De opgegeten kerk                   >>PDF<<

Afrika is een land met grote tegenstellingen. Neem nu eens de natuur. Er zijn aan de ene kant de dichtbeboste bergen, een lust voor het oog. Ook zijn er velden die grote opbrengsten geven, waar alles zo weelderig en overvloedig gedijt. Een land, overvloeiende van melk en honing.
Maar er zijn ook troosteloze, verlaten zandvlakten met stenen en steppegras.
Het is verbazingwekkend dat de herders die daar rondzwerven met hun schapen, nog voedsel vinden. Terwijl in andere delen van het land het water uit volle bronnen omhoog borrelt, is hier alles verdroogd en valt er bijna geen regen.
In zo’n dorp in Zuidwest Afrika, dat ik eens bezocht, had het in tien jaar niet geregend.
Zoiets kunnen wij ons bijna niet voorstellen.
Als dan eindelijk de regen valt, wordt deze belangrijke gebeurtenis uitbundig gevierd. De kinderen, van wie de meeste nog nooit water uit de lucht hebben zien vallen, krijgen schoolvrij en springen vrolijk lawaaimakend in de stromende regen rond.
. Ook in de woontoestanden in Afrika zijn grote verschillen. Er zijn wondermooie, zeer moderne steden, waar van alles te koop is. Ergens anders zijn armzalige nederzettingen waar de mensen in ellendige hutten wonen.
En dan nog de tegenstellingen onder de mensen zelf!
Er wonen hier blanken, bruinen en zwarten.
Iedere stam – ieder volk – spreekt zijn eigen taal en kan zich tegenover een buurstam maar met de grootste moeite verstaanbaar maken.
Ook in kerken is groot onderscheid.
Moderne imponerende gebouwen komen we tegen in verschil­lende steden.
Maar even zo goed komt het voor dat een christelijke gemeente zich schatten verzamelt in een grote boom.
Gelukkig is God niet aan een bepaalde ruimte gebonden en is Hij ook hier tegenwoordig in al Zijn liefde en goedheid.
Van een heel bijzondere kerk wil ik deze keer vertellen.
Op een avond rijden wij door een eenzame, kale streek om Gods Woord te verkondigen.
Hier bouwen een aantal zwarte werkmensen een brug over de Oranjerivier, die de Zuidafrikaanse Republiek van Zuidwest Afrika scheidt. Van steppegras hebben zij verschillende eenvoudige hutten ge­maakt. Die moeten als onderkomen voor de nacht dienen, zolang de bouwarbeid voortduurt, en die kan meerdere jaren duren. De christenen onder de arbeiders willen niet jarenlang zonder de verkondiging van Gods Woord zijn. Zij willen graag een kerk hebben.
In hun vrije tijd gaan zij aan het werk. Zij snijden lang dor gras en vlechten er grote matten van. Deze matten voegen zij samen en zo maken zij een eenvoudige kerkhut.
Daar staat hun kerk, kant en klaar, op de heuvel.
Maar eerst moet hij nog ingewijd worden. Daar verheugt iedereen zich geweldig op. De inboorlingen vieren graag feest.
Voor deze inwijding zijn wij ook uitgenodigd. Een boer zal ons meenemen op zijn vrachtauto, een oude kar. Die is al volgepakt met mensen als wij komen, maar ik ga er toch ook nog maar bij. Wij zijn allemaal klaar om te gaan en het verwondert mij dat er nog niets mis gaat.
Dan zie ik dat vier mannen, ieder aan een wiel, met de banden bezig zijn. Ze beginnen allemaal tegelijk uit alle macht te pompen. Plotseling springen ze op de wagen en roepen: ‘vooruit!’ En daar ratelt ons gevaarte weg.
Dat gaat zo lang goed tot de wielen beginnen te stoten. Dan is het weer tijd om lucht bij te pompen.
Dit herhaalt zich nog een paar maal en ik kan je verzekeren dat we blij zijn als we eindelijk de plaats van bestemming bereikt hebben. De streek hier is werkelijk troosteloos.
Wijd en zijd is er niets anders te zien dan stenen, zand, rotsen en dor gras. Alleen in de richting van de Oranjerivier is een strook fris groen te zien.

Ja, daar staat hij, op de heuvel: de kerk die wij morgen, op zondag zullen inwijden.
Uit alle buurgemeenten komen de genodigde gasten.
Enkele mensen die wat verder af wonen, komen rijdend op de rug van een ezel. Donkies noemen we die hier.
De vrouwen zijn druk bezig met het bakken van koeken die bij de thee gegeten zullen worden.
Voor de laatste keer oefent het koor nog eens de liederen die morgen op het programma staan.
Wij kunnen er zeker van zijn dat het goed zal gaan, want de zwarte Afrikaners hebben prachtige stemmen.
Iedereen ziet blij en vol verwachting de komende dag tegemoet.

Al vroeg in de morgen staan we op om naar de kerk te gaan. Maar wat is dat?
De mensen kijken naar de heuvel omhoog, wrijven zich de ogen uit en kijken opnieuw naar de plaats waar de kerk staat. Of nee, waar zij gestaan hééft . . .
Dan. . . ach, snel merken wij wat er gebeurd is.
De ezels waar de gasten gisteren mee gekomen zijn, hebben vannacht de kerk opgegeten! Enkele onverzadigbare dieren zijn nog met de resten van de maaltijd bezig.
De kerk is vernietigd.
Maar het feest gaat toch door!
En ook zónder kerk mogen wij het Woord van God aan een grote schare verkondigen.
Ook zonder kerkgebouw is Christus tegenwoordig en vinden mensen in Hem hun Verlosser.
In de week daarop bouwen de mensen opnieuw hun graskerk op. De ezels krijgen nu voortaan geen gelegenheid meer om zich aan de kerk te goed te doen: een vriendelijke boer heeft er een omheining om gemaakt.
Veel mensen hebben daarna de honger van hun ziel daar kunnen stillen, want hier wordt hun het Brood des Levens, Jezus Christus, aangeboden.

Bron: Tot Eer van Zijn Naam door A.M. Pronk-Oudshoorn/Inge Helmig-Mosel, Amsterdam 1982
© A.M. Pronk-Oudshoorn. Putten