met betrekking tot mijn ware toestand. Ik heb licht nodig over heiligheid, hoe een heilig leven te leiden. Ik heb licht nodig over God, ik heb de wijsheid nodig, waar ik zelf niet voor kan zorgen. Ik speur, maar ik kan het niet vinden. Ik lees biografieën van de groten der aarde, die geen Christen zijn geweest en ik weet dat zij in het leven gefaald hebben. Zij konden geen geluk vinden; ik kan het niet vinden. Wat kan ik doen? Ik moet God erom vragen. Hebt u geroepen om wijsheid, hebt u gezocht naar kennis? Als u op dat punt gekomen bent, bent u op de hoofdweg naar de redding. Hebt u het stadium bereikt, dat u zegt: “Ik kan niet meer nadenken;  ik heb gedacht, totdat ik niet langer kan denken. Wat kan ik doen? O God, werpt U licht op mijn toestand?” Als u dat gebed opzendt, zult u het licht krijgen. De mens die roept om deze openbaring en Goddelijke verlichting, doet dat nooit tevergeefs. Ik heb wijsheid nodig in het verborgene; ik geloof dat God daarin kan voorzien.
Maar dan, ziet u, gaat David verder naar de volgende stap. Hij realiseert zich nu, als resultaat van de wijsheid die God hem gegeven heeft, dat hij een rein hart nodig heeft, dat hij een nieuwe natuur nodig heeft. Ik hoef niet met u daarbij stil te staan. Er is een gedeelte in het zevende hoofdstuk van het evangelie naar Marcus, dat de hele zaak precies onder woorden brengt (Marcus 7:14-23). “Kijk,” zei onze Here en Redder Jezus Christus in feite tot die mensen: “Geef niet uw omstandigheden, toestand en omgeving de schuld voor wat u bent. Niet hetgeen naar binnengaat verontreinigt een mens, maar wat eruit komt. U besteedt aandacht aan het wassen van handen en het afwassen van schalen en dergelijke dingen; u geeft uw moeilijke positie de schuld, de dingen die rondom u zijn. U zegt: ‘Ik ben in deze vuile wereld en het kost mij al mijn tijd om te proberen mijzelf schoon te houden.’ “Nee,” zei Christus, “dat is niet het probleem; het probleem zit in uw eigen hart. Niet hetgeen binnenkomt verontreinigt de mens, maar dat wat eruit gaat. Uit het hart komen de slechte gedachten, moord, hoererij, overspel en al de slechte dingen die een mens begeert.” Nu weten we allemaal dat dit in de één of andere vorm waar is van een ieder van ons. Het probleem zit in ons. U ziet hoe David uiteindelijk tot die conclusie kwam; hij heeft zichzelf in ogenschouw genomen en hij zegt: “Ik ben een moordenaar, ik ben een overspelige, ik ben verrot, ik ben verantwoordelijk geweest voor de dood van onschuldige mensen – ach, de vreselijke vraag waarmee ik geconfronteerd word is dit: Wat bracht mij ertoe? Was het Bathseba of waren het de andere mensen? Nee, het is iets smerigs en kwaadaardigs in mij, in mijn hart, dat me deed begeren. Niet wat ik zie is het probleem. Het is dit wat in mij zit, wat mij de dingen laat interpreteren zoals ik dat doe. Ik ben het zelf – ‘Schep mij een rein hart, o God.’” Staat u er zo voor wat betreft uzelf? Bent u gaan inzien dat al uw problemen en moeilijkheden voortkomen uit die centrale oorzaak? Dat, zo zeg ik, is iets wat met elk echt Christen gebeurt. “Zie, in ongerechtigheid ben ik geboren, in zonde heeft mijn moeder mij ontvangen.” De moeilijkheid met de mens is niet dat hij bepaalde dingen doet die hij niet behoort te doen; het is dat hij altijd een hart heeft om ze te doen. Het is dat iets binnen in ons, dat ons doet verlangen. Hoewel ons geweten ons vertelt dat we die dingen niet moeten doen, doen we ze toch. Dat is de vloek. Dit ding in ons hart. We hebben een rein hart nodig.
Maar David gaat verder: hij realiseert zich dat hij zoiets nooit kan maken. Hij weet heel goed dat al de besluiten in de wereld het hart nooit kunnen veranderen. Zij kunnen slechts de daden van de mens tot op zekere hoogte controleren. Er ligt waarde in het idee van het besluiten nemen voor het Nieuwe Jaar; voor zover als ze standhouden, kunnen ze van u een beter mens maken. U kunt uw daden tot op zekere hoogte controleren, maar wanneer u probeert het hart te reinigen, dan verzeker ik u dat hoe meer u het probeert, hoe zwarter u het zult zien worden. Lees de levens van de geheiligde Christenen en u zult merken hoe deze wondervolle mensen altijd een toenemende vuilheid ontdekten en tenslotte het totaal hopeloos vonden. Daarom riep David het uit met dit grote woord: “Schep in mij” – God alleen kan in mij een rein hart geven, God alleen kan mij een nieuwe natuur geven. “Mijn enige hoop,” zei David, “is dat Hij, Die de wereld schiep uit het niets en de mens maakte uit het stof der aarde en de levensadem in hem blies, in mij een rein hart zal scheppen en mij een nieuwe natuur zal geven.” Dat is de roep van het Oude Testament. David had het wezen ervan gezien; hij had gezien dat dat zijn fundamentele nood was. En de fundamentele nood van ieder mens is een werking van God in het centrum van zijn leven. O, weet u, mijn vriend, dat dat juist het wezen is van het Nieuwtestamentische evangelie en de wonderlijke boodschap ervan? Waarom kwam de Here Jezus Christus in deze wereld? Waarom leefde Hij en stierf Hij die dood aan het kruis en waarom stond Hij weer op? Wat was het doel van dat alles? Was dat opdat u en ik vergeving zouden krijgen en doorgaan met zondigen en dan weer terugkomen en na op de een of andere manier geleefd te hebben van zonde naar berouw en van berouw naar zonde, om dan gewoon stiekem de hemel binnen te sluipen en de straf van de hel en de vreselijke gevolgen ervan te vermijden? Dat is een godslasterlijke gedachte! Hij deed dit alles, zoals Paulus zegt bij zijn schrijven aan Titus: “om voor Zich een eigen volk te reinigen, volijverig in goede werken” (Titus 2:14). Nee, de glorievolle boodschap van het evangelie is niet alleen dat mij vergeven wordt. Dank God, dat ik vergeving krijg; het eerste punt is dat mijn zonden worden uitgedelgd als een nevel – God vergeeft mij. Maar ik ben daar niet mee voldaan. Ik wil niet doorgaan met zondigen. Ik wil dit centrale probleem aanpakken. Ik wil een leven leiden dat waardig is. Ik wil dat iets wat binnen in mij zit en dat mij doet zondigen en mij doet begeren om te zondigen, kwijt zien te raken. En dit is het antwoord van het evangelie – deze wonderlijke leer van de wedergeboorte en de nieuwe schepping, opnieuw geboren worden, deel krijgen aan de Goddelijke natuur. De Zoon van God daalde af naar deze aarde en nam de menselijke natuur op Zich, opdat Hij een nieuwe mensheid, een nieuw geslacht van mensen zou beginnen ten einde een nieuw Koninkrijk te vormen. Wat Hij doet is dit: aan diegenen die tot Hem komen en beseffen dat zij een reine natuur in zichzelf nodig hebben, geeft Hij Zijn eigen natuur. “Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping; het oude is voorbijgegaan, zie het nieuwe is gekomen” (2 Corinthiërs 5:17). Ik zou me erg ongelukkig voelen om iemand die denkt dat het evangelie aan de mensen vertelt: “Ja, God is liefde en omdat God liefde is heeft Hij jou in Christus Jezus vergeven. Heel goed, om deze reden, sla een nieuwe bladzij op en begin een nieuw leven te leiden.” Dat zou voor mij een ontkenning van het evangelie zijn. Nee, het evangelie vergeeft u niet en spoort u dan aan terug te gaan en een beter leven te leiden. Het geeft een nieuw leven. Het biedt aan om ons kinderen van God te maken; het biedt aan om ons deelgenoten aan de Goddelijke natuur te maken. Haar boodschap is dat God in ons komt wonen. Zoals Paulus het zegt: “Ik leef en toch niet ik, maar Christus leeft in mij” (Galaten 2:20). U wordt niet aan uzelf overgelaten, u wordt niet teruggestuurd naar de hopeloze taak om te proberen uzelf te verbeteren. God geeft u een nieuw leven, een nieuwe start, een nieuw begin. U wordt een nieuw mens; u zult merken in een nieuwe wereld te zijn met nieuwe kracht en nieuwe hoop.
“Schep in mij een rein hart, o God.” Ieder mens die dat gebed in oprechtheid opzendt, zal altijd een antwoord krijgen. “U moet wederom geboren worden”, zei Jezus Christus, en een mens die dat beseft en zich aan Christus onderwerpt, wordt wedergeboren. Hij heeft nieuw leven, het leven van God, in zich; de kern van het probleem wordt gereinigd door God en hij merkt in zich een nieuwe verwachting, een nieuwe kracht, een nieuwe hoop, een nieuwe mens.

Hoofdstuk 4

BEVRIJDING EN NIEUW LEVEN

Psalm 51:12-17:
Schep mij een rein hart, o God,
en vernieuw in mijn binnenste een vaste geest;
verwerp mij niet van uw aangezicht,
en neem uw Heilige Geest niet van mij;
Hergeef mij de blijdschap over uw heil,
en laat een gewillige geest mij schragen.
Dan zal ik overtreders uw wegen leren,
opdat zondaars zich tot U bekeren.
Red mij van bloedschuld, o God, God mijns heils,
laat mijn tong over uw gerechtigheid jubelen;
Here, open mijn lippen,
opdat mijn mond uw lof verkondige.

In onze drie voorgaande studies hebben we gezien dat deze psalm niet alleen een klassieke verklaring van de Bijbelse en Christelijke leer van berouw is en dat het ons daarom erg helder en dramatisch de diverse stappen en stadia in het proces van berouw toont, maar het herinnert ons tezelfdertijd op een even treffende wijze aan een aantal hoofdkenmerken van de echte en zuivere ervaring die een Christen doormaakt. Hier in deze Oudtestamentische psalm hebben we de roep van het menselijke hart dat zich zijn zondigheid beseft in de tegenwoordigheid van God, de roep om juist die dingen, waar in het Nieuwtestamentische evangelie zo glorievol en wonderlijk wordt voorzien in en door onze Redder Jezus Christus.
Nu heb ik geprobeerd om met u de diverse stappen en stadia na te gaan en ik heb zorgvuldig erop gewezen, dat wij er niet op staan dat allen deze dingen in precies dezelfde volgorde moeten ervaren, of dat er een soort mechanische herhaling moet zijn van die essentiële elementen in de Christelijke ervaring. Niettemin hebben we er erg op gelet om aan te geven dat er bepaalde dingen zijn, die steevast aanwezig zijn in een echte Christelijke ervaring en dit zijn de stappen die we tot hiertoe nauwkeurig beschreven hebben. Ten eerste van alles zagen we dat een mens die Christen is op enig moment is wakker gemaakt. Hij is tot zichzelf gekomen en heeft het vreselijke karakter gezien van de dingen die hij heeft gedaan. De volgende stap was, zagen we, dat zo’n mens zich altijd zijn enorme behoefte aan vergeving gaat beseffen, en hij keert terug tot de God tegen Wie hij heeft gezondigd en hij werpt zich geheel op Zijn genade. En toen hebben we overdacht hoe het derde, dat met de Christen gebeurt, is dat hij zijn absolute noodzaak van de wedergeboorte en van een nieuwe natuur heeft ingezien. Zo is de leer van de wedergeboorte voor de echte Christen een van de meest glorievolle leerstukken van de hele Bijbel. Hij prijst God voor dat wonder van verlossing.
Nu komen we bij een volgend kenmerk van de echte Christen, welke is dat hij bepaalde resultaten laat zien, die voortkomen uit alles wat ik net heb gezegd. Er zijn bepaalde onontkoombare gevolgen van die dingen – van een bewustzijn van zonde als resultaat van het wakker gemaakt worden, de behoefte aan vergeving en het gebed om de nieuwe natuur. Ik wil het nu hebben over die gevolgen en als we dat doen zou ik u nogmaals willen herinneren aan het principe dat ik elke keer heb benadrukt, namelijk dat hetgeen ik ga zeggen iets is, dat overal in de Bijbel gevonden wordt. U let op de ervaring van de toenmalige Christenen zoals ons die wordt gegeven in het Nieuwe Testament en u zult merken dat zij allemaal hetzelfde basispatroon hebben. Welk geval u ook neemt zij zijn allemaal hetzelfde. Dat is zo wonderlijk in de Schrift, dat u deze gelijke ervaringen overal herhaald ziet. Dat niet alleen, als u uw gezangboek neemt, zult u merken dat de schrijvers van gezangen, die een echte ervaring van de genade van God in Christus hebben gehad, opnieuw hetzelfde zeggen. Het maakt niet uit tot welke denominatie zij behoren. De evangelische ervaring van de wedergeboorte is hetzelfde in alle landen en in alle eeuwen en daarom leggen deze grote voorbeelden, die we in onze gezangen hebben, getuigenis af van dezelfde dingen. Nogmaals, als u de biografieën van de godvrezende Christenen door de eeuwen heen leest, dan zult u een herhaling van dezelfde ervaringen vinden. (…) Deze dingen zijn onbetwistbaar en daarom moeten we die zorgvuldig bekijken.
Met andere woorden, hier hebben we onze enige maatstaf: het komt er niet op aan wat u en ik denken waar het om gaat, maar wat de Bijbel leert. Mensen hebben hun eigen ideeën over wat bepaalt dat iemand Christen is. U merkt, wanneer u deze dingen met mensen bespreekt, dat ze zeggen: “Wat ik zeg is dit.” En omdat zij het zeggen, denken zij dat het waar moet zijn. Maar zeker is dat er geen uiteindelijke, geestelijke maatstaf is van wat een mens tot Christen maakt dan slechts dit Boek. Wat weten we van het Christendom af buiten dit Boek? Wat voor recht hebben we om te zeggen: “Dit is wat ik denk dat een mens tot Christen maakt”? Zeker, dit Boek is onze enige bekrachtiging en autoriteit. We weten niets van Jezus Christus buiten wat we hier vinden en we hebben niet het recht iets van te voren te bedenken wat de Christelijke ondervinding is buiten het onderwijs van Gods Woord. Hier, zeg ik, is de enige test en de enige maatstaf. Opnieuw zou ik met Luther willen zeggen: “Ik ken geen God behalve Jezus Christus.” Ik weet niets buiten hetgeen ik hier vind, en wat ik hier vind is dat ik door deze wereld van de tijd heen ga en dat ik God moet ontmoeten van aangezicht tot aangezicht en dat er slechts één manier is waarop ik dat doen kan zonder vrees, afgrijzen, beving, verschrikking en uiteindelijk verderf en dat is bereidwillige gehoorzaamheid te geven aan wat God mij vertelt in Zijn eigen Woord, om op Zijn Zoon, de Here Jezus Christus te vertrouwen en mijzelf en mijn leven aan Hem over te geven. Als ik dat doe, als ik mijn zonde belijd, als ik mijn behoefte aan vergeving besef en geloof dat ik die heb door Jezus Christus en Zijn volkomen werk, als ik pleit en bid voor deze nieuwe geboorte en die ontvang, dan zeg ik dat er bepaalde dingen zijn die met me gaan gebeuren.
Met andere woorden, ik bedoel dat wat ik ga zeggen een test is. Ik kan me niets vreselijkers voorstellen voor een mens dan dat hij in deze wereld door een lang leven heen gaat in de veronderstelling en met de inbeelding dat hij Christen is en dan op de verschrikkelijke oordeelsdag te merken dat hij überhaupt nooit Christen is geweest. Dat zijn de ernstige woorden van Jezus Christus Zelf: “Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: Here, Here, hebben wij niet in Uw naam geprofeteerd en in Uw naam boze geesten uitgedreven en in Uw naam vele krachten gedaan? En dan zal Ik hun openlijk zeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij werkers der wetteloosheid.” (Mattheüs 7:22,23). Voor mij (en daarom ben ik een prediker van dit evangelie) is het voor een mens in dit leven en in deze wereld het belangrijkste zeker te weten dat hij Christen is. Het is de enige veilige plaats, het is de enige zekere plaats en bij het bestuderen van deze psalm hebben we bepaalde testen getoond, die we op onszelf kunnen toepassen. Hier is de laatste test.
Wat zijn de gevolgen van berouw, geloof in de Here Jezus Christus en de wedergeboorte? De eerste is het hebben van blijdschap en vreugde. U zult opmerken hoe David het zegt: “Doe mij”, zegt hij in vers 10, “blijdschap en vreugde horen, laat het gebeente dat Gij verbrijzeld hebt, weer jubelen.” Maar luister opnieuw naar hem, zoals hij het in het veertiende vers zegt: “Hergeef mij de blijdschap over Uw heil.” Hij had die gekend, maar hij was het kwijtgeraakt en hij wil het weer terug hebben. Ik zeg dat ieder mens, die door deze ervaring van bekering is heengegaan en die wedergeboren is, een mens is die deze blijdschap en vreugde kent. Nu, laten wij hier zorgvuldig zijn. Er is een heleboel misverstand over dit punt van de Christelijke blijdschap. Het is erg belangrijk op te merken dat de blijdschap, waarover David hier spreekt, op precies dezelfde manier als de Bijbel er overal over spreekt, een bijzondere blijdschap is. Hij praat niet over natuurlijke vrolijkheid en blijmoedigheid; hij praat niet over iets dat met het temperament te maken heeft. De blijdschap waarover hij spreekt, is wat genoemd wordt ‘de blijdschap over Uw heil’. Het is een speciale blijdschap. Ik span mij in om het te benadrukken om deze reden. Ik ben helemaal ertoe bereid ermee in te stemmen, dat we qua temperament enorm van elkaar verschillen. Er zijn sommige mensen die geboren lijken te zijn met een soort somber, zelfbeschouwend, ellendig en ongelukkig temperament en er zijn andere mensen, die van nature vrolijk, optimistisch en stralend geboren worden. Als u een analyse uitvoert van de mensheid vanuit dit psychologische standpunt, dan zult u alle denkbare variaties aantreffen van dat door en door ellendige, zelfbeschouwende type tot dit andere soort persoon, dat als het ware altijd juichend, gelukkig en blij is, wat er ook gebeurt. Nu is de Bijbel zich van dat alles vanzelfsprekend goed bewust, maar haar grote boodschap aan ons – en dank God daarvoor! – is dat de blijdschap, waarover zij spreekt, totaal onafhankelijk is van al zulke natuurlijke omstandigheden. Het is de blijdschap over Gods heil, die wordt aangeboden en niet een of andere natuurlijke blijdschap. Nu, dit is belangrijk op deze manier: het Bijbelse onderwijs is, dat elke Christen deze blijdschap behoort te bezitten en dat, hoewel u misschien van nature somber geboren bent, u toch van deze bijzondere blijdschap mag genieten.
Eén voorbeeld zal misschien helpen dit punt te bewijzen. Ik denk dat elke psycholoog het met me eens zal moeten zijn dat de apostel Paulus door geboorte en van nature een man was, die neiging had tot somberheid en zelfbeschouwing; hij had van nature niets van een vrolijk mens. Toch is er geen mens, die ooit de blijdschap over Gods heil meer kende dan de apostel Paulus. Of neem een ander geval, wat moderner. Neem een man als John Wesley. Hoe u uw fantasie ook laat werken, u kunt zich John Wesley niet voorstellen als een blij, gelukkig individu. Hij was precies het tegenovergestelde ervan: geleerd, wat teruggetrokken, met een soort koelheid in zijn natuur en uiterlijk – qua temperament weer een van nature somber mens. En toch werd hij een man die deze grote blijdschap van het heil kende, daarin roemde en zich erin verblijdde. Ik zou veel andere voorbeelden kunnen nemen om dit punt te bewijzen. Wat ik daarom zeg is dat wanneer het ons ontbreekt aan de blijdschap van Gods heil, wij onszelf niet kunnen verontschuldigen om reden van ons temperament en zeggen: “Wij zijn niet allemaal hetzelfde.” We hebben het hier niet over temperamenten; we hebben het over de blijdschap over Gods heil, die allen wordt aangeboden en die, volgens de Bijbel, is bedoeld voor allen. Neem bijvoorbeeld Petrus in zijn eerste brief (hoofdstuk 1 vers 8). Hij schrijft aan Christenen en hij wil dat zij zich verheugen en hij zegt tot hen: “Hem hebt gij lief, zonder Hem gezien te hebben; in Hem gelooft gij, zonder Hem thans te zien, en gij verheugt u met een onuitsprekelijke en verheerlijkte vreugde”, – zij allemaal. Hij zegt niet: “Sommigen van u, zij die stralen en vrolijk zijn.” Helemaal niet; wij allen, iedereen, elk Christen.
Zo is dan de vraag die ik stel deze: kennen wij iets van deze blijdschap, blijmoedigheid en vreugde? Ik denk dat ik bewezen heb dat het iets is, dat een onvermijdelijk gevolg is van de echte, evangelische ervaring van de wedergeboorte. Maar voor het geval er iemand is die hierover ongelukkig is laat mij dan – in mijn verlangen om werkelijk praktisch te zijn – het op deze manier zeggen. Er zijn bepaalde oorzaken die de neiging hebben tussen de mensen en deze ervaring van blijdschap en vreugde in te staan. De eerste is natuurlijk zonde. Dat was het wezen van Davids moeilijkheid. “Hergeef mij,” zegt David, “de blijdschap over Uw heil.” Waarom was hij die kwijtgeraakt? Hij was die kwijtgeraakt omdat hij schuldig was aan overspel, moord en de andere dingen die ik heb genoemd. Mijn beste vriend, hierover hoeven we niet te discussiëren. Helaas, wij allen kennen deze pijnlijke ervaring. Als wij zondigen, verbreken we de gemeenschap en het contact met God, en dat leidt altijd tot ellende en bedroefdheid. Er zijn altijd voorwaarden aan Gods zegeningen verbonden. Wij moeten God liefhebben; God roept ons om Hem lief te hebben. Ik ken veel mensen die een ellendig Christelijk leven leiden, omdat zij zich niet willen onderwerpen aan God. U kunt niet van twee walletjes eten. Lees nog een keer over de apostel Paulus en de verbazingwekkende vreugde die hij kende. Lees de biografieën van de geheiligde Christenen en over hun boeiende ervaringen. Waarom hebben wij dat niet allen? Het kwam niet, omdat zij speciale mensen waren. Nee, Paulus zegt dat hij ‘de belangrijkste der zondaren’ is. Hoe kwam het dat hij zo’n blijdschap kende? Het wezen van het geheim is dat hij zonde vermeed; hij leidde het leven, waartoe God in Christus hem geroepen had. Zonde berooft altijd van blijdschap. Laten we zorgvuldig zijn op dat punt.
Maar er is ook nog een andere reden en dat is het gebrek aan begrip wat betreft de weg tot redding. Er zijn veel mensen die Christen willen worden; er zijn er velen die de hele wereld zouden willen geven, als zij alleen maar de blijdschap konden hebben, waarover zij lezen in de Bijbel en de levens van de geheiligde Christenen. En toch zeggen zij: “Weet u, ik schijn het nooit te kunnen krijgen. Ik heb gebeden en ernaar verlangd. Het enige wat ik nodig heb is deze grote blijdschap en toch krijg ik die nooit; het ontglipt mij steeds.” Wel, soms is de oorzaak hiervan niets anders dan pure onkunde of gebrekkig onderwijs met betrekking tot de weg en de middelen van de redding. Zonder het zich werkelijk te beseffen vertrouwen deze mensen nog steeds op zichzelf en op hun eigen inspanningen. Zij hebben zich niet gerealiseerd dat het evangelie heel eenvoudig dit is, dat we met lege handen tot God moeten komen, dat we beseffen dat wij niets kunnen doen, dat het een gave van God is, die wij ontvangen. Zij zijn nog steeds aan het proberen zichzelf tot Christen te maken en zolang als zij dat doen zullen ze nooit de blijdschap van de redding kennen. Laat mij het nog een keer duidelijk stellen. Het is gewoon dit – en hoe eenvoudig is het! We hebben allemaal tegen God gezondigd. Wij kunnen onze schuld nooit kwijtraken, we kunnen nooit het vuil verwijderen. Mijn verleden blijft en ik kan het niet aanpakken; ik faal in het heden en ik zal falen in de toekomst. Hoe kan ik dan God ontmoeten en vergeving krijgen? Ach, het hele antwoord is dat ik het als een onmiddellijke gave kan ontvangen, dat alles gedaan is in Christus, dat Christus voor mijn zonde gestorven is, en omdat God daar met de zonde afgerekend heeft, biedt Hij mij deze vrije gave aan. Nu, daar hebt u het wezen van deze zaak. U hoeft niet op iets te wachten; het is een gave die ontvangen moet worden, gewoon zoals u bent en waar u op dit ogenblik bent.
Nu zijn er veel mensen die zich dit niet realiseren. Zij zeggen: “Ik moet een beter mens worden, voordat ik kan zeggen dat ik Christen ben.” Dat is de hele leer van de vergeving loochenen. De leer is heel eenvoudig dat alles door God wordt gegeven, in een ogenblik, meteen. Hij vraagt niet iets van ons dan alleen maar onderwerping aan Hem. Ik hoop dat er niemand is die verdergaat zonder de blijdschap van de redding vanwege het ontbreken van het besef, dat het de vrije gave van God is, die op elk ogenblik aangenomen kan worden. God vraagt u niet iets te doen. Hij vraagt u het nu te ontvangen en Zijn Woord te geloven. O, de tragedie dat mensen zichzelf om die reden zouden beroven van de blijdschap!
Laat mij u hier een voorbeeld van geven. Dat was de hele moeilijkheid met Luther. Luther probeerde zichzelf tot Christen te maken en hij was ongelukkig, zoals ieder mens dat moet zijn die probeert zichzelf tot Christen te maken, omdat men dit niet voor elkaar krijgt. En toen ging hem deze gezegende waarheid op, dat deze rijkdommen van God in Christus een gratis gift waren en dat alles wat hij moest doen was: ze ontvangen in geloof. God had hem rechtvaardig gemaakt in Christus. En in een oogwenk was alles voor elkaar en begon hij zich te verblijden. Zo is het ook het geval met ieder ander geheiligd Christen, die de gemeente ooit heeft gekend.
Een derde reden die verklaart waarom velen deze blijdschap van de redding missen, is de eenvoudige reden dat zij teveel tijd besteden aan het kijken naar zichzelf in plaats van te kijken naar de Here. Zij bepalen voor zichzelf een maatstaf van volmaaktheid. Ik herinner mij het trieste geval van een erg godvrezend man, die ik kende. Hij had twee dochters, die voortreffelijke vrouwen waren. Zij hadden de middelbare leeftijd bereikt, toen ik hen ontmoette. In zekere zin leefden zij voor de dingen van God en toch was geen van beiden ooit lid geworden van een Christelijke gemeente of had ooit deelgenomen aan het Avondmaal des Heren. Wat betreft hun leven en gedrag kon je je geen betere mensen voorstellen, en toch waren ze nooit lid van een gemeente geworden en hadden zij nooit van het brood en de wijn genomen. Waarom? Ze zeiden dat zij niet ervaarden dat ze goed genoeg waren. Wat was er aan de hand met hen? Zij keken naar zichzelf in plaats van naar het volbrachte, volmaakte werk van Christus. U kijkt naar uzelf en natuurlijk zult u ellendig worden, want van binnen is het zwart en duister. De beste gelovige wordt, wanneer hij naar zichzelf kijkt, ongelukkig; hij ziet dingen die er niet behoren te zijn en als u en ik heel onze tijd besteden aan het kijken naar onszelf, zullen we in de ellende blijven zitten en we zullen de blijdschap kwijtraken. Zelfonderzoek is goed, maar zelfbespiegeling is slecht. Laten wij onderscheid maken tussen deze twee dingen. We kunnen onszelf onderzoeken in het licht van de Schrift en als we dat doen zullen we naar Christus toe gedreven worden. Maar bij zelfbespiegeling kijkt een mens naar zichzelf en blijft dat doen; hij weigert gelukkig te worden, totdat hij de onvolmaaktheden kwijtraakt, die er nog steeds zijn. O, de tragedie, dat wij ons leven zouden besteden aan het kijken naar onszelf in plaats van te kijken naar Hem, Die ons kan bevrijden!
Is het niet iets wonderlijks dat er überhaupt blijdschap mogelijk is voor schepsels zoals wij? Is er niet iets bijna gedurfds in dit gebed van David? “Hergeef mij de blijdschap over Uw heil”, zegt de overspelige en de moordenaar, de leugenaar, de man die verantwoordelijk is voor zoveel moeilijkheden – “hergeef mij de blijdschap over uw heil.” Hoe kan zo’n man ooit gelukkig zijn? Is het mogelijk? Ik dank God dat het mogelijk is en daarom predik ik dit evangelie aan u. Dat is de glorie van deze wonderlijke redding. Het kan deze vreugde geven aan een mens die zo diep gezonken is en hem opheffen naar de hoogten van blijdschap en vreugde. En dat doet het. Het kan zelfs de ergste zondaar blij en gelukkig maken, omdat het hem zekerheid van kwijtschelding en vergeving geeft. De Enige Die kan kwijtschelden is God en, dank God, Hij doet dat! En God scheldt niet alleen kwijt, Hij kan mij ook laten weten dat Hij kwijtgescholden heeft. Dat te weten houdt in dat ellendige gevoel van schuld en frustratie te verliezen. Niemand anders kan dat doen, maar God kan het. Dus, hoewel ik misschien gezonken ben naar de uiterste diepten van zonde en verloedering, Hij kan maken dat ik mij verblijd in Zijn grote redding.
Natuurlijk doet Hij dat dan door mij een nieuwe natuur en een gevoel van een nieuwe start en een nieuw begin te geven. Geen mens kan werkelijk blij en gelukkig zijn, als hij ervaart dat hij de rest van zijn leven op precies dezelfde manier moet doorbrengen als hij eerst was, omdat hij als volgt redeneert. Hij zegt: “Het spijt mij dat ik dat deed en toch ga ik door met hetzelfde weer te doen. O, ellendig mens dat ik ben, in wat voor een miserabel bestaan zit ik!” Maar hier is een aanbieding van een nieuwe natuur, een nieuwe start en een nieuw begin. Dat is het evangelie van Jezus Christus. Hij biedt aan ons opnieuw te scheppen, ons te maken tot nieuwe mensen met de Goddelijke natuur in ons en wij krijgen een nieuwe start in het leven. Dat niet alleen, maar dat doet op zijn beurt een mens ervaren dat bevrijding werkelijk mogelijk is. “Ik heb U nodig, elk uur, elk ogenblik,” zegt de Christen, “blijft Gij nabij.” Waarom? “Verleidingen verliezen hun kracht, wanneer Gij nabij zijt.” Ik begin te ervaren dat Hij bij mij is en Hij is sterker dan de duivel. Hij heeft de duivel overwonnen en Hij kan mij in staat stellen te overwinnen.
Een andere manier waarop Hij mij in staat stelt blij te zijn en mij te verheugen is dat Hij mij in staat stelt mijn miserabele, ellendige ‘ik’ te vergeten. Dat is een van de wonderlijkste dingen van alle. Ziet u, hier is een man als David en hij heeft deze dingen gedaan. Nu, als een man zoals hij naar zichzelf begint te kijken, zal hij in diepten van wanhoop terecht komen, maar wanneer God ons op Christus doet zien, laat Hij ons zien op Zijn liefde, barmhartigheid en genade. Als u dat doet, raakt u het ‘ik’ kwijt, u vergeet uzelf – dat is de enige manier die ik ken, om het ‘ik’ te vergeten. De weg om gelukkig te worden overeenkomstig het evangelie is te zien naar de Here Jezus Christus. U ziet dat de Zoon van God uit de hemel naar deze wereld toe kwam om te sterven voor uw zonden. U ziet Hem daar, door geloof, in de heerlijkheid, terwijl Hij op u neerziet, wachtend totdat Hij Zijn grote licht, macht en kracht over u kan uitstorten. En als u denkt aan Zijn liefde en erbarmen vergeet u uzelf en de zonde en begint u blij te worden en Hem te prijzen. U hebt de blijdschap van Zijn grote redding. Zo wordt het gedaan. Kent u de blijdschap van Gods redding? Weet u wat het is om u te verheugen in de Here, om blij te zijn in Christus?
Een tweede kenmerk van de Christen is altijd dit: een diep wantrouwen van het ‘ik’ en een besef van de kracht van God. Luister naar David. Hij heeft al gezegd: “Schep mij een rein hart o God,  . . .  en vernieuw in mijn binnenste een vaste geest.” In de kantlijn van de Reversed Version wordt het op deze manier weergegeven: “Vernieuw een vaste geest in mij.” U ziet dat hij zich bewust van zijn eigen onstandvastigheid. Terecht voelde David zich zo. Hij was een mens die Gods zegen had ervaren en hij had de vreugde van de Here gekend; toch was hij in deze vreselijke zonden gevallen. Dus roept hij om deze vernieuwing en om deze betrouwbare geest in zijn binnenste. Ik maak me sterk dat iedere Christen weet wat dit betekent. Een Christen is geen mens die op zichzelf vertrouwt. Alleen de Christen kent zijn eigen zwakheid. Je moet er Christen voor zijn om de zwartheid van het eigen hart en de broosheid van de eigen natuur te zien. Het spijt me om te moeten zeggen dat er een type Christen is, dat zich gedraagt alsof hij alles kan. Hij heeft een ervaring van bekering gehad en nu is hij er klaar voor om op te trekken tegen de hel, de duivel en alles. Arme kerel, hij zal niet ver gekomen zijn, voordat hij dat gevoel van vertrouwen verliest. “Daarom, wie meent te staan,” zei de apostel tot zulke mensen, “zie toe, dat hij niet valle.” (1 Corinthiërs 10:12). Nee, de Christen is een mens die zijn eigen zwakheid kent en hij is er bang voor. Dus bidt hij om een vaste geest, een betrouwbare geest. Hij wil een gezond mens zijn.
Wat nog meer? Hier is het volgende – “Hergeef mij de blijdschap over Uw heil, en ondersteun mij” (KJV). “Ondersteun mij – ik kan mijzelf niet overeind houden”, zegt hij. “Houdt u mij overeind, ik ben broos en zwak en de wereld is donker en zondig. Ik word omringd door verleiding, insinuaties en suggesties tot zonde. Ik ben bang dat ik zal vallen. Houdt U mij overeind.” Dat is de Christen – een mens die beseft dat, tenzij God hem overeind houdt, hij zeker zal vallen. En het laatste wat hij hier uitspreekt is dit – “Hergeef mij de blijdschap over Uw heil; en ondersteun mij”, zegt de King James, “met Uw vrije geest.” Men is het er over eens dat dat een verkeerde vertaling is; als volgt is het beter: “ondersteun mij met een bereidwillige geest.” Met andere woorden, waar hij om bidt is dit: “Ik vraag U dat U mij vervult met een gewillige geest, zodat ik altijd bereidwillig zal reageren op elk verzoek dat U mij doet. Ik wil gewillig zijn om op de weg van Uw geboden te lopen, dus hergeef mij deze blijdschap over Uw redding en houdt U mij overeind met een gewillige en vaste geest.” En natuurlijk weet de Christen dat alles alleen maar mogelijk is op één manier, de manier die David al heeft uitgesproken met de woorden: “ Verwerp mij niet van Uw aangezicht, en neem Uw Heilige Geest niet van mij.” Dat was zijn grootste angst van alle, dat God hem vanwege zijn zonde de rug zou toekeren. “Doe dat niet,” roept David, “verwerp mij niet van Uw aangezicht, neem Uw Heilige Geest niet van mij.” Met andere woorden, de Christen beseft dat, aangezien hij stabiliteit in zijn leven nodig heeft, aangezien hij het nodig heeft overeind gehouden te worden en aangezien hij deze gewillige geest nodig heeft, daarop slechts één antwoord is en dat is het antwoord van de gave van de Heilige Geest. En, dank God, dat is het antwoord van het Nieuwtestamentische evangelie. God plaatst Zijn Geest in ons en de Geest van God kan ons stabiel maken; Hij kan ons overeind houden; Hij kan ons deze gewilligheid, deze bereidheid geven om te wandelen op de weg van Gods geboden. Het vertrouwen van de Christen ligt nooit in zichzelf; het ligt in de kracht van de Heilige Geest, welke God in Christus en door Christus hem gegeven heeft.
Het laatste wat ik zou willen noemen is dit. Het laatste kenmerk van een Christen is dat hij nu verlangt tot de eer van God te leven en hij wil dolgraag dat alle anderen hetzelfde doen. Luister naar David in vers 15 – 17: “Dan zal ik overtreders Uw wegen leren, opdat zondaars zich tot U bekeren. Red mij van bloedschuld, o God, God mijns heils, laat mijn tong over Uw gerechtigheid jubelen; Here, open mijn lippen, opdat mijn mond Uw lof verkondige.” Hierbij hoef ik niet stil te staan. Ieder mens die beseft dat God in Zijn genade hem zijn zonde heeft vergeven, zijn overtredingen heeft uitgedelgd en hem gereinigd en gewassen heeft, ieder mens die beseft hoe vuil hij is geweest en hoe wonderlijk deze genade en dit leven van God zijn – ieder mens die dat heeft beseft en werkelijk ondervonden, moet noodzakelijkerwijs vinden dat er slechts één ding te doen valt in dit leven en in deze wereld en dat is leven tot de eer van God. Als een mens dat niet ervaart is hij verachtelijk. Als ik hier sta en zeg dat ik geloof dat God Zijn eniggeboren Zoon naar dat wrede kruis op Golgotha stuurde om voor mijn zonden te sterven, dat God mij zozeer heeft liefgehad dat Hij dat voor mij gedaan heeft – als ik dat zeg en ik wil niet voor de eer en glorie van God leven, dan zeg ik dat ik de meest ondankbare ellendeling ben die de wereld ooit heeft gezien. Over deze dingen hoeft niet geargumenteerd te worden. Als een mens u een vriendelijke daad bewijst, ervaart u een gevoel van dankbaarheid jegens hem en u zegt: “Kijk eens, is er iets dat ik voor u kan doen? Als u zich ooit in een moeilijke situatie bevindt, laat het mij weten. Ik vind dat ik u zoveel verschuldigd ben; laat me doen voor u wat ik kan.” En hier is de heilige God, Die ons onze vuile zonden heeft vergeven, zelfs ten koste van het vergoten bloed van Zijn Zoon! Er zou geen oproep aan de mensen nodig moeten zijn om heilig te zijn: het zou genoeg moeten zijn om hen te vertellen wat God heeft gedaan en het dan aan hun gevoel van eer over te laten.
“O God,” zegt David, “hergeef mij de blijdschap over Uw heil en laat een gewillige geest mij schragen. Dan”, onvermijdelijk, “zal ik overtreders Uw wegen leren, opdat zondaren zich tot U bekeren.” Ik zal mijn tijd besteden, zegt hij, aan het rondvertellen van Uw lof, aan het dienen van Uw heerlijkheid. Ik zal anderen overtuigen tot U te komen; ik zal naar hen kijken met andere ogen. Ik zal hen zien zoals ik zelf geweest ben, het missen van het grootste en het wonderlijkste in het leven, en ik zal tot hen zeggen: “Kom tot God, zie uw zonde onder ogen, geloof in Hem en u zult deze verbazingwekkende vreugde krijgen, deze ondersteuning en kracht en alles wat u nodig hebt.” “Dan”- en het is dit “dan” zeg ik, dat onvermijdelijk is in ieder waar Christen. Met andere woorden, een Christen is iemand die de waarheid over zichzelf beseft en die zoveel van God heeft ontvangen dat hij wil dat ieder ander hetzelfde heeft. Het is als iemand die misschien jarenlang aan een of andere kwaal of ziekte heeft geleden, die alle artsen uit het eigen land en uit andere landen heeft geprobeerd en geen genezing heeft gevonden, en tenslotte stuit hij op een geneesmiddel en vindt hij verlichting en bevrijding. Wat verlangt die man? Hij wil dat alle andere lijders aan dezelfde ziekte weet krijgen van zijn genezing. Hij vindt dat hij hen dat verschuldigd is. Hij ziet een soortgelijk geval en hij zegt: “Hebt u dit geprobeerd? Het heeft wonderen in mij bewerkt. O, dat zou u moeten proberen en beter worden, net als ik.” En het is precies hetzelfde met elk waar Christen. De mens die Christen is, spijt het voor degenen, die in zonde leven. Het spijt hem voor deze ongelukkige wereld, die probeert vreugde te vinden en het nooit krijgt, die probeert water te putten uit een gebroken waterbak en nooit voldoening vindt. Hij ziet mensen steeds dichter bij de dood en het einde, bij het oordeel en het uiteindelijke verderf komen, en hij voelt zich ongelukkig om hen. Hij ziet hen verblind door satan, terwijl zij het meest glorievolle van alles missen en hij wil dat zij het leren kennen. Dus nu hij het zelf heeft gekregen, doet hij zijn uiterste best, opdat anderen het ook mogen krijgen.
Zo hebben we samen gekeken naar een aantal kenmerken van de Christen. Mijn vriend, ik heb het al gezegd en ik zeg het nog een keer, de allerbelangrijkste vraag ter wereld is juist deze. Bent u Christen? Kent u iets van deze blijdschap? Kent u iets van dit hoogste vertrouwen op de kracht van de Heilige Geest? Ervaart u dat u iets hebt, wat u graag wilt dat anderen dat hebben? Dat zijn een paar van de eenvoudige testen. Als u het hebt, moge God u dan blijven zegenen. Als u het niet hebt, als u vindt dat deze eenvoudige testen u hebben veroordeeld en als u ervaart, dat u helemaal geen Christen bent, dan is alles wat ik zeg dit: Ga het aan God belijden. Verlies geen ogenblik. Vertel Hem dat u uzelf aan het misleiden bent geweest, dat u beseft dat u geen Christen bent. Vertel Hem dat u Christen wilt worden, vraag Hem u te verlichten door Zijn Heilige Geest. Zo eenvoudig is het – belijd uw zonde, erken uw overtreding en vraag Hem om deze vergeving in Christus en u zult het ontvangen. Dank Hem dan en ga over Hem vertellen aan anderen die in dezelfde duisternis en ellende zitten. Amen.