III. Waar is de eerbied voor God?                                >>PDF<<

A. Inleiding:
“Een zoon eert zijn vader en een knecht zijn heer. Indien Ik nu een vader ben, waar is de eerbied voor Mij? en indien Ik een heer ben, waar is de vrees voor Mij? zegt de HERE der heerscharen . .”
Maleachi 1:6.
Dit lijkt op het eerste gezicht een mooie tekst om een preek over te houden. Inderdaad is de eerbied voor God van het grootste belang. Driemaal treffen we in de Bijbel de tekst aan: “De vreze des HEREN is het begin der wijsheid.” Hoe zullen we überhaupt ooit tot enige kennis komen, als we geen diepe eerbied hebben voor de almachtige Schepper van hemel en aarde. En hoe zullen we ooit een functionerend geweten hebben als we geen vrees hebben voor de Rechter, voor Wie wij allemaal eens zullen moeten verschijnen. Eerbied voor God is van het grootste belang. Dit is ongetwijfeld een tekst die uitnodigt tot een preek. . . . Wacht even! De zin van de profeet Maleachi is nog niet af. Hij heeft nog niet gezegd tot wie de HERE der heerscharen spreekt. Het eind van de zin luidt: “. . zegt de HERE der heerscharen tot u, o priesters, die Mijn naam veracht.” Juist de priesters wordt een totaal gebrek aan eerbied voor God verweten. Zij, die pretenderen deskundig te zijn wat betreft God, juist zij hebben geen eerbied voor God. In plaats van dat zij een voorbeeldfunctie vervullen voor het gewone volk en een diep ontzag voor God zichtbaar wordt in hun woorden en daden, is het tegenovergestelde het geval.
Het ligt in de aard van priesters – deskundig als zij zijn – om meteen in discussie te gaan. Dat lezen we ook in dit Bijbelgedeelte. “En dan zegt gij: Waarmee verachten wij Uw naam?” De volgende verzen laten zien dat de priesters de dienst aan God bagatelliseerden en het volk de ruimte gaven om met hun offers te sjoemelen. Er werden geroofde, kreupele en zieke dieren ten offer gebracht (vers 13). En de priesters lieten dat allemaal gebeuren zonder in te grijpen. Hoe hopeloos is de geestelijke toestand van een volk als degenen die aan de mensen moeten uitleggen Wie God is, zelf geen idee hebben van de heiligheid van God. Dit is het onderwerp dat we hier gaan bespreken, want de profetie van Maleachi is in hoge mate actueel wat betreft de theologen van onze tijd. Er valt namelijk zowel bij vrijzinnige als bij orthodoxe theologen een groot gebrek aan eerbied voor God en Zijn Woord te constateren.

B. De vruchten van de theologie.
     Eerst iets in het algemeen. De details komen later. Laten we beginnen met na te gaan wat de vruchten van de theologie zijn. “Aan hun vruchten zult gij hen kennen” (Mattheüs 7:16). Als we naar de laatste 200 jaar hier in Nederland kijken, dan zijn er veel negatieve dingen te melden. Het zijn steeds weer de theologen geweest, die voorop gegaan zijn bij het omturnen van een orthodoxe kerk in een vrijzinnige kerk. Dat is in de negentiende eeuw gebeurd in de Nederlands Hervormde Kerk; dat gebeurde in de zestiger jaren in de Gereformeerde Kerken en dat gebeurt op het ogenblik in de Nederlands Gereformeerde kerken en de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt. In de regel begint het met het ter discussie stellen van Genesis 1, 2 en 3. Na verloop van tijd worden er vraagtekens geplaatst bij de verzoening. Daarna gaat het hard en blijft er weinig christelijks meer over.
Het zijn ook theologen geweest, die voor bepaalde, onnodige scheuringen hebben gezorgd. Soms ging het om kleine theologische geschillen, die nauwelijks leefden bij de gewone kerkmensen, maar de theologen maakten er onderling zo’n stampij over dat hun geruzie resulteerde in een kerkscheuring. Die liep vaak dwars door gezinnen heen.
De hierboven genoemde vruchten van de theologie geven duidelijk aan, dat er iets fundamenteel fout zit. Als alleen al de afgelopen 200 jaar de theologen niet de baas waren geweest, dan hadden we nu veel minder ellende gehad. Spurgeon verzuchtte in zijn tijd: “Als het volk maar aan het woord kon komen, zodat het gehoord werd, dan zouden we nog niet de helft van de ketterij hebben die nu het huis van God bezoedelt.”
De verantwoordelijkheid voor het falen dat hierboven beschreven is, wordt door de theologen ontkend. Als we op hun leer en leven letten, blijken zij nog steeds de pretentie te hebben deskundig te zijn wat betreft de Bijbel en wat betreft God. Alle reden voor een nader onderzoek. We maken bij de verdere bespreking een onderscheid tussen vrijzinnige en orthodoxe theologen.

C. Vrijzinnige theologen hebben geen eerbied voor God en voor de Bijbel.
     Veel mensen zullen toegeven dat deze aanklacht klopt. Vrijzinnige theologen hebben nooit een geheim gemaakt van hun gebrek aan eerbied voor God en voor de Bijbel. Soms zou je bij hen haast van een soort missionaire ijver kunnen spreken, als je het enthousiasme ziet waarmee zij hun twijfels publiekelijk verkondigen. Het heeft weinig zin om hier de “God is dood – theologie” te bespreken of om het rapport “God met ons” aan de orde te stellen. Laten we het ook maar niet hebben over dominee Hendrikse, die binnen de kerk ongehinderd zijn atheïstische stelling dat God niet bestaat, kan rondbazuinen. De menselijke hoogmoed en de opstand van de mens tegen God zijn in deze gevallen op grote afstand zichtbaar. Iedere radioluisteraar wordt van tijd tot tijd geconfronteerd met dezelfde geest als de NCRV haar geloof belijdt door middel van het reclameblokje: “Ik geloof. . . ik geloof. . . .ik geloof. . . .  ik geloof in mensen.” Hoezo Nederlandse Christelijke Radio Vereniging?
Het ontbreken van eerbied voor God en Zijn Woord heeft vreselijke gevolgen. Een vrijzinnig christendom maakt een karikatuur van het echte geloof in Jezus Christus. Wat is immers de inhoud van het Christelijke geloof? Dat is heel eenvoudig de redding van de zondaar door het volbrachte werk van Jezus Christus, de Zoon van God. Wat voor evangelie brengt een vrijzinnig predikant nog, als hij de schepping loochent, de zondeval ontkent en Christus afwijst als Verlosser? Wat voor hoop kan hij mensen bieden als hij de opstanding van Jezus Christus uit de doden een mythe noemt die nooit feitelijk in deze werkelijkheid heeft plaatsgevonden? Het preken van zo iemand ontaardt in geleuter dat kant noch wal raakt. Mensen worden in totale verwarring gebracht. Het is een schande voor God, Die Zich juist wil openbaren aan mensen.
Er is helaas geen mogelijkheid om met hen in gesprek te gaan met de Bijbel als basis, omdat zij niet bereid zijn zich aan de Bijbel te onderwerpen. Daarom bespreken we de vrijzinnige theologen verder niet en houden we ons in dit document alleen nog bezig met hen die belijden zich te onderwerpen aan het gezag van de Bijbel.

D. Orthodoxe theologen hebben eveneens geen eerbied voor God en voor de Bijbel.
    Orthodoxe theologen doen hun uiterste best de indruk te wekken veel eerbied te hebben voor God en voor de Bijbel. Er zijn er velen die “Here” als “Heere” schrijven omdat uit die spelling volgens hen meer eerbied spreekt. Verder dien je volgens een grote groep van dit soort theologen uit eerbied voor de Bijbel gebruik te maken van de Statenvertaling. Het maakt hen niet uit dat daarin veel in onbruik geraakte woorden te vinden zijn. Overigens zijn op dit punt inmiddels gradaties ontstaan. De Herziene Statenvertaling is volgens sommigen niet zo eerbiedig als de Statenvertaling die wordt uitgegeven door de Gereformeerde Bijbelstichting. Maar hoe zit het met hun werkelijke eerbiediging van dat Woord van God? Gehoorzamen zij de Bijbel? De zaak is zeer ernstig. We zullen hun gehoorzaamheid aan de Bijbel toetsen aan de hand van de wijze, waarop zij de vijf Sola’s van de Reformatie invullen. Is die conform de Bijbel, of verzinnen zij er zelf van alles bij?

*        Sola Scriptura. Alleen de Schrift.
Het klinkt goed, maar de praktijk is anders. Er wordt naast de Bijbel gezag toegekend aan mensenwerk. Heel vaak kom je de uitdrukking “Schrift en Belijdenis” tegen. In orthodox protestantse kerken wordt van dominees, kerkenraadsleden etc., verwacht dat zij naast de Bijbel ook de Drie Formulieren van Enigheid ondertekenen. Dit is bijzonder aanmatigend. God heeft de Bijbel als gezaghebbende openbaring gegeven. De Heilige Geest is de Auteur van de Heilige Schrift. Als iemand gezag toekent aan iets naast de Bijbel, dan geeft hij of zij indirect daarmee aan dat de Heilige Geest Zijn werk niet goed heeft gedaan. In de ogen van zo iemand zou Hij niet volledig of niet duidelijk genoeg zijn geweest. Dit is een belediging van de Heilige Geest en een enorm gebrek aan eerbied voor de Drie-enige God!
Sola Scriptura! Alleen de Schrift! Maar dan ook alléén de Schrift!!

*        Sola Gratia. Alleen door Genade.
Orthodox protestantse theologen leren vervalsingen van de genade. We bespreken hier twee van die vervalsingen:
1. Men is er in de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt steeds van uit gegaan, dat iemand de genade erft van zijn of haar ouders. Natuurlijk zal zo’n geërfde genade in alle toonaarden door Gereformeerd vrijgemaakte theologen en dominees ontkend worden, maar de statistieken van de afgelopen 70 jaar tonen aan dat vanaf het ontstaan van deze denominatie dit de dagelijkse kerkelijke praktijk is. Immers, van een werkelijke oproep tot persoonlijke bekering is geen sprake geweest. Het ledental groeide door geboorteaanwas. Genade die men kan erven is niet geestelijk, maar naar het vlees en dus helemaal geen genade (Johannes 1:13, Johannes 3: 6).
2. In de bevindelijke kerken draagt de belijdenis “Sola Gratia” ontstellend weinig vrucht. Onlangs nog hoorden we van een gemeente waar slechts dertien van de achthonderd leden aan het Avondmaal gaan. De oorzaak hiervan is de hypercalvinistische vervalsing van de genade. Deze dwaalleer komt via Calvijn en Augustinus bij het neoplatonisme van Plotinus (± 204 – 270) vandaan. Het neoplatonisme heeft mystieke elementen in zich, die lijken op het boeddhisme. Er is een zich uit de werkelijkheid terugtrekkende, passieve gevoelshouding, die aan de buitenkant erg nederig lijkt, maar achter de schermen heeft een sterk ego de regie. Het is intriest dat vanwege dit neoplatonisme Augustinus nooit Gods genade in Jezus Christus ervaren heeft. Hij zag niet in dat zonde vijandschap jegens God is, maar hij omschreef het als een gebrek aan “zijn”. Hoe zal zo iemand dan weten wat genade is? Op zijn sterfbed gaf Augustinus nog de raad, dat ieder mens – al is hij ook geestelijke – maar beter kan sterven in een toestand van boetedoening. Dat komt neer op vertrouwen op eigen werken. De laatste tien dagen van zijn leven lag Augustinus veel te huilen. Op de muur naast het bed had hij de tekst van boetepsalmen laten bevestigen. Romeinen 5:1 was helaas geen werkelijkheid voor hem. Daar staat: “Wij dan, gerechtvaardigd door het geloof, hebben vrede met God door onze Here Jezus Christus.”
De ruimte ontbreekt hier om uitgebreid op de zaak in te gaan. Vanwege het grote belang geven we voor de duidelijkheid een korte samenvatting. Op bijna elke bladzij van de Bijbel lezen we iets over het soevereine handelen en de verkiezing van God. Wie de uitverkiezing loochent, kan net zo goed zijn hele Bijbel dichtdoen. Aan de andere kant klinkt er in de Bijbel ook dikwijls de oproep: “Bekeert u!” Die oproep tot bekering wordt wel degelijk gegeven met de bedoeling dat de mens zelf daarop reageert. Wie er iets anders in ziet, maakt van God Iemand, Die dingen zegt, die Hij niet meent. Voor de geestelijke mens (Johannes 3:3; 1 Corinthiërs 2:12-15) ligt er in de soevereiniteit van God geen tegenstelling tussen het handelen van God en het handelen van de mens. Het probleem komt niet bij hem op. Een drenkeling, die net door mensen van de reddingsbrigade van een verdrinkingsdood is gered, is alleen maar ontzettend dankbaar, dat hij nu door hun ingrijpen veilig op de kant staat. Zo weet ook een pasbekeerde zich een geredde zondaar en zijn hart en mond stroomt over van dankbaarheid jegens Zijn Redder, Jezus Christus. Elke suggestie dat zijn redding ook maar in het geringste van hemzelf afhing, werpt hij verontwaardigd van zich, want hij weet dat  hij in dat geval voor eeuwig verdoemd zou zijn. Daarom komt dit probleem omtrent het verband tussen de rol van God en de rol van de mens nergens in de Bijbel aan de orde. Het is geen probleem. Zie b.v. Johannes 1. In vs 44 staat: “Jezus vond Filippus.” In vs 46 zegt Filippus tegen Nathanaël: “Wij hebben Hem gevonden . . ” Nog een voorbeeld uit de gelijkenis van de verloren zoon welke de Here Jezus vertelde (Lucas 15). In vs 18 zegt de verloren zoon: “Ik zal opstaan en naar mijn vader gaan.” En hij doet het. In vs 32 zegt de vader: “Uw broeder hier was dood en is levend geworden, hij was verloren en is gevonden.” Dat is het handelen van God. Zowel Pelagius als Augustinus hebben geprobeerd op ongeestelijke, menselijke wijze door filosofisch redeneren de rol van God en de rol van de mens af te bakenen om op die manier grip te krijgen op de genade van God. Dat kan nooit! Iets wat de mens uiteindelijk zelf kan pakken (Pelagius) is geen genade meer, al zit dat etiket erop. Zo’n genade kun je volgens Spurgeon net zo goed ‘mosterd’ noemen. De mens kan het ook niet afdwingen door zich heel erg passief op te stellen (Augustinus). Zo’n nederige hoogmoed is net zo eigenzinnig en is helemaal niet Bijbels, maar heeft een heidense oorsprong. Het leidt tot volslagen duisternis, hetgeen dus jammer genoeg ook te zien was in het leven van Augustinus. Het is belangrijk te onthouden dat de oorsprong van de splijtzwam arminianisme – calvinisme niet in de Bijbel gevonden wordt, maar dat het een menselijk, filosofisch probleem is, welke tot op de dag van vandaag door de duivel wordt gebruikt om een Bijbelse verkondiging van het evangelie te dwarsbomen. Zowel aan Arminianen en mensen die b.v. de ‘vier geestelijke wetten’ onderwijzen of een soort cursus aanbieden om tot geloofszekerheid te komen, als ook aan ‘bevindelijken’ en hypercalvinisten dient vanuit de Bijbel het getuigenis gegeven te worden dat zij niet de genade van God kennen. Zo’n getuigenis naar beide partijen toe vinden we o.a. in de preken van Spurgeon.
Sola Gratia! Alleen door Genade! Maar dan moet het wel de soevereine genade van God zijn, zoals we daarover in de Bijbel lezen en niet vervalsingen ervan.

*        Sola Fide. Alleen door Geloof.
Het geloof van het “Sola Fide” van de orthodoxe theologen is fundamenteel anders dan het geloof, waarover we in de Bijbel lezen. Voor hen houdt geloof in: instemmen met de orthodoxe dogma’s. Wie ja zegt op de hele leer van de kerk wordt als gelovige beschouwd en behandeld. In de Bijbel is geloof: God geheel en al gaan vertrouwen in Zijn Zoon Jezus Christus en Hem verder in geloof gehoorzamen. Paulus verkondigde het evangelie aan de heidenen, opdat “zij met berouw zich zouden bekeren tot God en werken doen, met hun berouw in overeenstemming” (Handelingen 26:20). Hij heeft het in Romeinen 1:5 over “het bewerken van de gehoorzaamheid des geloofs (d.w.z. ‘de gelovige gehoorzaamheid’)”. Abraham hoorde Gods stem. Hij geloofde en gehoorzaamde. Hij ging uit zijn land en familie weg naar het land dat God hem zou wijzen. In gehoorzaam geloof ging hij ook met zijn zoon Izaäk naar de berg Moria om hem te offeren. Jacobus schreef dat door dit te doen zijn geloof “volkomen”, “voltooid” werd (Jacobus 2). Door zijn gehoorzaam geloof is Abraham de vader van alle gelovigen geworden.
Een geloof dat geen concrete daden van gehoorzaamheid voortbrengt en dat niet bestaat uit een wandelen in geloof (2 Corinthiërs 5:7), wordt door Jacobus een dood geloof genoemd (Jacobus 2:26). De werken van het gehoorzaam, gelovig volgen van Jezus Christus zijn bij de orthodoxe theologen niet te zien. Dan zouden ze in de allereerste plaats concreet Jezus Christus hebben gevolgd en niet hun eigen kerkgenootschap. Zie hiervoor ook het volgende punt.
Sola Fide! Alleen door geloof! Maar dan wel door een levend geloof dat zich uit in het gehoorzaam volgen van Jezus Christus en niet door een dood geloof in dogma’s.

*        Solus Christus. Alleen Christus.
Op dit punt is het ongeveer 1750 jaar geleden al misgegaan. Rond 250 heeft Cyprianus de kerk een rol toebedeeld die onbijbels is. Twee van zijn stellingen waren: “Iemand kan niet langer God als zijn Vader hebben, als hij de kerk niet als zijn moeder heeft.” En “Er is buiten de kerk geen redding.” Calvijn heeft deze stellingen in zijn Institutie verdedigd (IV,1,1 en 4). Helaas! De enige taak die Jezus Christus aan Zijn gemeente heeft gegeven is: van Hem getuigen (Lucas 21:13, Handelingen 1:8), niet om genade uit te delen. Jezus Christus is op dit moment de levende HEER. Ieder mens die in deze 21ste eeuw vanuit een berouwvol, oprecht hart Hem aanroept, wordt door Hem gered (Handelingen 2:21, Romeinen 10:13). “Daarom kan Hij ook volkomen behouden, wie door Hem tot God gaan, daar Hij altijd leeft om voor hen te pleiten” (Hebreeën 7:25). Jezus Christus heeft Zijn gemeente alleen de opdracht gegeven Zijn woorden te spreken (Romeinen 10: 14,15). Hij Zelf zegt: “Ik ben de Weg de Waarheid en het Leven. Niemand komt tot de Vader dan door Mij” (Johannes 14:6). Jezus Christus is de enige Weg en ook héél de Weg. Over geen enkel stukje van die Weg kan de kerk de baas spelen. Zij deelt de genade niet uit. Dat doet Christus Zelf. Zo staat het in de Bijbel.
Maar hoe zit het bij de orthodox protestantse theologen? Zij belijden allemaal eendrachtig in de algemene christelijke kerk te geloven (Ned. Gel. Bel. Art 27) en achten het de plicht van ieder Christen zich bij de ware kerk te voegen (zie art 28). Daar houdt de eendracht op. Per denominatie krijgt iedere orthodoxe godgeleerde na afloop van zijn speurtocht naar de “ware kerk” aan de hand van artikel 29 een andere kerk in het vizier. Hier gaat fundamenteel iets mis. Op de één of andere manier beschouwt elk van die denominaties zichzelf als de enige, echt Bijbelse uitdeelster of doorgeefster van de genade door Jezus Christus. Ergens in die keten speelt nog steeds de kerk een rol, vinden deze theologen. Anders zouden ze niet zo ijverig hun eigen denominatie in stand proberen te houden. Dit is on-Bijbels en nog een overblijfsel van de Roomse kerk. Het gaat lijnrecht in tegen hun belijdenis “Christus alleen”. Overigens, de toekomst van Gods Koninkrijk hier op aarde is niet afhankelijk van een kerkgenootschap. Dat zou vreselijk zijn. Er ligt een ander vast fundament. Gods Woord houdt eeuwig stand (Jesaja 40:8). De Bijbel is er nog steeds en zal er altijd blijven. En de Heilige Geest, Die werd uitgestort op de eerste Pinksterdag, is nog steeds niet teruggekeerd naar de hemel. Jezus Christus is zo met ons tot aan de voleinding der wereld. Dat is het fundament. Zoals Gods Geest bij machte is geweest na de donkere Middeleeuwen een Luther op te wekken, zo kan Hij dat nog vaker doen met soortgelijke dienstknechten van God.
Er is nog iets. Orthodoxe theologen zullen belijden dat Christus nu het Hoofd van Zijn gemeente is. Maar aan die belijdenis wordt in de praktijk geen enkele invulling gegeven. Een ieder van hen doet wat goed is in eigen oog. Men beschuldigt de paus ervan dat hij optreedt als plaatsvervanger van Christus en de regie naar zich toegetrokken heeft, maar hoe zit het met de rol van de synodes, die aan het hoofd staan van de diverse orthodoxe kerken? Men kan moeilijk volhouden dat Christus daar de regie heeft, want dan waren er al heel veel goede dingen gebeurd, waaronder het ontstaan van een zichtbare eenheid, die gekenmerkt werd door onderlinge liefde. Zie Johannes 17.
Solus Christus! Alleen Christus! Niet slechts in het verleden tijdens Zijn werk als Verlosser hier op aarde, maar ook als de Redder, Die nu in deze tijd alleen redt zonder tussenkomst van een menselijk instituut. Hij behoort ook alleen de regie te hebben onder Zijn volgelingen.

*        Soli Deo Gloria. Alleen eer aan God.
De opstellers van deze leus bedoelden hiermee te zeggen: alleen eerbetoon aan God. Dus geen eerbetoon aan priesters, of kardinalen, of Maria, of de heiligen, of de paus. Dit is Bijbels. Jezus Christus heeft Zijn discipelen geboden zich niet te laten aanspreken met de titel ‘rabbi’ (meester), of ‘vader’, of ‘leidsman’. Waarom niet? “Gij zijt allen broeders,” zei Jezus. Het hoogste geestelijke niveau wat een Christen in dit leven kan bereiken, is dat van een geredde zondaar, die dagelijks Gods genade nodig heeft. Daarom is het absurd als de ene geredde zondaar eerbetoon verwacht van een andere geredde zondaar. Toch gebeurt dit in de orthodox protestantse kerken. Daar spreekt men de leider van een plaatselijke gemeente aan met “dominee”. Dat betekent “Heer”. Dit vragen om eerbetoon zit impliciet al opgesloten in de wijze waarop veel dominees zich kleden. Ze lopen rond in zwarte pakken. Of ze staan op de preekstoel in een zwart pak of in een toga. Zoiets gaat lijnrecht tegen de Bijbel in. In de tijd van de Here Jezus liepen de geestelijken “in lange gewaden” (Marcus 12:38). Speciale kledij voor de geestelijkheid is een aanduiding van een menselijke religie. Je ziet dat ook bij de moellahs en de ayatollahs in de Islam en bij de pastoors, de priesters, de bisschoppen, de kardinalen en de paus in de Rooms-katholieke kerk.
Er zijn ook orthodoxe mensen die denken met de titel “doctor in de godgeleerdheid” meer te kunnen betekenen in het Koninkrijk van God. Het omgekeerde is waar. Jezus heeft gezegd: “Hoe kunt gij tot geloof komen, gij, die eer van elkander behoeft (“aanneemt” griekse grondtekst) en de eer, die van de enige God komt, niet zoekt?” (Johannes 5:44). Dat betekent: “Hoe kunt u tot geloof komen, u die goedkeuring van elkaar aanneemt en de goedkeuring, die van de enige God komt, niet zoekt.” De titel “doctor” is een goedkeuring van mensen. Iemand behaalt zo’n titel door met behulp van woorden die “door menselijke wijsheid geleerd zijn” een academisch betoog te schrijven (vgl. 1 Corinthiërs 2:13). Zoiets werkt averechts in Gods Koninkrijk. De dingen van Gods Koninkrijk zijn voor wijzen en verstandigen verborgen, maar aan de kinderen geopenbaard (Lucas 10:21). Jezus ziet in het streven naar zo’n goedkeuring door mensen juist hardnekkig ongeloof!
Soli Deo Gloria! Alleen eer aan God! Niet als vrome dooddoener, maar heel concreet in de omgang met God en met elkaar.

Oordeel zelf, gelet op het bovenstaande, of orthodoxe theologen de Bijbel gehoorzamen, of dat zij onder een vrome dekmantel hun eigen gang gaan.
De zaak is nog uitgebreider. Er worden door de Bijbel belangrijke punten aan de orde gesteld, die niet aangenaam zijn voor deze kerkelijke geleerden. Daarom lezen ze de Bijbel selectief en doen verder alsof hun neus bloedt. We zullen vanuit de Bijbel een paar onderwerpen, die theologen maar wat graag uit de weg gaan, voor het voetlicht halen.

E. De Bijbel aan het woord.
     Laten we ons hierbij toch realiseren dat de Bijbel niet slechts een boek is met suggesties, waar we gebruik van kunnen maken als we met één of ander probleem zitten of wanneer we bezig zijn een nieuwe koers uit te zetten. De Bijbel is de normatieve, gezaghebbende openbaring van de Allerhoogste God. Als we ons niet onderwerpen aan dit Woord, dan zondigen wij. Het is niet aan ons om een aantal teksten te selecteren, waaraan we ons wel willen houden, en andere teksten maar te laten rusten. Gedeeltelijke gehoorzaamheid is totale ongehoorzaamheid, want het houdt in dat we zelf de regie in handen denken te kunnen houden, terwijl we juist als Christen de regie over ons leven moeten overdragen aan Jezus Christus. Dat is de betekenis van onszelf verloochenen, ons kruis op ons nemen en Jezus Christus navolgen (Lucas 9:23). Het is van het grootste belang om ons ernstig af te vragen of we wel leven, spreken en handelen overeenkomstig Gods Woord. De ongehoorzame koning Saul somde voor de profeet Samuël zijn vrome daden op en legde de verantwoordelijkheid voor zijn ongehoorzaamheid bij het volk, maar Samuel zei tegen hem: “Heeft de HERE evenzeer welgevallen aan brandoffers en slachtoffers als aan het horen naar des HEREN stem? Zie, gehoorzamen is beter dan slachtoffers, luisteren beter dan het vette der rammen. Voorwaar, weerspannigheid is zonde der toverij en ongezeggelijkheid is afgoderij en dienen van terafim (1 Samuël 15:22,23). Wordt het geen tijd, dat mensen die met de mond belijden zich te houden aan de hele Bijbel, voor Gods aangezicht zichzelf onderzoeken of zij Gods Woord ook op de volgende punten gehoorzamen?

*        De Bijbel over het begrip “Christen”:
“Indien iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf en neme zijn kruis op en volge Mij. Want ieder die zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen, maar ieder die zijn leven verloren heeft om Mijnentwil, die zal het vinden” (Mattheüs 16:24,25).
“Wat uit het vlees geboren is, is vlees, en wat uit de Geest geboren is, is geest” (Johannes 3:6).
“Gijlieden moet wederom (van bovenaf) geboren worden” (Johannes 3:7).
“. . trouwens, ook wij allen hebben vroeger daarin verkeerd, in de begeerten van ons vlees, handelende naar de wil van het vlees en van de gedachten, en wij waren van nature, evenzeer als de overigen, kinderen des toorns” (Efeziërs 2:2,3).

Dit zijn slechts een paar teksten die aangeven dat een mens niet als Christen geboren wordt. Er is een ingreep “van bovenaf” voor nodig om een gewoon natuurlijk mens tot Christen te maken. Een mens kan zo’n geboorte “van bovenaf” niet bewerkstelligen, niet bij zichzelf en niet bij anderen. Zo’n ommekeer komt ook niet als vanzelf. Het gaat juist tegen de menselijke aard in (Galaten 1:11).
Christen worden is bovendien niet een zaak van uiterlijkheden. Het raakt het fundament van het menselijke bestaan. Het houdt in het met berouw belijden van de eigen schuld (Handelingen 3:19, 26:20), het erkennen van het eigen onvermogen de geestelijke wet te houden (Romeinen 7:14) en het hartelijk vertrouwen op Jezus Christus (Johannes 3:16, 36; Handelingen 16:31). Nadat een mens Christen is geworden, is alles anders geworden. Hij leeft niet langer voor zichzelf maar voor Christus (2 Corinthiërs 5:15). Hij is een discipel van Hem geworden. De relatie met Jezus Christus komt bij hem op de allereerste plaats (Lucas 14: 26). Deze radicale omkeer is in het leven van ieder Christen na te gaan. Zie 2 Corinthiërs 13:5.
Naar onze overtuiging doen orthodoxe theologen hun oren dicht voor deze Bijbelse waarheid, omdat die het fundament onder hun kerk vandaan haalt. U hoeft geen groot statisticus te zijn om vast te stellen dat de afzonderlijke, orthodoxe kerkgenootschappen staan of vallen met de geboorteaanwas binnen hun eigen kerkmuren. Daarom worden er door hen theologische constructies gehanteerd die onbekeerde kerkleden voor compleet of gedeeltelijk Christen moeten laten doorgaan, b.v. het verbondsautomatisme en het uitwendige verbond, waar je door geboorte lid van wordt. In dit geheel vormt de kinderdoop een onmisbare schakel. Die moet dus op voorhand verdedigd worden, al zijn er geen Bijbelse argumenten te vinden. Er zijn in de loop der geschiedenis slechts theologische (!) constructies voor bedacht. Dit erkennen inmiddels ook sommige Gereformeerde dogmatici, b.v. O. Weber. Die theologische argumenten worden op gekunstelde wijze in de tekst van het Nieuwe Testament ‘gevonden’, niet door uitlegkunde maar door inlegkunde. Daarom is de huidige discussie over de vraag welke doop de Bijbel leert, de kinderdoop of de geloofsdoop, een schijndiscussie. De eigenlijke vraag, die aan de orde dient te komen, luidt: kan een kerk door haar doopceremonie een mens, klein of groot, tot Christen maken of tot iets wat daar op lijkt? Cyprianus en Augustinus zeiden vanuit de magische rituelen van het heidendom van hun tijd: “Ja.” In dat heidendom ligt dan ook de echte oorsprong van de kinderdoop. De Bijbel zegt nadrukkelijk: “Nee.” Alleen de Heilige Geest kan iemand wedergeboren doen worden en zo tot Christen maken. “Wat uit het vlees geboren is, is vlees, en wat uit de Geest geboren is, is geest” (Johannes 3:6). Over die echte geestelijke geboorte van bovenaf hebben mensen of een compleet menselijk instituut zoals de kerk geen enkele controle. Dus ook niet over wie er wel en wie er geen Christen is.

*        De Bijbel over de gemeente:
“Aldus staat er geschreven, dat de Christus moest lijden en ten derden dage opstaan uit de doden, en dat in Zijn naam moest gepredikt worden bekering tot vergeving der zonden aan alle volken, te beginnen bij Jeruzalem” (Lucas 24:46, 47).
“Gaat heen in de gehele wereld, verkondigt het evangelie aan de ganse schepping” (Marcus 16:15).
“Gelijk Gij Mij gezonden hebt in de wereld, heb ook Ik hen gezonden in de wereld” (Johannes 17:18).
“Vrede zij u! Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook u” (Johannes 20:21).

Het leven van Jezus Christus hier op aarde werd bepaald door het feit, dat Hij gezonden werd door God de Vader. Tegenover Pilatus getuigde Jezus Christus van Zijn zending met de volgende woorden: “Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld; indien Mijn Koninkrijk van deze wereld geweest was, zouden Mijn dienaars gestreden hebben, opdat Ik niet aan de Joden zou worden overgeleverd; nu echter is Mijn Koninkrijk niet van hier. Pilatus dan zeide tot Hem: Zijt Gij dus toch een koning? Jezus antwoordde: Gij zegt, dat Ik koning ben. Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik voor de waarheid zou getuigen; een ieder, die uit de waarheid is, hoort naar Mijn stem” (Johannes 18 : 36, 37).
Op soortgelijke wijze als Jezus Christus werd gezonden door de Vader, wordt op haar beurt de gemeente gezonden door Jezus Christus (Johannes 17:18, Johannes 20:21). Hierbij vallen in verband met het bovenstaande twee dingen op:
1. Jezus Christus is niet gekomen om in welke vorm dan ook aardse macht uit te oefenen. Dit behoort ook de gemeente te schuwen. Op geen enkele wijze hebben Christenen de taak één of ander Christelijk rijk te stichten. Het Koninkrijk van Christus is ook op dit moment nog niet van deze wereld (Lucas 19:11; Handelingen 1:6,7; 1 Corinthiërs 15:50).
2. De enige taak die de gemeente heeft is getuigen voor de waarheid. Het effect hiervan zal zijn dat zij zich de haat van de wereld op de hals haalt. (Johannes 15:19). Alleen zij, die uit de waarheid zijn, zullen gehoor geven aan de boodschap van Jezus Christus. Zij worden door de Here aan de gemeente toegevoegd (Handelingen 2:47). Dit bepaalt ook het wezen van een Bijbelse gemeente. Zij bestaat uit mensen, die niet volgens een theologisch dogma of een evangelisch ‘stappenplan’, maar werkelijk door de Heilige Geest wedergeboren zijn. Daarom zal de liefde van God in haar midden zichtbaar zijn. De Heilige Geest heeft de liefde Gods in de harten van de gemeenteleden uitgestort (Romeinen 5:5). Deze onderlinge liefde is hét kenmerk van de gemeente van Jezus Christus (Johannes 13:34).
De Bijbel stelt zo nadrukkelijk dat de gemeente een getuigenisbeweging is. Haar bestaansrecht ligt niet in haarzelf. Ze is er om in de kracht van de Heilige Geest de opdracht van haar Hoofd, Jezus Christus, uit te voeren door Zijn redding te verkondigen in deze voorbijgaande wereld (1 Corinthiërs 7 : 31, 1 Johannes 2:17). De kracht van haar getuigenis hangt af van haar liefdevolle, zichtbare eenheid (Johannes 17:21,23).
Orthodox protestantse kerken voldoen in de verste verte niet aan dit Bijbelse beeld van de gemeente. Zij zijn op zichzelf gericht en hun theologen doen er alles aan om het zo te houden door als heersers op te treden binnen het eigen territorium. Hun ene grote zorg is niet de verkondiging van het evangelie van de enige Redder, Jezus Christus, aan de huidige mensheid, maar hoe ze hun eigen kerk, oftewel hun eigen ‘christelijke’ rijk(je), zolang mogelijk kunnen continueren.

*         De Bijbel over het kennen van God:
“Terzelfder tijd verblijdde Hij Zich door de Heilige Geest en zeide: Ik dank U, Vader, Heer des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen hebt, doch aan kinderkens geopenbaard. Ja, Vader, want zo is het een welbehagen geweest voor U. Alle dingen zijn Mij overgegeven door mijn Vader en niemand weet, wie de Zoon is, dan de Vader, en wie de Vader is, dan de Zoon, en wie de Zoon het wil openbaren” (Lucas 10:21,22).
“Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, die aan de boezem des Vaders is, die heeft Hem doen kennen (Johannes 1:18).
“Ik ben de goede herder en Ik ken de mijne en de mijne kennen Mij” (Johannes 10:14).
“Daarom houd ook ik, gehoord hebbende van uw geloof in de Here Jezus en van uw liefde tot al de heiligen, niet op te danken, u gedenkende bij mijn gebeden, opdat de God van onze Here Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u geve de Geest van wijsheid en van openbaring om Hem recht te kennen” (Efeziërs 1:15-17).

Het kennen van God is honderd procent genade. Het wordt in ons bewerkt door de Heilige Geest. Deze geestelijke kennis van God is alle eeuwen door hetzelfde gebleven, want God is niet veranderd en de geestelijke kennis over Hem ook niet. Ze heeft niets met geleerdheid te maken, maar ze blijft juist verborgen voor “wijzen en verstandigen”.
Paulus schoof alles aan de kant, alle eigen gerechtigheid volgens de wet, heel zijn afstamming, en hij richtte zich geheel en al op “de kennis van Christus Jezus, mijn Here” (Filippenzen 3:8).
Deze kennis blijft het hele leven door een genadegave. Nooit kan een mens er eigenmachtig over beschikken, laat staan zich erop beroemen.
Hoe meer iemand geestelijk God kent, hoe meer zijn leven een zegen zal zijn voor andere mensen. Luther is daar een goed voorbeeld van. Na al het middeleeuwse, scholastieke gespeculeer over God nam hij zijn luit en zong dit lied:
“Een vaste Burcht is onze God, een Toevlucht voor de Zijnen”.
Door de geestelijke kennis, waarmee Luther God kende, is hij reeds eeuwenlang talloze mensen tot zegen geweest.
Op soortgelijke wijze is de eenvoudige ketellapper John Bunyan wereldwijd door zijn boeken als b.v. “De Pelgrimsreis” voor onvoorstelbaar veel mensen een geliefd, geestelijk raadsman geworden. Hoeveel gelovigen zijn er die bemoedigd werden toen ze lazen hoe Christen met behulp van de sleutel “Belofte” ontsnapte aan reus Wanhoop! Wie de onveranderlijke God kent, weet hoe zeker en vast Zijn beloften zijn.
Voor predikers van het Evangelie van Jezus Christus is dit geestelijke kennen van God een allereerste voorwaarde. Wat is namelijk ‘prediken’? Lloyd Jones heeft daar een goede definitie van gegeven: “Prediken is mensen in de tegenwoordigheid van God brengen.” Hoe zal daarom iemand die door de Heilige Geest geen geestelijke kennis van God heeft ontvangen, überhaupt het evangelie kunnen prediken?
Het is een triest feit dat toekomstige predikanten tijdens hun opleiding, hoe orthodox die ook moge zijn, uitgebreid getoetst worden wat betreft hun theologische kennis, terwijl de kennis waarop het werkelijk aankomt buiten beeld blijft.

*        De Bijbel over de geestelijke strijd:
“Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze” (Mattheüs 6:13).
“Want zulke lieden zijn schijnapostelen, bedrieglijke arbeiders, die zich voordoen als apostelen van Christus. Geen wonder ook! Immers, de satan zelf doet zich voor als een engel des lichts. Het is dus niets bijzonders, indien ook zijn dienaren zich voordoen als dienaren der gerechtigheid; maar hun einde zal zijn naar hun werken” (2 Corinthiërs 11:13-15).
“Doet de wapenrusting Gods aan, om te kunnen standhouden tegen de verleidingen des duivels; want wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten” (Efeziërs 6:11,12).
“Gij gelooft, dat God één is? Daaraan doet gij wèl, (maar) dat geloven de boze geesten ook en zij sidderen” (Jacobus 2:19).
“Onderwerpt u dus aan God, maar biedt weerstand aan de duivel, en hij zal van u vlieden” (Jacobus 4:7).
“Wordt nuchter en waakzaam. Uw tegenpartij, de duivel, gaat rond als een brullende leeuw, zoekende wie hij zal verslinden” (1 Petrus 5:8).

De geestelijke strijd in onze tijd is niet anders dan die in de tijd van de Bijbel. We hebben het voortdurend nodig om te bidden zoals Jezus Christus ons dat geleerd heeft: “Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze.” Paulus wijst erop dat de strijd niet is tegen mensen, die zichtbaar zijn, maar dat er een onzichtbare strijd aan de gang is “tegen de boze geesten in de hemelse gewesten.” Deze strijd is heel reëel. Er komt nog steeds bezetenheid voor. Nog altijd zijn er tovenaars actief met bovennatuurlijke krachten. En er zijn talloze vrome geesten aan het werk onder aanvoering van de ‘engel des lichts’ met het doel de gelovigen te verleiden.
Wie eenmaal iets heeft ervaren van deze geestelijke strijd, vlucht naar Jezus Christus toe om bij Hem te schuilen. Jezus Christus is gegeven alle macht in hemel en op aarde (Mattheüs 28:18). “Hij heeft de overheden en de machten openlijk tentoongesteld en zo over hen gezegevierd” (Colossenzen 2:15). “Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou” (1 Johannes 3:8) Als we in eigen kracht gaan vechten, worden we totaal weggeblazen door de duistere machten. In deze strijd zijn we volledig afhankelijk van de leiding en de kracht van de Heilige Geest, precies zoals de eerste Christenen dat waren.
Het is een slecht teken dat men bij orthodoxe theologen er zo weinig van merkt, dat zij zich van deze geestelijke strijd bewust zijn. Men is niet op de hoede voor de rol die vrome geesten kunnen spelen bij bijzondere ervaringen. Verder worden allerlei vormen van occulte geneeswijzen als magnetisme en homeopathie ongestoord toegelaten. Een vijand die er in slaagt zich verborgen te houden, richt veel onheil aan. Voor alleen maar uiterlijke orthodoxie zijn boze geesten niet bang. Ze zijn zelf ook orthodox (Jacobus 2:19).

*        De Bijbel over de bestemming van de mens . . . . .
“Want gij zijt een damp, die voor een korte tijd verschijnt en daarna verdwijnt” (Jacobus 4:14).
“Want wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus openbaar worden, opdat een ieder wegdrage wat hij in zijn lichaam verricht heeft, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad” (2 Corinthiërs 5:10).“En zoals het de mensen beschikt is, eenmaal te sterven en daarna het oordeel, . .” (Hebreeën 9:27).
“En ik zag de doden, de groten en de kleinen, staande voor de troon, en er werden boeken geopend. En nog een ander boek werd geopend, het (boek) des levens; en de doden werden geoordeeld op grond van hetgeen in de boeken geschreven stond, naar hun werken” (Openbaring 20:12).

 . . en over de bestemming van de mensheid:
“En zie, Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld” (Mattheüs 28:20).
“En dit evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken, en dan zal het einde gekomen zijn” (Mattheüs 24:14).
“En wanneer gij hoort van oorlogen en onlusten, laat u niet beangstigen. Want die dingen moeten eerst geschieden, maar dat is nog niet terstond het einde” (Lucas 21:9).
“En er zullen tekenen zijn aan zon en maan en sterren, en op de aarde radeloze angst onder de volken vanwege het bulderen van zee en branding, terwijl de mensen bezwijmen van vrees en angst voor de dingen, die over de wereld komen. Want de machten der hemelen zullen wankelen. En dan zullen zij de Zoon des mensen zien komen op een wolk, met grote macht en heerlijkheid. Wanneer deze dingen beginnen te geschieden, richt u op en heft uw hoofden omhoog, want uw verlossing genaakt” (Lucas 21:25).
“. . . . en hij zeide met luider stem: Vreest God en geeft Hem eer, want de ure van Zijn oordeel is gekomen, en aanbidt Hem, Die de hemel en de aarde en de zee en de waterbronnen gemaakt heeft” (Openbaring 14:7).

De boodschap van de Bijbel is nog steeds glashelder: Wij allen zijn op weg naar de eeuwigheid. Dit leven is geen carrousel, die zijn rondjes blijft draaien met de hoempamuziek van het draaiorgel op de achtergrond. U kunt niet naar believen uitstappen of instappen. Ieder mens bevindt zich als enkeling in de trein die de eeuwigheid als eindbestemming heeft. Daar kunt u niets aan veranderen. Er is niet de mogelijkheid om aan de noodrem te trekken, want de tijd tikt door. U kunt niet overstappen op een trein die ergens anders heen gaat, want die treinen bestaan niet. Er komt onafwendbaar een moment waarop uw trein het eindstation binnenrijdt en tot stilstand komt. En dan? Dan is voor u het ogenblik aangebroken om voor de hoogste Rechter verantwoording af te leggen over uw leven. Deze rechtszaak is eenmalig. U kunt niet tegen het vonnis in beroep gaan. Als u dan Jezus Christus niet hebt als uw Verlosser en Plaatsvervanger, blijft u voor eeuwig onder het oordeel (Marcus 16:16; Johannes 3:36; Efeziërs 2:3; Hebreeën 6:2).
Wat voor de enkeling geldt, geldt voor heel de mensheid. Deze hele wereld is op weg naar het oordeel. Het moderne motto “the sky is the limit” zal hoe langer hoe meer een illusie blijken te zijn. De waarheid is dat deze wereld zich in een vrije val bevindt. Haar botsing met de harde rotsbodem van de werkelijkheid zal verpletterend zijn.
Het laatste boek van de Bijbel is het boek Openbaring. “Openbaring” is de vertaling van het Griekse woord “Apocalyps”. Dit woord betekent letterlijk “Onthulling”. Aan het eind van de tijd zal deze Onthulling plaatsvinden. Dat gebeurt door de voltrekking van Gods oordelen op deze aarde. Dan wordt duidelijk: “De Here God Almachtig regeert.” (Openbaring 19:6 KJV). Een echt Christen zal er niet van uitgaan dat deze wereld vol egocultuur en consumptie zich tot in het oneindige verder zal ontwikkelen, maar hij zal verwachten dat er steeds meer en steeds strengere oordelen van God zichtbaar zullen worden vanwege de maat van de ongerechtigheid van de huidige mensheid en dat er dus een moment van radeloze angst (Lucas 21:25) zal komen, een nacht waarin niemand werken kan (Johannes 9:4), voordat Jezus Christus terugkomt.

Het is van het grootste belang dat we ons opnieuw de ernst van de eeuwigheid gaan realiseren. Met de eeuwigheid valt niet te spotten. Mensen kunnen zich de pretentie aanmeten iets te kunnen veranderen aan de werkelijkheid waarin we leven. Ze koesteren misschien zelfs de illusie een soort controle daarover uit te oefenen. Over de eeuwigheid heeft niemand enige controle. Geen wereldheerser, geen theoloog, geen paus, geen kerk, geen dominee, geen enkele levende ziel. Alleen Jezus Christus! Hem is gegeven alle macht in de hemel en op de aarde (Mattheüs 28:18). Hoe belangrijk is het dat we ons voorbereiden op die eeuwigheid door onze toevlucht te nemen tot de enige Redder, Die God gegeven heeft, Zijn Zoon Jezus Christus, “Die ons verlost van de toekomende toorn” (1 Thessalonicenzen 1:10).
Naar onze overtuiging dienen veel orthodoxe predikanten zich af te vragen hoe het komt dat er in het leven en het hart van hun toehoorders zo weinig valt waar te nemen van werkelijke ernst wat betreft de eeuwigheid. Hoe is het trouwens in hun eigen hart met die ernst gesteld?

Tot zover enkele punten, die tot de kern van de Bijbelse boodschap behoren, maar die in onze tijd helaas veronachtzaamd worden door mensen die doen alsof zij de hele Bijbel geloven.
Vanuit twee invalshoeken hebben we nu de verhouding tussen de Bijbel en de orthodoxe theologen aan de orde gesteld. Aan de 5 Bijbelse Sola’s geven zij een geheel onbijbelse invulling, terwijl ze verder hun oren sluiten voor een belangrijk gedeelte van de kern van de Bijbelse boodschap. Hieruit kunnen we toch alleen maar de conclusie trekken dat hun eerbied voor de Bijbel bij woorden blijft? En dat er ook van alles hapert aan hun eerbied voor de God van de Bijbel? Hoe is dit mogelijk? Wat bezielt deze mensen? Wat is de oorzaak dat er in hun handel en wandel zo weinig te zien is van authentieke vreze des HEREN? Wat zijn theologen eigenlijk? Waar komen ze vandaan?

F. De afval van de vroege kerk.
     We gaan terug naar de eerste generaties theologen in de vroege kerk. De toestand van het Christendom aan het eind van de 2de en verder in de 3de, de 4de en de 5de eeuw is totaal anders dan die uit de tijd van het Nieuwe Testament. In die periode heeft binnen het Christendom het gedachtegoed van de klassieke oudheid de overhand gekregen. Het is fundamenteel misgegaan vanaf Justinus de Martelaar (ca.100 – ca.165), die na zijn overstap naar het Christendom filosoof bleef en vond dat Socrates een Christen was. Verder kunnen hier genoemd worden de geleerde Clemens van Alexandrië (ca. 150 – ca. 225), die het Christendom zag als slechts de opvolger van de Joodse en Griekse (!) godsdienst, en Origenes (ca. 185 – 253/254), die inhoudelijk gezien een Grieks filosoof was met een christelijk tintje. Er zijn in die tijd nauwelijks leiders te vinden die aan de noodrem hebben getrokken. Toen kwam Constantijn, die het Christendom promootte vanuit politieke motieven. Hij was en bleef in zijn hart heiden, als we kijken naar zijn gedrag en naar de massa schriftelijke bronnen die van hem bewaard gebleven zijn. Nergens wordt daarin ook maar één keer verwezen naar het verlossingswerk van Jezus Christus. Uit die periode stamt wel een beeld van Jezus, uitgedost als filosoof in de zittende houding van leraar. In toenemende mate kregen asceten, die als kluizenaar in de woestijn leefden, geestelijke invloed. Deze afzondering en ascese hebben niets te maken met het reddende evangelie van Jezus Christus, maar bestonden al eeuwenlang in de oosterse religies. Neem b.v. Johannes Chrysostomos. De eerste twee jaar van zijn leven als kluizenaar bracht hij zoveel mogelijk staand door en leerde, nauwelijks slapend, de Bijbel uit zijn hoofd. Hierdoor kreeg hij blijvend last van zijn maag en nieren. Jezelf zulke zinloze, ascetische kwellingen opleggen is het volgen van leringen van boze geesten (1 Timotheus 4:1).
Het was niet zo dat alleen de leiders van de kerk, die hoog opgeleid waren, sterk beïnvloed werden door het heidendom. Bij de gewone leek was het zo mogelijk nog erger, gezien het volgende citaat uit het toonaangevende standaardwerk “Kompendium der Kirchengeschichte” van Karl Heussi. Het citaat gaat over de eenvoudige mensen: “Het proces van de assimilering aan de heidense religiositeit, die op zich zo oud was als het heidenchristendom, maakte in de 3de eeuw een drievoudige groei door: 1. naast de onbewuste acceptatie kwam de bewuste aanpassingspolitiek van de kerk; 2. de reeds in de 2de eeuw aanwezige aanzetten tot heiligenverering werden tot één van de belangrijkste bestanddelen van de cultus ontwikkeld (talrijke kapellen voor apostelen, patriarchen, aartsengelen, martelaren; verdringing van de heidense helden en goden door christelijke heiligen met handhaving van hun lokale cultus en jaarfeesten, etc.); 3. er vond een sterke materialisering van de godsdienst plaats (relikwieën, heilige botten, amuletten, massaal wondergeloof). In de 4de eeuw zette zich dit proces voort. Het was een wezenlijke voorwaarde voor de overwinning van de kerk: doordat zij alle aantrekkelijke elementen uit de heidense godsdiensten overnam en in zich verenigde, beroofde zij die van de mogelijkheid om te rivaliseren.” (§18t). Als je dit leest, kom je tot de conclusie dat de Rooms-katholieke kerk reeds meer dan 1700 jaar geleden pseudochristelijk heidendom is geworden.
Ook bij de seculiere historici lees je feiten, die je doen schrikken. In zijn boek, “Het verval van Rome”, beschrijft de bekende Duitse historicus Joseph Vogt de politiek van keizer Constantijn als volgt: “Naar zijn overtuiging was van nu af aan de Christelijke kerk voor de Romeinse staat het orgaan, dat de religieuze plichten te vervullen had; zij was een verzekeringinstelling voor het tijdelijke en eeuwige heil” (blz. 122). De kerk is een slaaf van de overheid geworden.
Er zou heel veel ruimte nodig zijn om verder uitvoerig stil te staan bij het grote verschil tussen de eerste gemeente en de kerk na Constantijn. In verband met ons onderwerp bespreken wij in dit document alleen het centrale punt van de functie van de kerk en de rol van de theologen daarin. In het Nieuwe Testament is de gemeente een groep Christenen, die samen als getuigende pelgrims onder leiding van de Heilige Geest op weg zijn naar de eeuwigheid. Ze vormen een gemeenschap, die zich kenmerkt door liefde. Er bestaan geen aparte rangen van geestelijken en leken. Ten tijde van Augustinus wordt de kerk beschouwd als een door de staat geleid heilsorgaan dat dezelfde werkwijze heeft als de heidense mysteriegodsdiensten. Daarbij zijn cultische reinheid en een orthodoxe leer de garanties dat dit heilsorgaan op de juiste wijze functioneert. Vandaar de uitgebreide bepalingen ten aanzien van de ceremoniën en de reinheid van de priester. Is er niet aan alle voorwaarden voldaan, heeft b.v. de priester zijn priesterwijding ontvangen van een bisschop, van wie tijdens de vervolging heilige boeken zijn afgepakt zonder dat hij zich met inzet van zijn leven daartegen verzette, dan werkt het ritueel niet. De door zo’n priester gedoopten zijn niet echt wedergeboren, etc. Verder werden de dogma’s uitvoerig vastgelegd. Het is de opdracht van de geestelijken, de theologen, om de rituele correctheid en de orthodoxie van het heilsorgaan te bewaren. Dan zullen de genademiddelen op werkzame wijze aan de leken worden gegeven. Het komt erop neer dat de kerk zo de redding van mensen denkt te kunnen overnemen van Christus. Uit de woorden en het gedrag van toenmalige theologen valt op te maken dat voor hen de kerk met haar ceremoniën en dogma’s in het centrum staat en dat de Persoon van Jezus Christus uit beeld is. Dat is helaas niet fundamenteel anders geworden. Theologen volgen niet in de eerste plaats Jezus Christus na, maar het gaat hen uiteindelijk om hun kerk als heilsorgaan en om haar status bij de gelovigen en bij de mensen van deze wereld. Dat is de oorzaak van hun gebrek aan eerbied voor God en voor Gods Woord, de Bijbel.


G. De kerk als heilsorgaan. Dé bron van ellende.

Dit dogma van de kerk als heilsorgaan is de grote bron van ellende. De theologen pretenderen de deskundigen te zijn om het heilsorgaan correct te laten functioneren. Niet iedereen mag zo maar in de kerk het woord voeren en de Bijbel uitleggen. Alleen predikanten. En een predikant moet eerst een x aantal jaren ingewijd zijn in kennis over de Bijbel en over zijn eigen kerk. Wat betreft die kennis en wat betreft zijn dogmatische zuiverheid wordt hij diverse keren doorgelicht. Als alles in orde is bevonden mag hij de preekstoel op om “het Woord te bedienen” en mag hij, als hij als predikant bevestigd is, ook de sacramenten bedienen. Anders niet. Er wordt gedacht dat een toespraak van een leek geestelijk niet hetzelfde gewicht heeft als de preek van de dominee. Hij is immers een door God geroepene en hij heeft er toch jaren voor gestudeerd! Wij geloven hier totaal niets van! Al dat studeren en al die examens hebben ervoor gezorgd dat hij een trouw dienstknecht van zijn eigen kerkgenootschap is geworden en dat hij meer eerbied voor zijn eigen kerk met al haar dogma’s en eigenaardigheden heeft dan voor de almachtige God, de Schepper van hemel en aarde, en voor Zijn gezaghebbende openbaring, de Bijbel. De onbijbelse invulling van de 5 Sola’s en het negeren van een groot gedeelte van de kern van de Bijbelse boodschap tonen dit duidelijk aan. Je hoeft geen geleerde te zijn om dit te kunnen constateren. Het ligt er duimendik bovenop.
Als we aan de hand van dit dogma van de kerk als heilsorgaan de kerkgeschiedenis en de hedendaagse toestand bekijken, zien we heel veel ellende. Het is goed om na te gaan wat de vruchten van dit dogma zijn. Dan weten we wat voor geestelijke schade het veroorzaakt. Daarom volgt er nu een overzicht met een aantal opvallende aspecten van dit grote kwaad.

*        De kerk en het staatsmonopolie op de godsdienst.
Dit staatsmonopolie van een Christelijke kerk werd voor het eerst openbaar op het concilie van Nicea. Daar ging het keizer Constantijn om een dogmatische eenheid in de Christelijke kerk om zo de stabiliteit van zijn keizerrijk te versterken. In die tijd woedde er een godsdiensttwist rond de leer van Arius. Er moest een synode worden georganiseerd om Arius te veroordelen. De uitkomst stond van te voren vast. Het ging allemaal zoals gepland. De overheersende partij kreeg het monopolierecht om hun wijze van God dienen alle andere mensen dwingend op te leggen met behulp van sancties, die door de staat gesteund werden. Het behoeft geen uitleg dat zoiets maximaal tegen de Bijbel en de boodschap van het evangelie in gaat. Later, in de tijd van Augustinus, werden de Donatisten in Noord-Afrika bestreden met militaire middelen. Uiteindelijk heeft de Rooms-katholieke kerk vanwege het handhaven van dit staatsmonopolie op de godsdienst talloze mensenlevens op haar geweten.
Met de Reformatie is het niet in één keer anders geworden. In Genève b.v. had de Gereformeerde Kerk het monopolie. In de Institutie van Calvijn lezen we dat de overheid de taak heeft ook de eerste Tafel van de Tien Geboden haar onderdanen dwingend op te leggen (Institutie IV,20,9). Er was in Genève geen vrijheid van godsdienst. Men moest denken zoals de Gereformeerde Kerk dacht. En ook leven volgens de regels van de kerk. Er werd tijdens huisbezoeken gecontroleerd in welke mate een gezin werelds leefde, etc. Overtredingen van kerkregels werden gestraft met boetes. Kritiek op de kerkelijke leiders werd zwaar opgenomen.
Ook in Nederland ging het calvinisme een steeds belangrijker rol spelen. Tijdens het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) is in ons land praktisch hetzelfde scenario als in Nicea opgevoerd. De ketter die veroordeeld moest worden was dit keer Arminius. Dat was met name belangrijk, net als in het geval van Nicea, omdat de godsdienstruzie hier in Nederland politieke en in die tijd zelfs militaire instabiliteit veroorzaakte. Bepaalde remonstrantsgezinde steden hadden namelijk op eigen houtje waardgelders, huursoldaten, in dienst genomen. Daarom heeft prins Maurits ingegrepen en publiekelijk de kant van de Contraremonstranten gekozen. Hij haalde diverse steden en provincies over om te kiezen voor het bijeenroepen van een nationale synode. Uiteindelijk staakten de Staten-Generaal hun verzet daartegen en gaven zij opdracht tot het bijeenroepen van de Synode van Dordt (1618-1619). Alles ging keurig volgens schema. Er werd een 17de eeuwse weergave van het gedachtegoed van Calvijn opgesteld en aangenomen. Gods liefde voor zondaren werd bevroren in een vijftal Leerregels. De Vijf Artikelen van de Remonstranten werden veroordeeld. Ook stelde men een kerkorde op, waarin o.a. de samenwerking tussen kerk en staat geregeld werd. De Leerregels en de Kerkorde traden in werking door de handtekening van de Staten-Generaal. De Remonstrantse predikanten werden afgezet en een aanzienlijk deel van hen werd verbannen en in boerenwagens de grens overgezet.
In Engeland werd vijfentwintig jaar later een soortgelijke synode gehouden, de Westminster Assembly (1643 – 1649). Ook hier werd deze vergadering voorafgegaan door politieke intriges. De overheid, het Engelse Parlement beheerste de hele agenda en stuurde de synodeleden aan door hen een spreekverbod op te leggen. Ze mochten alleen hun mening zeggen op de synodevergaderingen en in de correspondentie naar het Parlement toe. De door hen opgestelde confessie werd getoetst door het Parlement en teruggestuurd. De Parlementsleden wilden de Bijbelteksten erbij hebben. Daarna werd zij grotendeels goedgekeurd en met het gezag van de overheid ingevoerd. De Anglicaanse kerk kreeg een andere vorm van kerkregering. Aartsbisschop Laud werd onthoofd (1645) en een zeer groot aantal bisschoppen en priesters werd afgezet. Na afloop van de Tweede Engelse Burgeroorlog, die gewonnen werd door de republikeinen onder leiding van Cromwell, werd koning Charles I wegens hoogverraad ter dood veroordeeld en eveneens geëxecuteerd (1649). Toen ongeveer tien jaar later er weer een koning op de Engelse troon zat, werd alles teruggedraaid.

Bezien vanuit de Bijbel en het evangelie van Jezus Christus zijn de kerkvergaderingen in Nicea, Dordt en Westminster geen hoogtepunten maar dieptepunten: een synode die zich door de wereldse overheid bij elkaar laat roepen om een belijdenis op te stellen, welke dan door die overheid wordt geratificeerd en vervolgens dwingend door diezelfde overheid wordt opgelegd. Zoiets staat lijnrecht tegenover het echte dienen van God! “God is geest en wie Hem aanbidden, moeten aanbidden in geest en in waarheid” (Johannes 4:24). Het is ten enenmale onmogelijk een medemens tot die Bijbelse wijze van het dienen van God te dwingen. Je kunt het jezelf ook niet in eigen kracht aanleren. Het is genade. Als iemand zijn eigen manier van het dienen van God vanuit een monopoliepositie wel een ander mens oplegt, moet men zich afvragen of zo iemand de Bijbel en het evangelie van Jezus Christus begrijpt.

*        De kerk, een molensteen .
De gedachte dat gelovigen in Christus verder nog zoiets als een heilsorgaan in de vorm van een kerk nodig hebben, heeft in de geschiedenis dikwijls als een enorme molensteen gehangen om de nek van Christenen, die kort daarvoor een afvallige kerk hadden verlaten. Het probleem zat hem dan in de zuivere eredienst, de zuivere bediening van de sacramenten en de dogmatische orthodoxie van de nieuw te vormen kerk. We zullen een drietal situaties bespreken.
De Reformatie in de 16de eeuw begon als een getuigenisbeweging. In de begintijd heeft zij zich razendsnel verbreid. De Rooms-katholieke kerk had echt het nakijken. Maar op een gegeven moment kwam het tot vormgeving van een kerk. Dat gebeurde bij Luther in Duitsland op een andere manier dan in Zwitserland bij Zwingli. Het grootste verschil was de Avondmaalsleer. Deze verdeeldheid was een zeer slechte zaak voor de Reformatie. Landsheer Philips van Hessen zag ook de politieke consequenties ervan in. Daarom belegde hij een godsdienstgesprek te Marburg (1529), waar naast Luther en Zwingli veel kopstukken van de Reformatie werden uitgenodigd. In zekere zin was er de wil om de verschillen op te lossen. Op diverse punten werd inderdaad overeenstemming bereikt, maar op het punt van het Avondmaal bleven zowel Luther als Zwingli aan hun eigen visie vasthouden. Beiden dachten zo de Bijbel te gehoorzamen. Er zat niets anders op dan toe te geven dat men het op 14 geschilpunten eens geworden was, maar dat men over het 15de punt, het Avondmaal, verschillend was blijven denken. Zo ging men uit elkaar en ontstonden er twee varianten op het heilsorgaan ‘kerk’. De één was een Duits , de ander een Zwitsers model.

De volgende situatie, die we willen noemen, deed zich in Nederland voor in de eerste jaren van de Afscheiding (1834). Op veel plaatsen in Nederland hadden groepen mensen de Nederlands Hervormde Kerk verlaten. Ze hadden het zwaar te verduren vanwege de strafmaatregelen van de overheid. De geldboetes waren torenhoog en meerdere personen, waaronder De Cock, belandden een tijdlang in de gevangenis. Het inkwartieren van dragonders bij de gezinnen van de Afgescheidenen was mensonterend, mede vanwege hun vandalisme en grensoverschrijdend gedrag. In deze moeilijke tijd begon men met het organiseren van de Afgescheidenen. Er kwamen meningsverschillen aan het licht tussen o.a. De Cock en Scholte. De Cock wilde terug naar de Dordtse Kerkorde, Scholte stond een veel lossere organisatie voor ogen. Op 28 september 1836 kwamen 24 synodeleden in een huis te Utrecht bijeen. Dit moest voor een deel in het geheim. De schildwacht voor de deur liet maar 20 personen toe. Daarom kon men tijdens de synode, die twee weken duurde, dit huis ook niet verlaten. Alles moest men zo gezamenlijk in dezelfde vertrekken doen: eten, slapen, vergaderen. ’s Ochtends bij het opstaan en ’s avonds voor het slapen gaan gingen ze samen op de knieën. Toch bleef de kerkorde een molensteen die bleef knellen. Onder protest stemde De Cock in met een omgebouwde Dordtse Kerkorde. Zo ging men uit elkaar. Het rondsturen van de acta van deze synode deed de vlam alweer in de pan slaan vanwege het voorwoord van Van Velzen. Het bleef geruzie ondanks de druk van de vervolgingen. In 1843, toen De Cock reeds overleden was, moest men na zes dagen noodgedwongen een synode in Amsterdam beëindigen omdat er niet te vergaderen viel vanwege onenigheid over de kerkorde. Na samen op de knieën te zijn geweest, ging men uit elkaar. Wat een geestelijk leed vanwege dit heilsorgaan ‘kerk’!

De laatste situatie speelt op dit moment. De Gereformeerde Kerken vrijgemaakt hebben zich altijd nadrukkelijk geprofileerd als heilsorgaan. Dat was zeker het geval in de vijftiger jaren van de vorige eeuw, toen er woorden werden gebruikt als ‘de ware kerk’. Al jaren geleden werd er een vrijzinnige koers ingeslagen met als gevolg dat er mensen zijn die deze kerken de rug toekeren. Maar ook nu blijkt het heilsorgaan ‘kerk’ een molensteen. De twee onlangs gevormde kerkgenootschappen van uitgetredenen, die exact dezelfde belijdenisgeschriften onderschrijven en om dezelfde reden uit de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt zijn weggegaan, lukt het niet om überhaupt met elkaar in gesprek te komen. De vraag is natuurlijk: Welke van beide groepen is de enige, echte voortzetting van het afvallige heilsorgaan, dat zij verlaten hebben. Zo wordt toch duidelijk aan een ieder die het wil zien, dat deze leer van de kerk als heilsorgaan niet werkt?

*        De kerk die verblindt.
Er is in het protestantisme nog veel blijven hangen van de Roomse leer, dat de kerk een heilsorgaan is. Dat maakt dat de Roomse kerk voor sommige protestanten aantrekkelijk is gebleven. Bovendien loopt Rome ermee te pronken dat zij met de opeenvolging van de pausen haar geschiedenis kan terugvoeren tot het bisschopsambt van Petrus. Dat er in die rij regelrechte schurken hebben gezeten, die o.a. moorden hebben gepleegd, kinderen hebben verwekt en hoerenlopers waren, wordt verdoezeld. Ook heeft men het niet over het moment dat er drie pausen tegelijk waren. En verder wekt Rome de indruk zich veel gelegen te laten liggen aan het gezag van de Bijbel. Dit is een propagandaleugen, want haar ongehoorzaamheid aan die Bijbel kan nauwelijks groter worden met heel die waslijst aan rituelen en leringen die zij vanaf het begin heeft overgenomen uit het heidendom. Iedereen die de waarheid liefheeft, prikt door dit aanprijzen van de Bijbel heen. Eerbied voor de Bijbel is te zien aan onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan die Bijbel. Als die gehoorzaamheid er niet is en men zegt wel aardige dingen over de Bijbel, dan wordt u bedrogen waar u bij staat.
Er waren en zijn helaas protestantse geleerden, van wie sommigen voor behoorlijk orthodox doorgaan, die nog positieve dingen over Rome zeggen, omdat zij worden verblind vanwege hun kerkelijke denken. Een voorbeeld uit de praktijk:
Het ligt in de bedoeling om op 31 oktober 2017 grootschalig te herdenken dat 500 jaar daarvoor de Reformatie begon. Daartoe is de stichting Refo500 opgericht. Tot onze verbazing participeren daarin ook Rooms-katholieke organisaties en universiteiten. Wij vinden dit enorm gemeen ten aanzien van Maarten Luther en de martelaren tijdens de Reformatie. De herdenking gaat over hen! Wat hebben zij geleden onder de terreur van de Rooms-katholieke kerk! Nog nooit is er van de kant van die kerk oprecht spijt betuigd voor al het onrecht, dat zij op haar geweten heeft. Luther en de martelaren kunnen in onze tijd niet protesteren tegen dit onder één hoedje spelen met de geestelijke nazaten van een kerk, die Bijbelgetrouwe gelovigen heeft verbrand vanwege hun belijdenis, dat alleen het geloof in Jezus Christus een mens kan redden. Hun argument dat Rome inmiddels geheel veranderd is klopt niet. Woordvoerders van deze kerk hebben een dubbele agenda. De status van hun kerk in de publieke opinie is voor hen belangrijker dan de waarheid. Rooms-katholieken mogen ten gunste van hun kerk liegen. Dat is vastgelegd in hun kerkelijke wetten. Zie o.a. deze link. Zij die met hen het openbare debat aangaan, laten zich bedriegen.
Waarom wordt er door orthodox protestantse theologen niet onomwonden stelling genomen voor de waarheid van de Bijbel en voor de boodschap, die van de brandstapels ten tijde van de Reformatie uitgaat? Waarom is men zo toegeeflijk jegens dit pseudochristelijke heidendom? Het misoffer is en blijft een offer ondanks al dat theologische spelen met woorden. Het is een vervloekte afgoderij met heel die aanbidding van dat dunne plakje gebakken deeg. Het aantal heidense voorwerpen en kledingstukken, dat bij de rituelen gebruikt wordt, is aanzienlijk. Er wordt nog steeds wierook verbrand, net als in Aziatische godsdiensten. Waarom dan al deze mede door Refo500 georganiseerde theologische happenings tussen Rome en de Reformatie met debatten, waar men, als het er op aankomt, de Bijbelse waarheid over de Rooms-katholieke kerk verzwijgt? We kunnen voor dit verraad van de Reformatie geen andere oorzaak ontdekken dan de rol die de kerk als heilsorgaan in het eigen protestantse denken speelt.

*        De kerk zonder het Kruis van Christus.
De overgang van het evangelie van Jezus Christus naar het heidense, filosofische denken van de Grieks-Romeinse beschaving werd op consoliderende wijze voltooid door Augustinus. Het evangelie van de gekruisigde Christus is helemaal uit het denken van Augustinus verdwenen. Dit kan als volgt worden geconstateerd. Jezus Christus heeft door Zijn leven, Zijn lijden, Zijn sterven en Zijn opstanding een radicale en eeuwige tegenstelling tot stand gebracht tussen natuur en genade (o.a. Romeinen 6:1-14; 2 Corinthiërs 5:17; Efeziërs 2:1-10); tussen de wereld en het Koninkrijk der hemelen (o.a. 1 Corinthiërs 15: 50; Galaten 6:14; Jacobus 4:4), tussen vlees en geest (o.a. Romeinen 8:1-17; 1 Corinthiërs 2:6-15). Deze tegenstellingen zijn bij Augustinus opgeheven door de alles overkoepelende ordening van zijn neoplatonisme, een filosofische stroming met mystieke elementen. De tegenstelling natuur en genade ging bij hem op in de uiteindelijke eenheid van heel de geschapen natuur met de Schepper. Het Koninkrijk der hemelen zag hij reeds voor een deel verwerkelijkt in het wereldse, ‘christelijke’ rijk van Constantijn de Grote en de inhoud van de Bijbelse begrippen ‘geest’ en ‘geestelijk’, d.w.z. hetgeen door Gods Geest van bovenaf wordt bewerkt, was bij hem vervangen door de ascese en de spiritualiteit van de natuurlijke mens, het vlees. Zijn denken leverde een schijnwerkelijkheid op met ogenschijnlijk christelijke eigenschappen, waarin de mens, net als in de Griekse filosofie, de regie dacht te hebben. Binnen die schijnwerkelijkheid functioneerde de ‘enige, ware kerk’ als de uitdeelster van het heil en was zij de spil waar alles om draaide. Zij, die de macht hadden binnen de kerk, waren volgens hun eigen visie de echte machthebbers in deze wereld.
Hier volgt een citaat uit de Belijdenissen (boek 9,6) van Augustinus om één en ander te verduidelijken: “Toen daarna de tijd aanbrak, dat ik mij voor de doop moest opgeven, verlieten wij het landgoed en keerden naar Milaan terug. Ook Alypius had besloten met mij wedergeboren te worden in U, terwijl hij reeds bekleed was met de nederigheid die past bij Uw geheimenissen en zo krachtig zijn lichaam had leren beheersen, dat hij zelfs in ongewone durf de ijskoude Italische bodem blootsvoets betrad.In dit citaat staan twee dingen, die uit het heidendom afkomstig zijn. In de eerste plaats dit: Augustinus geloofde dat het heilsorgaan Kerk door middel van haar correct uitgevoerde doopceremonie een natuurlijk, onwedergeboren mens tot een wedergeboren Christen kon maken. Dit is een staaltje heidense magie en niets anders. In de tweede plaats: Augustinus ziet in het lopen op blote voeten over de ijskoude grond een werk van de Heilige Geest! Wat een duivelse verwarring van het werk van de echte Heilige Geest met dat van de heidense ascese!
We zullen proberen het spoor van vernieling dat door het denken van Augustinus gedurende de volgende eeuwen tot op deze dag veroorzaakt is, te verduidelijken door het stellen van de volgende vraag: “Hoe bepaalt een gelovige zijn koers?” Dat gaat als volgt: een Christen neemt zijn Bijbel en vraagt onder het lezen ervan voortdurend de Heilige Geest om verlichting. Dan wacht hij rustig af, totdat hij door Gods Geest zekerheid krijgt welke weg de juiste is (vgl Romeinen 8:14). Hierbij is de Bijbel als het ware de zeekaart en de Heilige Geest het kompas. Augustinus heeft bij het uitzetten van zijn koers de Bijbel als zeekaart vervangen door een ogenschijnlijk Christelijke zeekaart, die gemaakt is zonder het kruis van Jezus Christus. De oude Grieks-Romeinse, filosofische ideeën heeft hij van een christelijk etiket voorzien. Verder heeft hij niet de Heilige Geest, maar zijn eigen ratio als kompas gebruikt. Wie daarom bij het uitzetten van een koers aansluit bij Augustinus in de veronderstelling dat deze kerkvader Bijbels bezig is geweest, zal vroeg of laat de zeereis van het schip, dat zich aan die  foute koers houdt, in een schipbreuk laten eindigen. Helaas zijn daar in de geschiedenis van het orthodoxe Christendom diverse voorbeelden van. Een aantal van deze scheepsrampen willen wij hier noemen. Soms was vanaf het begin van zo’n zeereis de invloed van Augustinus en Calvijn prominent aanwezig, soms werd die invloed tijdens de reis steeds groter. Het opvallende is verder dat zo’n schipbreuk meestal niet tijdens noodweer of midden in de nacht plaatsvond, maar dat de kapitein en de stuurlieden bij helder weer, terwijl zij bij hun volle verstand waren, toch aan de koers vasthielden en het schip op de rotsen lieten lopen.
In de eerste plaats de scheepsramp, die zich in Genève voltrokken heeft. Calvijn heeft met zijn Institutie gefunctioneerd als een doorgeefluik van het denken van Augustinus. Aan de door hem gestichte universiteit was rond 1815 nauwelijks nog iets over van enige Bijbelse orthodoxie of kennis van het evangelie van Jezus Christus. Er werd hoofdzakelijk les gegeven door Arminianen en Soccinianen. De studenten hadden veel meer geleerd over meningen van de heidense filosofen dan over het evangelie van Jezus Christus. De tijdgeest van de Verlichting had er vrij spel gekregen.
In 1812 stichtte de Presbyteriaanse Kerk van Amerika in New Jersey het Princeton Seminary. Archibald Alexander had er de leiding. Een tijdlang floreerde de orthodox protestantse theologie daar onder de naam Princeton Theology met professoren als C. Hodge en B.B. Warfield. Warfield publiceerde veel over Augustinus en Calvijn. In het begin van de 20e eeuw kwam er een eind aan de orthodoxe theologie, toen het Seminary onder invloed van de moderne tijd vrijzinnig werd. Deze omwenteling wordt beschreven in de biografie van Gresham Machen. Hij heeft er zich maximaal tegen verzet, maar zag zich gedwongen ‘van boord’ te gaan.
De predikantenopleiding aan de Vrije Universiteit vertoonde vanaf het begin tekenen dat de reis verkeerd zou aflopen. In de synodestukken rond 1890, die voor de predikantenopleiding aan de VU pleiten, wordt gesteld dat de Grieks-Romeinse filosofen ook al in enige mate door de Heilige Geest verlicht zouden zijn geweest. Paulus dacht daar duidelijk anders over (1 Corinthiërs 1). Later kwam Bavinck het team van Kuyper versterken. In Bavincks werken staan meer citaten van Augustinus dan van Calvijn. Ruim 80 jaar na de start werd het bewijs van de foute koers geleverd toen de schipbreuk plaatsvond. Deze ging de geschiedenis in als “de stille revolutie”. Er stonden toen mensen aan het roer, die dachten te weten wat ze aan het doen waren. Toch strandde het schip en werd het kapot geslagen door de golven. Zelf hebben we die tijd bewust meegemaakt. Deze scheepsramp heeft een grote impact op ons gehad. Als God in Zijn genade niet ingegrepen had, zouden we hopeloos verdronken zijn.
Op het ogenblik vindt deze schipbreuk plaats in de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt. De Theologische Universiteit in Kampen heeft vanaf het begin op de lijn van Augustinus en Calvijn gevaren. Er was een bepaald zelfvertrouwen te zien. Maar ook hier is aan het licht gekomen dat de koers die de hele tijd gevolgd is, rampzalig is. Ook nu wordt het schip bestuurd door mensen, die nog altijd denken de zaak onder controle te hebben.
Heden ten dage is er nog steeds druk scheepvaartverkeer op de door Augustinus en Calvijn uitgestippelde route. Neocalvinistische schepen van de “Reformed theology” varen er met bolle zeilen voor de wind, vooral in Amerika. Ons hart krimpt ineen als we denken aan het onheil dat de opvarenden te wachten staat. Een kerk zonder de gekruisigde Christus lijdt vroeg of laat schipbreuk. Als het Kruis van Christus in een kerk of gemeente niet de kans krijgt de scheidsmuur op te trekken tussen deze wereld en het Koninkrijk van God (Galaten 6:14), dan zal het onvermijdelijke gevolg zijn, dat na verloop van tijd de wereldsgezindheid binnendringt en het nog aanwezige werk van God kapotmaakt. Zo is het gegaan in de hierboven genoemde voorbeelden. En als het Kruis, net als bij Augustinus, niet de kans krijgt een heldere scheiding aan te brengen tussen het werk van Gods Geest en het werk van het vrome vlees (Hebreeën 4:12), dan krijgt zo’n soort Christendom te maken met een heleboel verchristelijkte wetsprediking, die wel aangenaam is voor de oude mens, maar verder een mens buiten de genade van Christus houdt. Amerikaanse vertegenwoordigers van dit soort prediking zijn o.a. John MacArthur en Paul Washer. Helaas maakt dit soort prediking ook in Nederland steeds meer opgang (o.a. de Sola5Baptisten, St. Heartcry, Arjan Baan, etc.). Er is reeds veel onheil en er is nog veel meer onheil op komst!

*        De kerk, een onoverbrugbare kloof voor opwekking.
De afgelopen tweehonderd jaar heeft de leer van de kerk als heilsorgaan in ieder geval tweemaal gefunctioneerd als een onoverbrugbare kloof, die een opwekking waarvoor vurig gebeden werd, onmogelijk maakte. Hoe? Het ging als volgt. Evangelische, orthodoxe predikanten werden door twee dienstknechten van God, Spurgeon en Lloyd Jones, geconfronteerd met hun zonde. Men had namelijk meer achting voor de kerk waarin men zat dan voor de Bijbel. De verbintenis met hun kerkgenootschap, hun heilsorgaan, was hen dierbaarder dan het gehoorzamen van Christus. De opwekking, waarnaar Spurgeon en Lloyd Jones met heel hun hart hun leven lang zijn blijven hunkeren, kwam niet. Ze is uitgebleven tot op de dag van vandaag. Dankzij de evangelische, orthodoxe predikanten! Dezen zijn hard doorgegaan met het schrijven van evangelische en orthodoxe boeken en met het uitspreken van evangelische en orthodoxe preken. Maar het belangrijkste voor ieder Christen, de echte wedergeboorte met als gevolg navolging van Christus, werd door hen overgeslagen.

Hoe ging het bij C.H. Spurgeon? Op 5 juni 1864 confronteerde hij in zijn preek “De verwerping van de wedergeboorte door de doop” de orthodoxe, evangelische predikanten in de Anglicaanse kerk met hun zonde. Deze predikanten beleden aan de ene kant de hele Bijbel te geloven en riepen vanaf de preekstoel op tot bekering, maar aan de andere kant ondertekenden zij een belijdenis, waarin stond dat de doop een mens wedergeboren doet worden. Zo’n spreken met twee monden kan nooit, zeker niet in het Koninkrijk van God. Spurgeon bewees uit de praktijk van alledag met ontnuchterende en confronterende illustraties de Bijbelse waarheid dat een mens niet als Christen geboren wordt en ook niet door menselijk, kerkelijk handelen tot Christen gemaakt kan worden. De preek riep grote tegenstand op van kerkelijke theologen. Drie weken later riep Spurgeon door middel van zijn preek “Laten wij dan uitgaan” op om afvallige en onbijbelse kerken en gemeenten te verlaten en dwars door alles heen naar Jezus Christus toe te gaan. Er werd geen significant gehoor aan zijn oproep gegeven. Men koos voor het ogenschijnlijk gemakkelijke idee van de kerk als heilsorgaan. Als je in je kerk als Christen erkend wordt, waarover zou jij je dan verder nog druk maken? In zijn preek van 30 oktober van dat jaar, “Voorbereiding voor opwekking”, deed Spurgeon een bewogen oproep om zich te verootmoedigen voor God, opdat God zou kunnen werken door middel van een opwekking. De grote meerderheid koos echter voor de makkelijker weg van kerkelijke, uiterlijke orthodoxie in plaats van voor verootmoediging. De zonde van het meer gehoorzaam zijn aan de kerk dan aan God werd niet aangepakt. Er kwam geen opwekking. De meesten bleven zitten waar ze zaten. Een bekend voorbeeld van iemand die bleef zitten was Dr. J.C. Ryle. Natuurlijk bleef hij zeer actief. Hij schreef commentaren op Bijbelboeken en boeken over heiligmaking, over Bijbels geloofsleven en over geloofshelden uit het nabije verleden. Maar hij volgde hun geloof niet na door te stoppen met zijn dubbelleven en door uit de onbijbelse Anglicaanse kerk, die zo vol geestelijk bedrog zit, weg te gaan. Hij bleef zitten en bracht het tot het ambt van bisschop. Spurgeon bleef zijn leven lang tevergeefs uitzien naar een opwekking.

Bij Martin Lloyd Jones ging het als volgt: Op 18 oktober 1966 hield de Engelse Evangelische Alliantie een congres. Het onderwerp was : “Eenheid”. Men had Lloyd Jones gevraagd de openingstoespraak te verzorgen. (Zie zijn boek “Knowing the times”.) Hij was zich bewust van de grote geestelijke nood van dat ogenblik en van de zonde van de evangelische beweging. Ze waren ongehoorzaam aan de Bijbel. Binnen de Evangelische Alliantie erkenden ze elkaar allemaal als broeders en zusters in Christus. Daar deden ze verder niets mee. Hun energie ging zitten in het geaccepteerd worden binnen het eigen kerkgenootschap, hoe vrijzinnig die ook was. Lloyd Jones noemde dat “de zonde van het schisma” en riep de aanwezigen op “plaatselijke, onafhankelijke Evangelische gemeenten te vormen, die in een vrije verhouding met elkaar zouden staan, opdat de wereld een levend getuigenis voor de waarheid van het Evangelie zou horen en zien” (eigen woorden van LJ in een brief aan zijn gemeente). Nu, bijna 50 jaar later, is het stof dat deze toespraak opgeworpen heeft, nog steeds niet neergedaald. Zie deze link. Ondertussen is bijna iedereen in zijn eigen kerk blijven zitten en is de oproep van Lloyd Jones aan de kant gelegd. De eigenlijke vragen waarmee Lloyd Jones zijn toehoorders in 1966 confronteerde waren: “Wat is de gemeente van Christus?” met daaraan voorafgaand: “Wie is Christen?” Tot op heden worden deze vragen door voor- en tegenstanders van de oproep van Lloyd Jones verdrongen, omdat iedereen op voorhand blijft vasthouden aan de gedachte dat de kerk waarin hij zich nu bevindt, als heilsorgaan betrouwbaar genoeg is om in de hemel te komen. In de eerste jaren na 1966 heeft Lloyd Jones verwachtingsvolle toespraken gehouden. Zie b.v. zijn boek Unity in Truth. Dit boek is een echte aanrader. Vurig heeft hij uitgezien naar een opwekking. Ooit vertelde hij op een conferentie dat hij twee keer een opwekking had ervaren. Beide keren werd hij wakker en bleek hij aan het dromen te zijn geweest. Een echte opwekking heeft hij hier op aarde niet gezien. Al die evangelische, orthodoxe theologen weigerden om daarvoor uit hun kerk te komen. Zij hechtten een grotere waarde aan hun kerk dan aan Christus. Stott en Packer bleven zich inspannen om van de Anglicaanse leiding de ruimte te krijgen hun boodschap te mogen blijven brengen. Ondertussen zijn ook zij, net als bisschop Ryle, heel hard bezig geweest een heleboel evangelische en orthodoxe werken te publiceren, terwijl zij ondertussen ongehoorzaam bleven op het meest fundamentele punt van de keuze tussen het volgen van de kerk of het volgen van Christus. Anderen, zoals Errol Hulse en Peter Masters kozen voor een ‘reformed baptist’ kerk met het calvinistische garantiekeurmerk van 1689 erop. Weer anderen bleven o.a. in kleine, orthodoxe, presbyteriaansgezinde denominaties zitten. Iain Murray schreef ruim dertig jaar later een boek over de verdeelde evangelische wereld (“Evangelicalism Divided”). Maar helaas,  . . . . helaas is die verdeelde, evangelische wereld verrassend eensgezind wat betreft het vasthouden aan het grondidee van de kerk als heilsorgaan. En tot op de dag van vandaag is de broodnodige opwekking, waarvoor Lloyd Jones zo vurig pleitte, nog steeds niet gekomen, heel gewoon, omdat evangelische, orthodoxe predikers, die allemaal pretenderen deskundig te zijn als het om de Bijbel gaat, weigeren op de fundamentele punten van het begrip ‘Christen’ en het begrip ‘Gemeente’ die Bijbel te gehoorzamen.

Tot zover de bespreking van het grote kwaad: de kerk als heilsorgaan.

H. Eerbied voor God en Zijn Woord en het ontmaskerde heilsorgaan.
     Orthodox Protestantse theologen zijn het er unaniem over eens, dat de Reformatie van het begin van de 16de eeuw een werk van God is geweest. Niemand van hen zal eraan twijfelen dat Luther optrad als een dienstknecht van God. Waar lag het geheim van de enorme omwenteling, die toen heeft plaatsgevonden? Waar haalde Luther het geloof en de moed vandaan om vast te blijven houden aan zijn overtuiging? Het is het leven van God in hem geweest, welke tot uiting kwam in zijn diepe eerbied voor de God van de Bijbel. Daardoor realiseerde Luther zich de enorme macht en majesteit van God. Daardoor was hij ook honderd procent overtuigd van de waarheid van de Bijbel. ‘Gods Woord houdt stand in eeuwigheid, en zal geen duimbreed wijken.’ Hij wist dat hij door het geloof deel had gekregen aan de gerechtigheid van Christus. Dat was hem alles waard. Daarom waagde hij het niet tegen zijn geweten in te gaan, zijn geweten dat gebonden was door de Bijbel en aangeraakt door de Heilige Geest. Tijdens de diverse confrontaties van de beginjaren, waarbij geprobeerd werd Luther te pressen tot een compromis op een aantal kleine punten, heeft hij geen haarbreed toegegeven. Na zijn toespraak op de Rijksdag in Worms is er nog een week lang op hem ingepraat. Luther gaf geen krimp. Zijn levende geloof in God en zijn diepe eerbied voor Hem deden Luther kiezen voor de waarheid van de Bijbel tegen alle druk en bangmakerij van de Rooms-katholieke kerk en de keizer in. Deze eerbiedige, gelovige gehoorzaamheid van Luther heeft grote zegeningen voortgebracht. Twee ervan willen wij noemen:
1. De Bijbel ging weer open. Het licht van het evangelie van Jezus Christus scheen weer in de duisternis van deze wereld. Luther heeft zich erg ingespannen om de Bijbel in gewoon Duits te vertalen, opdat zoveel mogelijk mensen konden lezen hoe God in liefde Zijn eniggeboren Zoon, Jezus Christus, naar deze wereld gezonden heeft om zondaren te redden.
2. De kerk als heilsorgaan werd van haar voetstuk gestoten. Luther bewees vanuit de Bijbel dat alle gelovigen alles hebben in Christus. Iedere gelovige is zelf priester, aan wie Jezus Christus rechtstreeks genade verleent. De Rooms-katholieke kerk werd ontmaskerd als een antichristelijk machtsblok.
In haar begintijd is de Reformatie Bijbels Christendom geweest. De Heilige Geest had er de leiding. De Reformatie raakte haar wervingskracht kwijt toen zij zich ging organiseren in diverse kerkrichtingen, die elk hun eigen kerkleer formuleerden. Hierbij is de invloed van Augustinus desastreus geweest. Vanuit de context van die periode willen we nogmaals wijzen op deze bron van dwaling. Augustinus heeft geen leven van God in zich gehad. Als hij het wel gehad zou hebben, dan was hij uit eerbied voor God en Zijn Woord als een Luther tekeer gegaan tegen de manier van geloven in het heidense ‘christendom’, waarbinnen hij bisschop was. Daar is in heel zijn oeuvre geen spoor van te bekennen. Je leest niet dat het hart van het evangelie de gekruisigde Christus is, om Wie alles draait. Hij heeft het niet over onderwerping aan het gezag van de Bijbel en het priesterambt van alle gelovigen, maar wel over zijn consolideren van het heilsorgaan ‘kerk’ met relikwieën en al, over zijn promoten van het monnikendom en over zijn achting voor heidense filosofen, met name neoplatonisten als b.v. Porphyrius. Luther bekent ergens dat hij in zijn leven steeds minder van Augustinus is gaan lezen. Inhoudelijk is Luther niet teruggekeerd naar Augustinus maar naar de Bijbel, vooral naar de brieven van Paulus.

I. De nood van deze tijd.
Er is in deze tijd een groot gebrek aan het eerbiedig, gelovig gehoorzamen van God en van Zijn Woord, de Bijbel. Weinig valt er nog te bespeuren van dat soort gehoorzaamheid aan God, dat het optreden van Luther zozeer heeft gekenmerkt. Luther was zich ervan bewust dat hij voor Gods aangezicht leefde. Zo’n bewustzijn geeft een nauwkeurig werkend geweten en ook grote vrede en moed, al is de tegenstand nog zo groot. God zegent eerbiedige, gelovige gehoorzaamheid. Kijk maar naar het leven van Abraham. Alleen langs deze weg kan verwacht worden dat God een omkeer ten goede zal geven. Het is van het grootste belang hierbij het onderscheid tussen wettische gehoorzaamheid en gelovige gehoorzaamheid scherp in de gaten te houden. Op het ogenblik maakt de wettische gehoorzaamheid van de verchristelijkte wetsprediking (John MacArthur, Paul Washer, Arjan Baan, Sola5Baptisten, etc., etc.) een bloeiperiode door. Wettische gehoorzaamheid gebruikt fraaie woorden als ‘Godgericht leven’ en een ‘Godgericht huwelijk’ etc., maar is uiteindelijk niets anders dan een product van de ‘ikgerichte vroomheid’ van de oude mens. Eerbiedige, gelovige gehoorzaamheid ervaart haar eigen onvermogen en weet zich geheel en al afhankelijk van Gods genade en Gods Geest. Zij kan slechts in geloof gehoorzamen. Ze wil ook niet anders, want God moet al de eer krijgen.
Het is opvallend dat in Hebreeën 11 al de genoemde geloofsgetuigen niet getuigen met behulp van hun eigen woorden of met behulp van gangbare geloofsbelijdenissen of iets dergelijks. Zij getuigen met hun daden van gelovige gehoorzaamheid. Die daden zeggen meer dan woorden. Uit hun daden blijkt hoe reëel God voor hen is geweest. In geloof hebben zij hun eigen leven en heel deze wereld vanuit het perspectief van God gezien en vervolgens hebben zij in vol vertrouwen op God al die stappen gezet en al die daden gedaan, die God hen opdroeg. Zij kenden God en waren er vast van overtuigd dat Hij hen niet in de steek zou laten, “want Hij, Die beloofd heeft, is getrouw”(Hebreeën 10:23).
Als we vandaag het licht van de Bijbel laten schijnen op het orthodoxe protestantisme, zien we een grote puinhoop. Er is niet die onderlinge liefde (Johannes 13:35) en zichtbare eenheid (Johannes 17:21,23), waar Jezus Christus het over heeft. Verder is er enorm veel ongeloof en ontstellend weinig besef van God. Ondertussen neemt de wereldsgezindheid steeds verder toe. Zal het ooit anders worden, dan moet de hele zaak tegen de vlakte en moet er een nieuw begin worden gemaakt op een nieuw fundament. Dat nieuwe fundament zal gelegd moeten worden volgens het bestek van de Bijbel. Hierbij is met name belangrijk welke richtlijnen de Bijbel geeft ten aanzien van het begrip “Christen” en het begrip “Gemeente”. Als mensen gaan proberen deze grote veranderingen tot stand te brengen, zal de puinhoop alleen maar groter worden. Het wordt pas iets goeds als de Heilige Geest de regie heeft in en door wedergeboren mensen, die in eerbiedig geloof God en Zijn Woord gaan gehoorzamen. Zo is ook ooit de Reformatie begonnen.

J. Tot slot.
     Dit document werd niet geschreven om kritiek te spuien op allerlei mensen uit het verleden. Ook niet om mensen die nu nog leven, in een kwaad daglicht te stellen. Ons enige doel is geweest: obstakels uit de weg ruimen ten behoeve van de verkondiging van het evangelie van Jezus Christus. Daar ligt het front tussen het Koninkrijk der hemelen en deze wereld. De voorspoed van Gods Koninkrijk hier op aarde wordt niet afgemeten aan het aantal kerkgangers, of het aantal orthodoxe, theologische universiteiten, of de grote hoeveelheid Christelijke boeken, die wordt gepubliceerd. Ze is te zien aan de kracht van de Heilige Geest, waarmee aan zondaren het evangelie van de redding door Jezus Christus wordt verkondigd. Wat dat betreft is er reden om jaloers te zijn op mensen uit het verleden, die een Luther, of een Whitefield, of een Spurgeon hebben horen spreken. Moge God ook onze tijd nog genadig zijn, nu het op deze wereld zo duister aan het worden is, terwijl ondertussen zij, die pretenderen deskundig te zijn wat betreft de Bijbel, het zo enorm laten afweten.
In 2 Timotheüs 2 waarschuwt Paulus de jonge Timotheüs voor allerlei dwaalleraren. Als troost laat hij in vers 19 deze woorden erop volgen: “En toch staat ongeschokt het hechte fundament Gods met dit merk: De Here kent de Zijnen, en: Een ieder die de naam des Heren noemt, breke met de ongerechtigheid.” Als u uzelf aan Jezus Christus hebt toevertrouwd met al uw zonden en met heel uw leven, dan kent de Here u! Wat een blijdschap, wat een vrede, wat een zekerheid geeft dat feit! Het geeft iemand eveneens de moed om te belijden dat hij van Christus is en om te breken met alle ongerechtigheid, hoe vroom die ook moge lijken.

K . Inhoud:
(Tip: U kunt in dit document navigeren door onderstaande titels in de zoekfunctie van de pagina te plaatsen)
A. Inleiding
B. De vruchten van de theologie
C. Vrijzinnige theologen hebben geen eerbied voor God
D. Orthodoxe theologen hebben eveneens geen eerbied voor God
Sola Scriptura. Alleen de Schrift.
Sola Gratia. Alleen door Genade
Sola Fide.  Alleen door Geloof
Solus Christus. Alleen Christus
Soli Deo Gloria. Alleen eer aan God
E. De Bijbel aan het woord
De Bijbel over het begrip “Christen”
De Bijbel over de gemeente
            – De Bijbel over het kennen van God 
De Bijbel over de geestelijke strijd
De Bijbel over de bestemming  van de mens . . . en de mensheid
F. De afval van de vroege kerk
G. De kerk als heilsorgaan.  Dé bron van ellende
De kerk en het staatsmonopolie op de godsdienst
– De kerk, een molensteen
– De kerk die verblindt
De kerk zonder het Kruis van Christus
– De kerk als heilsorgaan, een onoverbrugbare kloof voor opwekking
H. Eerbied voor God en Zijn Woord en het ontmaskerde heilsorgaan
I. De nood van deze tijd
J. Tot slot
K. Inhoud