De dwaasheid van het ongeloof                              >>PDF<<

Een toespraak gehouden op zondagochtend 28 augustus 1887 door C.H. Spurgeon.

Toen zei Hij tot hen: “O dwazen en tragen van hart, dat gij niet gelooft, alles wat de profeten gesproken hebben!”  Lucas 24:25 (King James Version)

De twee discipelen, die al pratend naar Emmaüs liepen en verdrietig waren, waren echte gelovigen. We mogen mensen niet beoordelen aan de hand van hun gevoelens op een bepaald ogenblik. Blij zijn is geen helder bewijs van genade en het hebben van een depressie is geen onfeilbaar teken van onoprechtheid. De scherpste ogen, die op zoek zijn naar de hemel, zijn daar soms zo door in beslag genomen geweest, dat ze de echte vreugde in hun hart niet konden zien. Wees niet terneergeslagen, mijn broeders en zusters, als zo nu en dan tranen van verdriet over uw wangen lopen. Jezus kan tot u naderen en toch kunt u bedroefd zijn vanwege verborgen verdriet.

De Here Jezus Christus kwam bij de twee discipelen en liep zo’n zeven mijl met hen mee om hun verdriet weg te nemen, want het is niet de wil van onze Here, dat Zijn volk terneergeslagen zou zijn. De Heiland doet zelf wat Hij vroeger een profeet opdroeg te doen: “Troost, troost Mijn volk, zegt Uw God, spreek tot het hart van Jeruzalem”. Zo sprak Hij en zo handelt Hij. Hij was blij toen Hij wegging om ons een andere Trooster te zenden, omdat Hij wenst, dat we een overvloed aan troost hebben. Maar die belofte bewijst, dat Hij Zelf een Trooster was en is. Verbeeldt u niet, als u verdrietig bent, dat de Here u heeft verlaten. Ga er eerder vanuit, dat Hij juist om deze reden tot u zal komen. Zoals door het huilen van een baby de voetstappen van een moeder sneller gaan om er nog vlugger te zijn, zo zal uw verdriet het komen van uw Here bespoedigen. Hij hoort uw kreunen, Hij ziet uw tranen, – zijn ze niet in Zijn kruik? Hij zal tot ons komen als de God van alle vertroosting.

Merk op, dat toen de Heiland tot deze treurenden kwam, Hij heel erg wijs met hen handelde. Hij begon niet onmiddellijk met te zeggen: “Ik weet, waarom jullie verdrietig zijn.” Nee, Hij wachtte erop, dat zij zouden spreken en geduldig hoorde Hij van hen de punten en bijzonderheden van hun moeite. U, die te maken hebt met treurenden, leer hieruit het handelen van de wijsheid. Praat zelf niet te veel. Laat het overvolle hart zich ontlasten. Jeremia ontleent in bepaalde mate hulp aan zijn eigen klaagzangen. Zelfs Job voelt zich een beetje beter, wanneer hij zijn klacht uitstort. Die smarten, die stil zijn, gaan erg diep en dompelen de ziel in ellende ten onder. Het is goed om verdriet een tong te laten hebben, waar sympathie een oor heeft. Sta diegenen, die de Here zoeken, toe om hun moeilijkheden aan u te vertellen. Praat niet teveel met hen, totdat zíj dat hebben gedaan. U zult des te beter met hen kunnen omgaan en zij zullen er beter op voorbereid worden om uw woorden van blijdschap te ontvangen. Vaak is door het onder ogen zien van de verdrietige kwaal de genezing al half tot stand gebracht, want veel twijfels en angsten verdwijnen, wanneer ze worden beschreven. Het verborgene geeft voedsel aan de ellende en wanneer dat verborgene eruit gelicht wordt door een heldere beschrijving, is de scherpte van het verdriet eraf. Leert dan, u die trooster zou willen zijn, dat de treurenden hun wond laten zien, voordat u er olie en wijn in giet.

Leert ook een heilige les, u die treurt! Het is goed voor u, dat, wanneer u uw verdriet uitstort, u dat doet voor de Here. Deze twee beproefde reizigers vertelden, hoewel ze het niet wisten, hun verdriet aan Diegene, Die het best van allen hen kon helpen om het te dragen. U kunt het uw vrienden vertellen als u wilt en het zal wat opluchting geven, maar als u de troon van de genade zoekt en de Verlosser tot uw belangrijkste Vertrouweling maakt, zal uw opluchting zeker zijn. Ga in de stilte, sluit de deur en buig u daar neer, afgezonderd van de discipelen en zeg: “Jezus, Meester, ik wil U graag vertellen wat mij verdriet doet! U, grote Hogepriester, Die vertrouwd was met ziekte, U zult me beter begrijpen dan mijn naaste vriend en ik wil mezelf graag plaatsen onder Uw zorg.” Wat een groot voorrecht, dat wij met vrijmoedigheid toegang hebben tot het oor en het hart van Jezus, onze Here!

Leer nog een ander punt van wijsheid. Toen onze Here hun uiteenzetting van de nood had gehoord zou Hij hen onmiddellijk hebben kunnen troosten: één woord zou het hebben kunnen doen. Zei Hij niet: “Maria”, en wendde zij zich toen niet meteen om en zei met enorme blijdschap: “Rabboeni”? Hij ging wijzer te werk dan alleen maar een haastige troost te bieden. Hij bestrafte hen eerder dan dat Hij hen bemoedigde. Hij begon met te zeggen: “O, dwaze mensen en tragen van hart, dat gij niet gelooft alles wat de profeten gesproken hebben!” Merk op, dat ik de Revised Version  citeer, want de oude vertaling is te hard. Onze Here noemde hen geen “dwazen” maar “dwaze personen”. Het verschil ligt meer in de formulering dan in de echte betekenis. Hij berispte hen vriendelijk, maar toch verstandig. Hij liet hen weten, dat hun ongeloof afkeurenswaardig was en Hij noemde hen “dwaas”, omdat zij hieraan toegaven. O, geliefde broeder, als uw Meester u berispt, twijfel dan niet aan Zijn liefde! Als u in verdriet tot Hem gaat en Hij u ruw antwoordt, dan is het Zijn liefde, die ternauwernood verborgen is en die zo uw echte welzijn zoekt. Als u in uw Here gelooft, zult u antwoorden: “Meester, zeg het”. Als Hij u “dwaas” noemt, zult u zich afvragen waarom Hij niet iets ergers van u zegt en in elk geval zult u Hem vertrouwen op de wijze van Job, toen hij zei: “Al slaat Hij mij, toch zal ik Hem vertrouwen”.

Let er vooral op, dat de berisping van onze Heiland gericht was op hun ongeloof. Ongeloof waar we ons zo vaak voor verontschuldigen en waar we bijna medelijden voor eisen, wordt door onze Here niet behandeld als een kleinigheid. Hierom noemt Hij hen “dwaas”. Hierom berispt Hij de traagheid van hun hart. Laten we onszelf niet gemakkelijk verontschuldigen voor het wantrouwen van God. Als we ooit aan onze genadige Here twijfelen, laten we onszelf dan echt schuldig voelen. Beschouw ongeloof als een fout, eerder dan als een zwakheid. Spoor uzelf aan om een dapperder en stabieler geloof te zoeken dan u tot nu toe hebt bereikt. Waarom zouden we doorgaan met misslagen begaan en verkeerd oordelen en daarom geïrriteerd zijn, wanneer een beetje overweging ons terecht zou helpen en terzelfder tijd zou bewerken, dat we onze Here eren en zelf vervuld worden met vreugde en vrede door te geloven?

Ik ga deze berisping behandelen zoals God, de Heilige Geest, me zal helpen;

ten eerste door te spreken tot de echte gelovige en ten tweede door te spreken tot de zoekende. Ik zal wat bittere dingen naar voren moeten brengen, die zullen werken als een versterkend   middel, maar door zo kracht te geven aan uw gestel zullen ze uiteindelijk uw angst beter opruimen dan mooiere dingen zouden hebben gedaan. Hoor dan onze Here zeggen: “O, dwaze mensen en tragen van hart, dat gij niet gelooft alles wat de profeten gesproken hebben!”

Bij het spreken tot de gelovigen wil ik graag dat ze opmerken, dat onze Here hun ongeloof berispte op twee punten: Ten eerste: het is dwaas en ten tweede: het komt voort uit traagheid van hart.

I. Ten eerste dan: ONGELOOF IS DWAASHEID. Niet alles te geloven wat de profeten hebben gesproken en er geen troost aan te ontlenen, is grote dwaasheid. Dwaasheid! Let op dat woord: “O dwazen! O, dwaze mensen!” Deze dwaasheid doet de liefhebbende Jezus deze woorden uitroepen.

Het is dwaasheid, omdat het voortkomt uit een gemis aan nadenken en beschouwen. Niet denken is dwaasheid. De ruimte te geven aan verdriet, terwijl een beetje nadenken het zou voorkomen, is dwaasheid. Nietwaar? Als deze twee discipelen waren gaan zitten en hadden gezegd: “Nu, de profeten hebben met betrekking tot de Messias gezegd, dat Hij als een lam ter slachting zou worden geleid en zo was het met onze Meester”, dan zouden ze versterkt zijn geweest in hun vertrouwen, dat Jezus de Messias was. Als ze hadden gezegd: “De profeet David schreef: ‘Zij doorboorden Mijn handen en Mijn voeten’”, dan zouden ze dit hebben herkend in hun gekruisigde Here. En als ze de andere gedeelten van de profeten hadden opgezocht, waarin zij spreken over de toekomstige heerlijkheid van de Messias, dan zouden ze verfrist zijn met hoop. In de Schrift zouden ze typen, beelden en heldere woorden hebben gevonden, waarin de dood en de opstanding, de schande en de heerlijkheid van Christus met elkaar worden verbonden en het kruis wordt gemaakt tot de weg naar Zijn troon. Als ze het getuigenis van de heilige vrouwen hadden vergeleken met de profetieën van het Oude Testament, dan zouden zij een reden tot hoop hebben gekregen. De vrouwen hadden verteld dat het lichaam niet langer in het graf was en dat ze een visioen van engelen hadden gezien, die zeiden, dat Hij leefde. Twee apostelen gingen naar het graf en deden hetzelfde verslag. Dit kwam overeen met de eigen woorden van de Here, waarin Hij Jona tot Zijn type maakte, omdat hij opkwam uit de diepte op de derde dag. Maar zij vergaten de Schriften. Zij dachten niet aan die grote bron van hoop. Hun ogen waren verduisterd door tranen, zodat ze niet konden zien wat er duidelijk voor hen stond. Hoe menige kostbare tekst hebben u en ik steeds weer opnieuw gelezen zonder zijn blijde betekenis te bespeuren, omdat ons verstand verduisterd was door moedeloosheid. We pakken de telescoop, proberen in de hemelse dingen te kijken en wij beademen het glas met de hete adem van onze bezorgdheid, zodat we er niets door kunnen zien en dan komen we tot de conclusie, dat er niets te zien valt. Denkt u niet geliefden, u, die terneergeslagen en vandaag vol verdriet bent, dat als u meer dacht aan de beloften, geopenbaard in Gods Woord, u de dingen spoedig anders zou zien en op zou staan uit uw neerslachtige toestand? U legt uw bijbel weg en u leest niets anders dan het verslag van uw moeiten. Er zijn geen betere zakdoeken voor de tranen van de heiligen dan welke er opgevouwen liggen in de gouden doos van Gods Woord. Hij, Die dit boek inspireerde, is de Trooster. Wilt u zich niet tot Hem wenden in uw donkere uren? O, u, wiens melancholie voortkomt uit het vergeten van de woorden van uw hemelse Vader, van de liefhebbende Heiland en van de Goddelijke Geest, ik vraag u om beter na te denken! Denk aan Gods voorzienigheid, Zijn onveranderlijke liefde, Zijn macht, Zijn trouw, Zijn genade. Denk aan de beloften en als u ze in uw gedachten aanneemt, dan zullen ze een zoete geur afgeven, die u zal verblijden. Heilige gedachten zullen u uit uw verdriet weten te halen op een haast betoverende manier. Maar wat een dwaasheid is het om, vanwege gebrek aan denken, ons hoofd te buigen als een lisdodde, terwijl we, zoals de zonnebloem, naar het Licht kunnen kijken, totdat we zelf kleine zonnen worden!

Ongeloof is dwaasheid, omdat het niet overeenkomt met onze eigen belijdenis. De twee discipelen beleden dat ze geloofden in de profeten en ik twijfel er niet aan, dat ze dat deden. Het waren vrome Joden, die de Heilige Boeken accepteerden als zijnde Goddelijk geïnspireerd en daarom onfeilbaar, en toch handelden ze nu, alsof ze helemaal niet in de profeten geloofden. Maken wij ons niet dikwijls schuldig aan een soortgelijke tegenstrijdigheid? O broeders, het is één ding om te zeggen: “Ik geloof de bijbel”, maar het is nog iets heel anders om naar dat geloof te handelen! We hebben meer een schijngeloof dan een echt geloof. Dat Boek is waar en elke belofte erin is waar; ik weet en ik geloof, dat het zo is en toch, wanneer ik bij de test kom, hoeveel geloof verdampt er dan en hoe triest bewijst mijn heen en weer wankelend hart, dat mijn geloof meer op fantasie gericht was dan op de werkelijkheid! Er is meer ongeloof in de beste gelovige dan hij zelf door heeft. Wij denken, dat wij in het grote geheel geloven en toch, wanneer het op het detail aankomt en we moeten handelen op grond van deze of die belofte als een werkelijke zaak in het alledaagse leven, dan is het nodig, dat wij een kaars aansteken en het huis vegen om ons geloof te vinden. Wat een dwaasheid is dit! Als het woord van de Here waar is, dan is het waar en dan dienen we ernaar te handelen. Als het niet waar zou zijn, waarom belijden we dan erin te geloven? Datgene, wat ontwijfelbaar waar is, zal alle spanning en druk verdragen, die het leven en zijn beproevingen erop kunnen uitoefenen en het is aan ons om te handelen naar dit geloof. Broeders, het past ons niet om met het geloof te spelen. Laten we ons verstand erbij houden en een serieuze zaak maken van datgene, wat niet gezonden is om ons te verwarren, maar om ons gezond te onderrichten. Het woord van de Here is in harmonie met Zijn voorzienigheid en als we Hem geloven wat betreft het ene, moeten we Hem ook vertrouwen wat betreft het andere. We mogen veilig het gewicht van ons lichaam en onze ziel, ons heden en onze toekomst laten rusten op de vaste belofte van een getrouw God. En vanwege onze belijdenis zijn we verplicht dat te doen. Het is dwaasheid om onszelf gelovigen in de bijbel te noemen en dan te gaan twijfelen en te gaan wantrouwen.

Dwaasheid, nogmaals, wordt duidelijk gezien in die ongelovige somberheid, omdat het bewijs, dat ons zou moeten opvrolijken, zo duidelijk is. In het geval van de broeders, die naar Emmaüs gingen, was er een vaste grond voor hun hoop. Zij spraken, naar mijn idee, een beetje hooghartig over die heilige vrouwen, als “enige vrouwen”. Toch waren er geen betere discipelen in de wereld dan die vrouwen. Ze waren zeker de besten van het uitverkoren gezelschap – Maria en Maria Magdalena. Zelfs aan het getuigenis van Petrus en Johannes, de belangrijksten van de apostelen, wordt niet voldoende waarde gehecht, want zij spreken van “enigen van de onzen”. Ik zeg niet, dat ze zonder respect spraken, maar er is een verdoezeling van hun getuigenis door twijfel te suggereren. Betreffende deze godvruchtige vrouwen laten ze een indruk op mijn geest achter, alsof ze hadden gezegd: “Vrouwen willen praten en deze vrouwen zeiden, dat ze een visioen van engelen hadden gezien, die zeiden, dat Hij leefde.” Het wordt weergeven als iets wat men heeft van horen zeggen. Ze zeiden, dat ze diegenen hadden gezien, die hadden gezegd….. Als het hen op de man af gevraagd was, zouden de twee discipelen niet hebben toegegeven, dat Magdalena en de andere vrouwen of Petrus en Johannes het vertrouwen onwaardig waren. En toch deden ze vanwege hun verdriet net alsof de getuigen het mis hadden. Als zij, die bij het lege graf waren geweest, geloofd moesten worden, waarom twijfelden ze dan? Het bewijs waar ze het nu zelf over hebben, hoewel we het hier op deze plaats maar kort weergegeven vinden, was het sluitende bewijs, dat Christus het graf had verlaten. En toch twijfelden zij daaraan. Nu, geliefde vrienden, u en ik hebben een overvloedig bewijs van de trouw van God en als we ongelovig zijn, dan zijn we onredelijk en dwaas. Tenminste, ik sta hier en belijd, dat telkens wanneer ik aan mijn God twijfel, het van mijn kant een onnodig kwaad is. Ik heb nooit enige reden gehad om Hem te wantrouwen. Deze vele jaren, dat ik op Hem vertrouw, heeft Hij mij nooit een keer in de steek gelaten. Ervaren christenen, hoe kunt u ooit wankelen in uw vertrouwen? Als wij niet geloven, is dat dan niet dwaas? Als de Heiland ons geen dwazen noemt, dan worden we gedwongen onszelf zo te noemen.

Wij kunnen niet veronderstellen, dat de belofte, het verbond en de eed van God, kunnen falen. De veronderstelling kan niet getolereerd worden, geen ogenblik. Duizenden zielen rusten met alles op de trouw van God en verlangen geen andere veiligheid. Maar als God ontrouw zou zijn, wat zal er dan van hen terecht komen? Als de fundamenten worden weggehaald, wat kunnen de rechtvaardigen dan doen? Dan zullen zij, die ontslapen zijn in Christus, omgekomen zijn. Of zelfs als ze in de hemel zijn, wat voor zekerheid hebben ze daar, als God kan veranderen? Ik voel me helemaal veilig aan boord van het schip van het verbond, want al de heiligen drijven hier in deze ene boot. Als God faalt, dan falen we allemaal samen en dan is er een einde aan het geloof, aan de hoop en aan alle dingen gekomen. Daarom, laten we niet zo dwaas zijn om te zondigen tegen het licht van de absolute waarheid. Laten we geloven wat we weten en wat we ondervonden hebben. Laat de ervaring uit het verleden ons vast verankeren wat betreft de toekomstige omstandigheden.

Ongeloof is dwaasheid, omdat het dikwijls voortkomt uit het feit, dat wij zo’n haast hebben. Ze zeiden: “Maar met dit al is het thans reeds de derde dag.” Ik weet, dat ze grote dingen hadden verwacht op die derde dag en dat ze die terecht verwachtten. Maar toch, de dag was nog niet voorbij en ze zaten in zo’n koortsachtige toestand, alsof het al een maand geleden was. Hoewel de Heiland had gezegd, dat Hij op de derde dag zou opstaan, had Hij niet gezegd, dat Hij aan hen allen op de derde dag zou verschijnen. Hij zei hen naar Galilea te gaan en dat ze Hem daar zouden zien, maar die ontmoeting was er nog niet geweest. “Wie gelooft, haast zich niet”, maar zij, die niet geloven, zijn altijd rusteloos. Terecht is er geschreven: “Gij hebt nodig geduld te oefenen”. Het tijdstip van Gods beloften is volmaakt. Maar ze zullen niet allemaal vandaag worden vervuld. Goddelijke beloften zijn als bepaalde cheques, die verzilverd kunnen worden zoveel dagen, nadat ze gezien zijn. En omdat ze niet meteen bij het tonen ervan worden uitbetaald, twijfelen we of het wel goede cheques zijn. Is dit redelijk? Zijn we niet dwaas om te twijfelen aan het vaste handschrift van een God, Die niet kan liegen? Omdat God uw interpretatie van Zijn belofte niet heeft uitgevoerd volgens uw eigen dictaat, trekt u daarom Zijn trouw in twijfel! Als het visioen op zich laat wachten, wilt u er daarom niet meer op blijven wachten? Het zal komen op zijn eigen vastgestelde tijd. Zou u willen, dat er voor u vaart achter gezet wordt? Wat krijgen we nu? Zullen de zon en de maan hun pas versnellen om zich aan te passen aan uw snelheid? Moet God Zelf Zijn plannen veranderen op uw bevel? Werkelijk, de zaken staan er zo toch wel heel raar voor! Bent u mens of God? Als u mens bent, wacht dan op Gods tijd en beheers uw ziel in geduld. Als u dat niet doet, maar als een ontevreden kind alles nu moet hebben of anders gaat schreeuwen en vechten, dan verdient u de roede en terecht kan de Here tot u zeggen: “O, dwaas!”

Nogmaals, ik denk dat we, steeds wanneer we twijfelen, terecht beschuldigd worden van dwaasheid, omdat we onszelf onnodig laten lijden. Er zijn genoeg bittere bronnen in deze woestijn zonder dat wij er nog meer graven. Er zijn genoeg echte oorzaken van verdriet, zonder onze uit de lucht gegrepen oorzaken. Ik geloof, dat de heftigste kwellingen in de wereld die zijn, die de mensen zelf maken. Geen adder heeft ooit Cleopatra zo vreselijk gebeten als die, welke zij zelf tegen zich aan hield. Sommige van onze vrienden besteden al hun dagen aan het voor zichzelf naaien van linnen zakken. Ik heb de schoenlapper gezien, die met zijn klopsteen bezig was een ongerief op te lappen en hij heeft zijn werk zo goed gedaan, dat de schoen zijn voet dagenlang heeft gekneld. Het lijkt triest, vindt u niet? Toch, broeders en zusters, hebben we sommigen in ons midden, die een meester zijn in het zich zorgen maken. Ik denk niet dat, toen u nog een jongen was, u ooit de bossen in ging om een stok voor uw vader te zoeken om u daarmee te slaan, maar u hebt dit steeds opnieuw gedaan sinds u man bent. En des te verdrietiger is het, dat u zo dwaas bent. Als deze twee reizigers hadden nagedacht en hadden geloofd, dan zouden ze geweten hebben, dat Christus uit de doden was opgestaan. En terwijl ze naar Emmaüs liepen, – als ze dan überhaupt ooit aan die wandeling begonnen waren – zouden hun gezichten hebben geglommen bij het vooruitzicht van het spoedige zien van Diegene, Die ze zo lief hadden.

Ik wil, dat u er verder op let, dat het dwaasheid was en niets meer. Ik ben zo dankbaar aan onze Here, dat Hij dat woord gebruikt. Hoewel we zelf ons eigen ongeloof dienen te veroordelen met heel ons hart, is toch de Heiland vol tederheid en vergeeft Hij zo overvloedig, dat Hij onze fout beschouwt als dwaasheid en niet als opzettelijke goddeloosheid. Hij vat onze twijfel niet op als een belediging, maar Hij noemt het dwaasheid. Hij weet, dat het waar is van Zijn kinderen, zoals het waar is van onze kinderen, dat er dwaasheid in het hart van een kind ligt. Hij veroordeelt die kinderlijke dwaasheid, die Hij veel strenger had kunnen benoemen. Ik ben er zeker van, dat elk geliefd, gehoorzaam kind zich dankbaar zal voelen als zijn vader zijn fout het wat mildere etiket “dwaasheid” geeft, omdat het zal bewijzen, dat hij hem lief heeft en dat hij zich zal inspannen hem beter te onderwijzen. Het was niet een boosaardige opstand. Er lag geen vijandschap in. Ze hadden hun Here lief, hoewel ze bang waren, dat Hij niet uit de doden was opgestaan. Ik wil niet, dat u een onterechte troost uit dit vriendelijke woord haalt, maar toch wil ik ook graag, dat u niet de blijdschap verliest, die het wil overbrengen. U, die gekweld wordt door uw eigen twijfel, moet niet tot de conclusie komen, dat de Here u volkomen verwerpt. Hij maakt onderscheid tussen de dwaasheid van een kind en de goddeloosheid van een opstandeling: Hij weet wat er in uw hart is en Hij weet, dat u de Zijne bent. U bent als een schip, dat goed verankerd is en hoewel de vloed opkomt en uw schip heen en weer laat slingeren, zodat u zelf aan het wankelen bent, is toch het schip niet losgegooid van zijn ankerplaats en bent u ook niet in enig gevaar. Uw geloof is gevestigd op Christus en dit anker houdt u vast. Hoewel u een beetje heen en weer geslingerd wordt, zult u geen schipbreuk lijden vanwege de zonde, maar wel erg zeeziek zijn vanwege de dwaasheid. Tot zover met betrekking tot de ongelovige somberheid, die dwaasheid is.

II. In de tweede plaats bestrafte onze Here hen vanwege  DE TRAAGHEID VAN HART OM TE GELOVEN.

Dit is een kwaad, wat enorm bestreden dient te worden, maar toch is het helemaal geen zeldzame zonde onder het volk van God. Laat me proberen de aanklacht, welke door onze Here tegen de twee discipelen werd ingebracht, duidelijk te maken, aangezien ik vrees, dat het evenzeer op ons van toepassing is als op hen. Ons hart is zeer vaak traag om te geloven,  tenminste, het mijne is zo en ik veronderstel, dat we veel op elkaar lijken.

Ten eerste: we zijn traag van hart om onze God te geloven, want we zijn veel eerder geneigd om anderen te geloven dan Hem te geloven. Ik ben vaak verbaasd over de licht-gelovigheid van goede mensen, aan wie ik toch wat meer verstand had toegeschreven. Lichtgelovigheid ten opzichte van mensen en ongeloof ten opzichte van God zijn merkwaardige dingen om in dezelfde persoon te vinden. Als we de dagbladen lezen kan het ons niet ontgaan te zien, hoe gemakkelijk mensen gedupeerd worden. Bedenk maar een folder en een lijst namen als bestuurders, inclusief iemand van de verarmde adel en u kunt het geld met karrenvrachten binnenhalen. De vertrouwenstruc kan nog steeds met succes worden uitgevoerd. Een bedrieger had maandenlang geld verdiend door aan te bellen bij de deuren van argeloze, oude mensen in armenhuizen en vertelde hen, dat hij een neef in Amerika had, die gestorven was en hem een fortuin had achtergelaten, maar dat het volstrekt noodzakelijk was, dat er eerst leges betaald werden bij de kantoren van de overheid en dan zou de erfenis meteen overhandigd worden. Steeds weer was het geld bij elkaar geschraapt en was de schurk ermee vandoor gegaan en nooit werd er meer wat van die neef in Amerika gehoord. Zo lopen er zoveel simpele zielen rond, dat schurken overal, alle maanden van het jaar, hun oogst kunnen binnenhalen. En toch wordt er aan de God der Waarheid getwijfeld! Toch wordt het onvergankelijke Woord gewantrouwd! Dit maakt onze traagheid van hart bij het geloven van God des te meer tot een verdrietig teken van onze innerlijke, verdorven natuur. We kunnen geloven, want we geloven in mensen. In de loop van ons leven zijn we dwaas genoeg om ten nadele van onszelf in mensen te geloven. In werkelijkheid is het niet gemakkelijk om uit deze strik los te komen. En toch zijn wij traag van hart om onze God geloven. O, mijn broeders, kunnen we onszelf verontschuldigen? De Here vergeve ons en reinige ons! Laten we voortaan elke lettergreep van Gods Woord als onfeilbaar accepteren, terwijl we ons ongeloof richten op de mens met zijn filosofieën en trouweloosheid.

Is het niet duidelijk, dat wij traag van hart zijn om te geloven, aangezien we dit bij anderen veroordelen, wanneer zij vol wantrouwen zijn? Wanneer we onze broeders in de beproeving zien wanhopen en wantrouwen, dan zijn we heel erg geneigd hen onnodig dom en zondig te vinden door zo traag te zijn in het aannemen van de belofte. En toch, wanneer we in een soortgelijke toestand terecht komen, zijn we niets beter dan zij. Datgene wat we bekritiseren, bedrijven we zelf. De balk is in ons eigen oog, net zoals de splinter in het oog van onze broeder. U bent thuisgekomen, nadat u een vriendin hebt bezocht, die neerslachtig was en u hebt gezegd: “Ik snap niks van haar. Ik heb haar de beloften voorgehouden, maar zij is zo dwaas, dat ze weigert om getroost te worden.” Ja, leer hieruit, hoe u kunt zijn! Binnen een maand kunt u in dezelfde modder wegzinken. Een slecht, ongelovig hart wordt in menige boezem gevonden, waar het bestaan ervan het minst zou worden verwacht. Maar als we de dwaasheid van anderen zien, zullen we dan niet onze eigen dwaasheid belijden? Durven wij datgene te doen, wat we veroordelen? Hebt u ooit van Job gezegd: “Het was jammer, dat hij na al zijn geduld zo bitter sprak en de dag van zijn geboorte vervloekte”? Ik vraag me af hoevelen van ons een beetje beter zouden zijn geweest dan Job. Ik durf niet te hopen, dat ik waardig zou zijn geweest om zijn schoenriemen los te maken. Als ik beroofd was geweest zoals hij en gemarteld met dezelfde brandende zweren en, nog het ergst van al, geïrriteerd werd door critici met hun wrede openhartigheid en boosaardige sympathie, dan zou ik mij niet zo groots hebben kunnen gedragen, als hij deed. Laten we anderen niet streng oordelen. Natuurlijk, zij moeten geloven; zij moeten vrolijker zijn; zij moeten niet toelaten dat hun lasten hen zo volledig verpletteren: maar wanneer wij ook verzocht worden, zullen we zelf dan zoveel beter zijn? Ik ben bang van niet. Laten we onszelf zien in de zwakheid van onze broeders en belijden dat de woorden van onze Heiland waar zijn: wij zijn “traag van hart om te geloven”.

Er is nog een ander punt, waarop we heel traag van hart zijn om te geloven, namelijk, we geloven wel en toch ook weer niet. Wij moeten erg traag van hart zijn, wanneer we zeggen: “Ja, ik geloof die belofte”, en toch verwachten we niet, dat hij vervuld wordt. We zijn snel met ons verstand om te geloven, maar we zijn traag van hart om het in de praktijk te geloven. Juist het hart van ons geloof is traag. Onze geliefde vriend, mijnheer George Muller – moge God hem nog lang sparen – zegt, dat één van zijn doelen bij het rondreizen van gemeente naar gemeente op zijn gevorderde leeftijd is, om te proberen Gods volk naar een echt geloof in de beloften van God te leiden. Hij zegt: “Omdat ik in deze zevenenvijftig jaar heb gezien, hoe weinig echt vertrouwen er op de levende God is (over het algemeen gesproken), zelfs onder echte christenen, heb ik op mijn zendingsreizen het speciaal geprobeerd hun geloof te versterken, omdat ik in de loop van mijn pastorale werkzaamheden aan de ene kant de gezegende resultaten van het echte vertrouwen op God heb leren kennen en aan de andere kant de ellende van het wantrouwen van Hem.” Het doel van mijnheer Muller is erg gewenst, maar wat voor dwazen moeten we zijn, dat dit noodzakelijk is! Er zijn genoeg mensen, die op een overbeschaafde manier in God geloven daar boven op de rand van de maan of “achter de noordenwind”. Maar zij geloven de Here niet in hun winkel, of op hun bed, of in hun keuken; ze kunnen niet geloven met betrekking tot het brood, de kaas, de huishuur en de kleding. Zij praten over het geloven in de Here voor de eeuwigheid, maar voor deze dag en de volgende week zitten ze vol angst. Echt geloof is alledaags geloof. Het geloof van de aartsvaders was een geloof, dat in tenten woonde en dat schapen voedde. We hebben een geloof nodig, dat tegen de slijtageslag van het leven bestand is, een praktisch, werkelijk geloof, dat van uur tot uur op God vertrouwt. O, om verlost te zijn van al die schijn en opgeblazenheid en om op God te vertrouwen zoals een vrouw op haar man of een kind op zijn vader vertrouwt! Ik hoor van schrijvers van “de Realistische School”: we hebben gelovigen nodig van het realistische soort. We hebben het geloof nodig waar ruggengraat en durf in zit. Wij zijn schijngelovigen en zo leiden wij ook een schijnleven. De beloften van God spreken tot ons, zoals Jezus sprak tot zijn discipelen, toen Hij opstond uit de doden: elk ervan roept: “Betast Mij en zie.” Gods woorden zijn geen kaf, maar koren; geen wind, maar brood. Wij zijn traag van hart, omdat, terwijl wij denken dat wij alles geloven wat God tot ons gezegd heeft, dikwijls blijkt, dat ons geloven alleen maar opgeblazen is.

Nogmaals, deze twee discipelen moeten traag van hart zijn geweest om te geloven, omdat zij zoveel uitnemend onderwijs hadden genoten en zij stabiele gelovigen hadden moeten zijn. Zij hadden jarenlang de Here Jezus Christus Zelf als Privé-leraar gehad en toch hadden ze niet de grondbeginselen van een eenvoudig geloof geleerd. “O”, zegt u, “zij waren erg traag”. Bent u niet net zo? Hoeveel jaar bent u bij Jezus? Misschien zelfs wel dertig jaar. Hijzelf heeft u onderwezen, nietwaar? Laat me sommigen van u herinneren aan de opmerkelijke gebeurtenissen in uw leven. Welk een wondervol ingrijpen van de Voorzienigheid hebt u gezien! Wat een merkwaardige bevrijdingen hebt u ervaren! Wat een Goddelijke bewaringen hebt u genoten! Welk een hemelse troost hebt u ontvangen! Als u aan de Heiland twijfelt, dan mag terecht van u worden gezegd, dat u “traag van hart bent om te geloven”. Na alles wat u hebt meegemaakt, mijn broeder, zou er nooit meer een schaduw van twijfel op u mogen vallen! Hebt u niet vaak in een opwelling van dankbaarheid na opmerkelijke gunsten gezegd: “Zie je wel, ik kan nooit meer aan mijn Here twijfelen”? U was dwaas toen u die opschepperige opmerking maakte, maar u bent nog dwazer door die helemaal los te laten. U bent door de Rode Zee gegaan en met de tamboerijn in uw hand hebt u voor de Here gezongen. En toch hebt u, misschien na een korte mars, het bittere water van Mara geproefd en uw mond geopend om te murmureren. God alleen is wijs en wij zijn dwazen. Hij alleen heeft begrip en wij zijn “traag van hart”.

Nogmaals, deze twee discipelen waren erg traag van hart om te geloven, omdat er zoveel in het Woord is, dat hen had moeten overtuigen. Zie hoe de Heiland het zegt: “Tragen van hart, dat gij niet gelooft alles wat de profeten hebben gesproken.” Wat een machtig “alles” is dat! Broeders, bent u zich half bewust van de schat, die er verborgen ligt in de akker van de Schrift? Bent u zo bekend met uw bijbel als u zou moeten zijn? Als dat zo is, dan zult u zich bij mij aansluiten in het spreken over de Schrift, dat die een overvloed aan bevestigend getuigenis bevat. Daar is rots genoeg te vinden, waarop wij kunnen bouwen. We hebben hier niet slechts gebod op gebod, maar belofte op belofte en deze alle worden bevestigd met een gelofte, een eed, een verbond van de Here God Almachtig. Het onderwijs van de Schrift is zo rijk, zo afwisselend, zo overtuigend, dat wij inderdaad traag van hart zijn als ons geloof niet vast en onwrikbaar is. Broeders, een gebrek aan kennis van het Woord van God is vaak het kweekbed van onze twijfel. De helft van onze angsten komt voort uit een veronachtzamen van de Bijbel. Onze geest wordt neerslachtig vanwege een gebrek aan het hemelse voedsel, dat opgeslagen ligt in het geïnspireerde Boek. God verhoede, dat u zult vluchten naar lichtere literatuur om uw geest een prikkel te geven. Ga naar de betrouwbare literatuur van de beloften en word versterkt met voedsel dat beter past bij een onsterfelijke ziel. Zeg zoals Luther: “Kom, laten we een psalm zingen en de duivel wegjagen.” Er is niets beters voor het uitwerpen van boze geesten dan de toevlucht te nemen tot het Goddelijke Woord. Wanneer u meer ziet van wat God heeft geopenbaard, dan zult u opstaan uit uw twijfel en angsten en uw traagheid van hart om te geloven zal van u weggaan.

Voordat ik dit punt verlaat vraag ik u op te merken, dat de Heiland niet zegt, dat zij “hard van hart” waren, maar “traag van hart”. Ik vind het fijn dat te zien. Wanneer Hij heel erg streng is, is Hij toch liefdevol bezig onderscheid te maken. “Traag van hart” zijn we, maar er is geen vijandschap in ons hart ten opzichte van Hem. Het is traagheid en dat is al erg genoeg, maar onze Here helpt ons vol genade bij ons trage tempo. Ons aangezicht is in de juiste richting en onze voeten gaan op de juiste weg, maar we zijn traag van hart en kreupel in het geloof. Zoals David Mefiboseth spaarde en hem toeliet tot zijn tafel, hoewel hij kreupel  was aan beide voeten, zo heeft de Here ons lief en heeft contact met ons, traag van hart als we zijn. Het is slecht om een traag hart te hebben, erg slecht, maar het zou nog veel erger zijn om een onvernieuwd hart te hebben. Met al onze twijfels en angsten hebben we niet langer een hart van steen, maar hebben we een hart van vlees, dat verdriet heeft vanwege haar zondige ongeloof. De Here kent het verschil tussen de zonde van het haten van de waarheid en de dwaasheid om eraan te twijfelen. Vecht tegen deze traagheid van hart, maar laat satan niet binnenkomen als aanklager en u veroordelen, alsof u helemaal geen kind van God zou zijn.

Hierbij wil ik het laten. Daar is de vriendelijke berisping van de Meester, niet bedoeld om u te ontmoedigen, maar om u te bemoedigen. Hij noemt u dwaas, opdat u dat niet langer zou  mogen zijn. Geloof en dit zal uw wijsheid zijn.

Wil het volk van de Here nu zo goed zijn om voor mij te bidden, terwijl ik nu ga spreken tot de onbekeerden? Vraag, dat ik de zegen van God mag hebben, terwijl ik probeer te spreken tot diegenen, die de Here zoeken en nog niet in Hem geloven. Ik wil tot hen alleen maar dit zeggen: “O, dwaze mensen en tragen van hart, dat gij niet gelooft”. Sommigen van u zoeken werkelijk de Here, maar u zegt, dat u niet kunt geloven, hoewel u verlangt te geloven. U bent niet zoals de spin, wiens motto is: “Ik krijg alles uit mijzelf”. U hoopt niet de redding te spinnen uit uw eigen ingewanden, maar u belijdt dat de redding moet zijn door het geloof in Christus. Tot zover is het goed, maar hoe komt het dat u niet meteen gelooft? U zegt, dat u dat niet kunt. Hoe komt het dan dat u niet kunt geloven in Jezus? Hij beveelt u in Hem te geloven en Hij belooft, dat u gered zult worden. Vertrouw op Hem en u zult leven, even zeker als Zijn Woord waar is.

Luister! Dit ongeloof bewijst dat u dwaas bent en traag van hart, want er zijn andere delen van Zijn Woord, die u maar wat gemakkelijk gelooft. Als er een bedreiging of een veroordeling staat, dan gelooft u die. Als er een tekst is, die spreekt van het toekomstige oordeel, dan gelooft u die. U hebt een scherp oog voor wat hard klinkt of wat somber lijkt. Heb ik u niet het Woord zien lezen en bij een gedeelte zien stoppen en horen zeggen: “Helaas, dit maakt mijn geval hopeloos. Ik heb de zonde bedreven, die is tot de dood”. U gelooft in meer dan God heeft gezegd, want u leest uw eigen gedachten in Gods Woord en u laat het meer zeggen dan het bedoelt. U bent maar al te zeer geneigd om de harde dingen tot u te nemen, maar de genadevolle beloften van de liefhebbende Christus wilt u niet geloven. Hoe kunt u dit rechtvaardigen? Wat bent u dwaas! De beloften staan in hetzelfde Boek als de bedreigingen en als u het ene gelooft, geloof dan ook het andere. Zeker, de opwekkende woorden komen voort uit dezelfde inspiratie als de neerslachtige: als u datgene gelooft, wat somber lijkt, geloof dan ook datgene, wat vrolijk lijkt.

Vervolgens, u bent erg dwaas, omdat uw bezwaren tegen het geloof slecht en kinderachtig zijn. Ik zou denken, dat ik er honderden heb gehoord in mijn leven, maar van al de bezwaren, die door verontruste zielen zijn ingebracht tegen het geloven in Jezus, is er niet één, die de moeite van het serieus bespreken waard is. Iemand kan niet in Jezus geloven, omdat hij zich niet nederig genoeg voelt, alsof dat de kracht van Christus om te redden zou beïnvloeden. Als hij zich meer vernederd voelde, dan zou hij in Jezus kunnen geloven. Zou dat niet juist het geloven in zichzelf zijn en het vertrouwen op zijn eigen nederigheid in plaats van het vertrouwen op Christus? Iemand kan niet in Christus geloven, omdat hij niet is als een bepaalde grote heilige. Verwacht hij dan, dat hij als een grote heilige moet zijn, wanneer hij voor het eerst tot Christus komt? Is Christus niet gekomen om zondaren te redden? Weer iemand anders zegt, dat hij niet kan geloven, omdat hij de verschrikkingen van de wet en de dreiging van de hel niet heeft gevoeld. Denkt hij, dat zijn angsten hem moeten redden? Zullen zijn vrees en zijn schrik Christus helpen om hem te redden? Zou hij dan niet op zijn angsten vertrouwen en in plaats van op Christus? De Here Jezus zegt: “Zie op Mij en wordt behouden, al gij einden der aarde”. Het Evangelie moet gepredikt worden aan elk schepsel en elk schepsel dat gelooft, zal behouden worden. Maar deze mensen lopen hiervoor weg en beginnen argumenten te verzinnen voor hun eigen verderf. Wat een treurige, suïcidale bezigheid is dit! Laat de duivel redenen bedenken, waarom ik niet gered word. Het is geen zaak, die mij iets goeds kan opleveren. Niets kan standhouden tegen de belofte van God: Hij beveelt mij om in Zijn Zoon Jezus te geloven en ik geloof en ik word gered en ik zal gered blijven ondanks al de tegenwerpingen, die door het vleselijke verstand ingebracht kunnen worden.

Hoewel u het zo moeilijk vindt om in Christus te geloven, hebt u het erg gemakkelijk gevonden om in uzelf te geloven. Niet lang geleden was u alles en nu kunt u niet geloven, dat Christus alles is. U dacht, dat u erg goed was; u voelde zich erg op uw gemak, toen u juist bang had moeten zijn. Wat! Was het gemakkelijk om in uw arme “ik” te geloven en kunt u niet het getrouwe Woord geloven van een goede, genadevolle Heiland, Die zegt, dat u, als u op Hem vertrouwt, gered zult worden?

Bovendien, u bent nu wel erg geneigd satan te geloven, wanneer hij komt en zegt, dat de bijbel niet waar is, of dat Jezus u niet zal aanvaarden, of dat u zo erg gezondigd hebt, dat er geen hoop meer is, of dat de genade van God u niet kan redden. Natuurlijk, u gelooft de vader der leugen en u loopt al treurend en kniezend rond, terwijl u meteen al zingend en dansend verder had mogen gaan, als u uw Heiland zou geloven. Jezus gebiedt u te vertrouwen en te leven en satan zegt, dat het geen zin heeft om te vertrouwen; u gelooft satan en u behandelt uw Here, alsof Hij van plan was u te misleiden. “O, dwazen en tragen van hart.”

En dan, u weet, hoe snel u ermee bent, u zoekenden, om terug te deinzen voor Christus. Als u een toespraak hoort en een beetje ontroerd raakt, dan gaat u naar huis en u bidt wat; u krijgt het weer gemakkelijk en zegt: “Nu ben ik op de weg”. Wel, uw ontroeringen en uw gebeden zijn niet de weg naar de hemel. Jezus zegt: “Ik ben de weg”. U bent niet op die weg, totdat u naar Hem toegaat. U bent in een gelovig gezelschap geweest en hebt heilige gezangen gezongen; u voelt zich prima en bent erg blij met uzelf. Wat voor recht hebt u om zelfs maar een moment te rusten? Hoe durft u te treuzelen, totdat u de vrijstad hebt bereikt, welke Jezus Christus is? Totdat u in Christus gelooft, hebt u niet het recht om maar een ogenblik vrede, of hoop, of vreugde te hebben en toch krijgt u een soort vrede en een soort hoop, wat alleen maar vonken zijn, die u zelf aangestoken hebt en die in het donker zullen uitdoven. Omdat u ermee tevreden bent te vertrouwen op iets, dat buiten Christus is, zeg ik u: Waarom rust u niet in Christus? O, dwazen en tragen van hart. Schuilplaatsen van leugens, daar vlucht u naar toe, maar de echte schuilplaats van het volbrachte werk van Jezus Christus aanvaardt u niet? Hoe komt dit?

Verder zijn sommigen van u dwaas en traag van hart, omdat u zulke rare eisen aan God stelt. U zou geloven, wanneer u een stem zou kunnen horen, of wanneer u een droom zou kunnen dromen, of wanneer er iets vreemds in uw gezin zou gebeuren. Wat! Is God afhankelijk van uw fantasieën, zodat u niet in Hem wilt geloven, tenzij Hij dit of dat buitenissige doet? Als Hij verkiest om sommigen tot Zich te brengen door buitengewone middelen, moet Hij dan hetzelfde met u doen en geeft u er anders de voorkeur aan om in de hel geworpen te worden? Zeker, u bent gek. Wie bent u, dat u zo de Here durft te dicteren en te zeggen, dat Hij dit of dat moet doen of anders zult u weigeren om in Hem te geloven? Op deze manier zult u het bloed van Jezus vertrappen en het Koninkrijk der hemelen de rug toekeren, tenzij er een engel tot u wordt gezonden, of u een stem uit de hemel hoort. O, dwazen en tragen van hart om deze irrationele eisen te stellen aan de altijd gezegende God!

U bent dwaas en traag van hart, omdat u in grote mate het Woord van God en haar toepassing op uw situatie negeert. Als een ziel in nood de bijbel van de plank neemt en de bladzijden omslaat, dan hoeft hij niet lang te zoeken of hij zal licht ontvangen op een gedeelte, dat hemzelf beschrijft als het voorwerp van genade. “De gezonden hebben geen geneesheer nodig, maar zij die ziek zijn. Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen maar zondaren tot bekering.” Slaat dat niet op u? “Zoekt de HERE terwijl Hij zich laat vinden, roept Hem aan, terwijl Hij nabij is: laat de goddeloze zijn weg verlaten en de onrechtvaardige man zijn gedachten en laat hem wederkeren tot de Here en Hij zal hem genadig zijn; en tot onze God, want Hij vergeeft veelvuldig.” Slaat dat niet op u? “Komt tot Mij allen, die vermoeid en belast zijt en Ik zal u rust geven.” Is dat niet van toepassing op u? Wel, als u slechts het Woord wilt onderzoeken, zult u gedeelten vinden, die zo op uw situatie van toepassing zijn als een sleutel past op een slot; ze zullen voor u gemaakt lijken te zijn! Deze twee discipelen hebben een ogenblik niet gezien, hoe de profeten precies de zaak van de gekruisigde en opgestane Christus behandelden, maar toen ze dat zagen, brandden hun harten in hen. Als ook u ziet hoe God in uw situatie heeft voorzien door Zijn Woord, door Zijn Verbond, door Zijn Zoon, dan zal uw somberheid wegvluchten.

Ik sluit af met dit ene woord van waarschuwing voor diegenen van u, die verdrietig van hart zijn en die in de gewoonte vervallen om naar redenen te zoeken, waarom u niet zou geloven in Christus. Ik vraag u met deze dwaze praktijk te stoppen. Laat, voordat dit kwaad chronisch bij u wordt, het los als iets dodelijks. Mensen kunnen zichzelf de put in redeneren, maar ze kunnen zichzelf niet weer naar boven redeneren. Als u een open deur ziet, in Gods Naam, haast u zich dan naar binnen, want één dezer dagen kunt u zo blind worden, dat u nooit weer een open deur ziet. Grijp deze gelegenheid aan, zolang Christus er is en zegt: “Komt tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt”, kom dan! Als u gaat zitten en gaat argumenteren tegen Christus, kan Hij uw conclusies tot uw eigen verderf overeind laten staan. Diegenen, die zo dwaas zijn dat zij vandaag twintig onheilige redenen vinden, zullen dwaas genoeg zijn om volgend jaar tweehonderd van zulke redeneringen te vinden. Een man kan zich gedragen als een kreupele, totdat hij zelf hopeloos mank wordt. Pas op, waar u mee bezig bent. U kunt menig jaar een deur op slot doen en hem weer open doen, maar één dezer dagen kan het slot zo haperen, dat hij niet meer open gaat. O, dat u meteen in Jezus Christus mag gaan geloven ten eeuwigen leven!

Zelf ben ik op dit punt gekomen – als ik omkom, zal ik omkomen met het geloof in Jezus. Als ik verloren moet gaan, dan zal ik verloren gaan, mij vasthoudend aan Zijn kruis. Kan iemand daar verloren gaan? Nee, wat voor “dwazen en tragen van hart” we ook mogen zijn, we weten dat niemand zal omkomen die tot Christus komt, want dat zou een grote schande zijn voor de naam van de Heiland. God zegene U! Amen.