Alleen maar een droom             >>PDF<<

Opmerking vooraf: Wilhelm Busch was predikant in de Evangelisch Lutherse Kerk.

Er was eens een man. Die had een droom. Hij kreeg een droom, dat hij gestorven was en voor de troon van God stond.
Er werd daar blijkbaar rechtgesproken. Want hij zag een groot aantal mensen voor zich. De een na de ander trad naar voren. Er werden boeken geopend.
De man deed een greep naar zijn borstzak en was dadelijk gerustgesteld, toen hij hier zijn papieren voelde.
Eindelijk kwam ook hij aan de beurt.
Toen stond hij daar voor deze ogen, die hem zo ernstig en doordringend aankeken. Hij voelde een lichte onrust. Zo had hij zich God niet voorgesteld, zo ernstig, zo onomkoopbaar, zo zuiver, zo echt. En merkwaardig . . . juist op dit moment schoten hem heel veel nalatigheden van zijn leven te binnen, waaraan hij eerder nooit gedacht had. Het schoot hem bijvoorbeeld te binnen, dat hij zich helemaal niet serieus om God bekommerd had. Het schoot hem te binnen, dat hij eigenlijk nooit zijn kinderen had verteld van dit ernstige oordeelsuur. Het schoot hem te binnen, dat . . .
Hij kromp ineen. Eisend keken de ogen van God hem aan. Toen schudde hij zijn gevoel van onbehagen van zich af, deed een greep in de borstzak, trok er een bewijsstuk uit en reikte het triomfantelijk aan. Het was een doopbewijs. Zou dat hier niet voldoende moeten zijn? Zeker, daarmee zou men hem vrijlaten. Dat was voor hem zeker.
Een engel nam het bewijs van hem aan, keek erin en legde het zwijgend aan de kant.
Vlammend keken de ogen de man verder aan. Hij schrok. Heel plotseling schoot hem te binnen: Hier gold het doopbewijs zeker niet als ontlasting, maar als belasting, als een aanklacht tegen hem. Want had z’n doop hem niet verplicht, God serieus toe te behoren?
Geschrokken greep hij in de zak en trok er een ander bewijsstuk uit. Het was een confirmatiebewijs. Hier had hij het toch zwart op wit, dat hij een goed christen was geweest. Dat moest geldig zijn. Nu zou men hem zeker loslaten.
Toen leek het hem, alsof de ogen van vuur bijna spottend naar hem keken. De engel pakte echter heel rustig het bewijsstuk en . . .  legde het aan de kant.
Met grote schrik zag de man in één keer: “Had ik de Here Jezus niet geprezen tijdens de confirmatiedienst? Had ik niet. . .”  O, hij wist het nog heel goed, hoe bij het kleine dorpsaltaar hem het hart in de keel klopte. Moeder had gehuild, vader had hem stil in de armen genomen. En wat had hij in dat uur niet allemaal aan gedachten en voornemens in het hart gehad?! “En . . . ik heb andere goden gediend, ik heb. . .”, zo schoot het hem nu door z’n gedachten.
Maar hij vermande zich. “Lieve tijd, je hebt toch nog meer.” Weer greep hij in de borstzak, trok er direct een heel pak papiertjes uit: “Hier! En hier! En hier! Alstublieft, alstublieft!” Het klonk bijna vrijpostig. Het waren enkel kwitanties over allerlei schenkingen, giften voor een goed doel, kerkbelasting-verklaringen en soortgelijke dingen. “Hier! Hier. . .”
“En … hier!”, sprak toen de stem van God met macht. Hij wees op het boek dat de engel vasthield.
Die las:
Eerste gebod: Ik ben de Here uw God. Gij zult geen andere goden hebben naast mij.
Deze man echter heeft U, o Here, niet geëerd. Hij was zijn eigen god. Zijn geld was zijn god. De natuur was zijn god. Hij is schuldig.
Derde gebod: Gij zult de naam van de Here uw God niet ijdel gebruiken.
Deze man heeft echter Uw naam niet in het gebed, in het loven en in het danken aangeroepen. Hij heeft hem bij het vloeken lichtzinnig misbruikt. Hij heeft voortdurend Uw naam gedachteloos in de mond gehad. Zijn hart was echter dood. Hij is schuldig.
Vierde gebod: Gij zult de sabbatdag heiligen.
Deze man had duizendvoudig gelegenheid om op zondag Uw Woord, o Here, te horen. Hij is veertig jaar oud geworden. Alle zondagen, die hij daar beneden heeft beleefd, komen in totaal overeen met zes jaar. ‘s Zondagsmorgens las hij de krant. Dan ging hij wandelen, daarna at hij goed, kreeg bezoek, ging op bezoek. Uw woord echter heeft hij veracht. Hij is schuldig
Toen schreeuwde de man vol ontzetting en . . . werd wakker, badend in het zweet. Lange tijd lag hij bewegingsloos. Nog had de schrik hem te pakken.
Toen viel zijn blik op de muur. Werkelijk, daar hing immers – een beetje vergeeld – zijn confirmatietekst. Een zekere aanhankelijkheid had hem ertoe bewogen om de tekst bij zijn bed op te hangen. Wat daarop stond, wist hij niet meer. Voor veel dingen had hij immers een ongelofelijk “spons”- geheugen. Bijvoorbeeld moppen, bepaalde lichtzinnige woorden zogen zich in hem vast. Zoiets kon hij vaak na jaren tot op het kleinste detail terugvertellen. Maar de tekst – eigenlijk had hij hem ook nog nooit goed begrepen. Hij kwam overeind en las:
“Tenzij iemand opnieuw geboren wordt, anders kan hij het Koninkrijk van God niet zien.”
En daaronder stond de beverige handtekening van zijn oude dominee, die allang overleden was.

Toen hij op kantoor kwam, zag hij er wat aangeslagen uit. Zijn collega’s maakten een paar dubbelzinnige opmerkingen. Hij was echter erg stil. Hij had de zwaarste, maar ook de gelukkigste nacht van zijn leven gehad.
Alleen maar een droom?

Bron: Kleine Erzählungen, Wilhelm Busch  Uitgeverij Gütersloher Verlagshaus, Gütersloh, Duitsland.
© Copyright vertaling 2018 Stichting Exodusgemeente