A.U. Michelson

portret A.U. Michelson

1886 – 1968

JEUGD: Arthur Michelson werd geboren in 1886 te Kronach in het oosten van Duitsland. Zijn vader was een succesvol zakenman, die de Joodse godsdienst erg serieus nam. Haast iedere dag ging Arthur met zijn vader mee naar de synagoge. Hij kreeg onderwijs in het Hebreeuws, de Talmoed en andere Joodse boeken. Toen hij twaalf was, werd hij Bar-Mitzwa, zoon der wet. Later ging hij naar de universiteit en studeerde er rechten, filosofie en nog andere vakken. Het lezen van de boeken van Nietzsche was er de oorzaak van dat hij alle godsdienst verwierp.

BEKERING: Na zijn studie en promotie werd Dr. Michelson rechter en advocaat. Hij trouwde met een Rooms-katholieke vrouw. Beiden hadden de gehele godsdienst opgegeven. Financieel liepen de zaken goed. Toen kwam de Eerste Wereldoorlog en de daaropvolgende geldontwaarding. De Michelsons waren alles kwijt. Arthur ervaarde een enorme geestelijke leegte en kreeg een zenuwinzinking. Zijn buurman had het erg met hem te doen en bezocht hem geregeld. Op een dag liet deze buurman, zeer tegen de zin van Arthur, een Nieuwe Testament bij hen achter. Eerst wilde Arthur er niets mee te maken hebben, maar na verloop van tijd begon hij erin te lezen. De inhoud boeide hem. Hij las er tot zijn verrassing niets in over Jodenhaat, maar juist het tegenovergestelde.
Ondertussen was Michelson lichamelijk en geestelijk een wrak geworden. Bij tijden zag hij zelfmoord als de enige oplossing. Op een keer knielde hij in wanhoop in zijn kamer neer en riep met luide stem: “O God, is Jezus onze Messias? Ik moet het weten!” Na een tijd zo geroepen te hebben kreeg Michelson een gezicht, waarin Jezus hem verscheen. Hij hoorde de woorden: “Mijn kind, Mijn kind, Ik ben de Messias. Ik ben de Messias. Geloof in Mij. Geloof in Mij.” Michelson vertrouwde zichzelf toe aan Hem voor de redding uit zijn zonden. Een tijdje later kwam ook zijn vrouw tot bekering. Na een periode van strijd lieten zij zich beiden dopen.

WERK: Dr. Michelson verhuisde met zijn gezin naar de Verenigde Staten. Hij wist zich heel zeker geroepen om het evangelie van Jezus Christus aan zijn volk, de Joden, te brengen. Daartoe stichtte hij de Hebreeuwse Evangelisatie Vereniging. Het centrum van het werk bevond zich in Los Angeles in de Hebreeuws Christelijke Synagoge. Michelson heeft ook veel toespraken voor de radio gehouden. Op die manier kwam het evangelie veel Joodse huizen binnen. Door het getuigenis van Dr. Michelson zijn velen tot geloof in Jezus Christus gekomen.

“De rechtszaak tegen Jezus”

Dr. Michelson schreef o.a. het boekje “Jesus before the bar” (1938). Dit geschrift geeft vanuit het Joodse denken een heldere visie op de Messias, Jezus. We vinden het een heel belangrijk boekje. Daarom vertaalden we het en plaatsen we het online.

DE RECHTSZAAK TEGEN JEZUS

                                                        door                                >>PDF<<

Arthur U. Michelson

(Los Angeles, 1938)

VOORWOORD

In een orthodox Joods huisgezin horen wij heel veel over de komst van de Messias. Mijn vader en mijn Rabbi vertelden mij telkens weer, dat wanneer de Messias zou komen, Hij de Joden zou verlossen uit al hun moeilijkheden en dat Hij vrede op de wereld zou brengen. Heel dikwijls, vooral op de avond van het Pascha, zag ik mijn vader op het erf achter ons huis staan, waar hij vol spanning naar de hemel en de sterren keek, uitziende naar de komst van de Messias. Terwijl de tranen over zijn wangen liepen bad hij: “O God, wees ons genadig en zend ons de Messias.” O, wat een tragedie! Ik ben ervan overtuigd dat elke Christen man en Christen vrouw ontroerd zou zijn bij zo’n verdrietig schouwspel, waarvan ik diverse keren getuige was.

Elke zaterdagavond besprak mijn Rabbi in de synagoge met andere Rabbi’s de kwestie van de komst van de Messias. Hij legde uit dat er vier tekenen vervuld moesten zijn, voordat de Messias kon komen. Ten eerste, de Joden moesten terugkeren naar Palestina; ten tweede, wanneer rijtuigen zich voortbewogen zonder paarden; ten derde, wanneer mensen in de lucht vliegen als vogels; ten vierde, wanneer een luchtschip over Palestina zou vliegen. Wij vroegen ons af wie de Messias zou zijn en wanneer Hij zou komen.

Later in mijn functie als rechter en advocaat bij de keizerlijke rechtbanken van Duitsland had ik rechtszaken, waarbij godsdienstige kwesties tussen Joden en Christenen betrokken waren. Het was onmogelijk de zaak op een vredige manier te regelen vanwege het verkeerde idee dat men van elkaars godsdienst had. Ik dacht vaak na over hoe ik harmonie zou kunnen brengen tussen Joden en Christenen en hen zou kunnen helpen hun vechten op te geven en te leren elkaar te begrijpen en lief te hebben. Aangezien de moeilijkheden onoverkomelijk leken gaf ik mijn plannen op en zocht naar een andere gelegenheid. Een paar jaar later redde de Here mij op wonderlijke wijze en openbaarde hoe Joden en Christenen kunnen worden samengebracht in de Messias. Daarom stichtte ik de Eerste Hebreeuws-Christelijke Synagoge in Los Angeles, waar Joden en Christenen samen aanbidden, net als in de dagen van de apostelen. Er is geen verschil of onderscheid meer, omdat zij allen één zijn in Hem, “over Wie geschreven staat in de wet van Mozes en de Profeten”.

Het is mijn bijzondere verlangen om door deze bladzijden een diepe overtuiging te brengen over mijn volk voor wie ik niet heb opgehouden te bidden met de last van Degene Die weende over Jeruzalem. O, dat er nog veel meer vrede zouden mogen vinden in “het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt.”

Ik draag dit boek op aan Hem, Wiens zegen alleen het van nut kan doen zijn voor Jood en Heiden.

De uwe in Zijn dienst voor Israël,

ARTHUR U. MICHELSON

1. DE MESSIAANSE HOOP

Het denkbeeld van de komst van een Messias is gebaseerd op het Oude Testament. Bij het ochtendgloren van de openbaring en de menselijke geschiedenis, voordat onze eerste ouders uit Eden verdreven werden, werd Zijn eerste komst in genade aangekondigd in de zeer veelomvattende profetie in Genesis 3:15: “Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw en tussen uw zaad en haar zaad. Dit zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen”.

Dit gedeelte toont dat de komende Verlosser een mens zou zijn en niet een engel. Daarom wordt Hij beschreven als “het zaad der vrouw.” Deze uitdrukking is erg opvallend, omdat het nergens anders voorkomt, zegt D. L. Cooper. Overeenkomstig het Bijbelse verhaal wordt nageslacht nooit gerekend langs de vrouwelijke lijn maar altijd langs de mannelijke lijn. Maar hier wordt de overwinnaar over de grote vijand van de mens aangekondigd als het “zaad der vrouw”. Het feit dat Hij zo wordt aangeduid is een duidelijke aanwijzing dat er iets rondom Zijn persoon is, wat Hem in bijzondere zin maakt tot “het zaad der vrouw”, hetgeen van geen ander gezegd kan worden. De Talmoed laat op de volgende manier dit gedeelte verwijzen naar de Messias: “En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw en tussen het zaad van uw zonen en het zaad van haar zonen; en het zal zijn wanneer de zonen van de vrouw de geboden van de wet houden, zij in staat zullen worden gesteld om u de kop te vermorzelen, maar als zij de geboden van de wet opgeven, zult u in staat worden gesteld om hen bij de hiel te verwonden. Niettemin zal er voor hen een medicijn zijn en zij zullen een geneesmiddel maken voor de hiel in de dagen van Koning Messias.”

De allereerste voorzegging voorspelde eenvoudig de komst van één die in een speciale en bijzondere betekenis het “zaad van de vrouw” zou zijn om verlossing te brengen van de vloek. Aangezien mensen niet het leven kunnen genieten en gezegend kunnen worden zolang zonde, ziekte en verdriet de overhand hebben en de vloek blijft en aangezien deze kwade dingen slechts uitgebannen zullen worden wanneer “het zaad van de vrouw” triomfeert over de grote vijand van de mensheid, dan volgt daaruit dat de zegen van de volkeren zal komen als resultaat van Zijn overwinning over de tegenstander. Is het niet wonderlijk dat God in Zijn grote genade en oneindige wijsheid om leven en redding te brengen hetzelfde kanaal zou nemen dat satan gebruikt heeft om dood en verdoemenis te brengen?

In de tweede plaats verzekerde de Here Abraham in Genesis 12:3: “In u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden”. Daarna lezen wij ook in Genesis 21:12: “In Izaäk zal uw zaad genoemd worden” dat wil zeggen, het zaad dat beloofd werd aan Eva, zal komen van Izaäk en niet van Ismaël. Verderop beloofde God dezelfde zegen aan Izaäk, omdat we lezen in Genesis 26:4: “ … en in uw zaad zullen al de volkeren der aarde gezegend worden.” Izaäk droeg de belofte over aan Jacob (Genesis 27:29). En God bevestigt deze zegen aan Jacob (Genesis 28:14). Hij toont hem in een droom de ladder die reikt van de aarde naar de hemel. Dit is een type van de Messias, Die de aarde met de hemel zal verenigen, de mens met God. Hier zegt God opnieuw dat in het zaad van Jacob al de geslachten van de aarde gezegend zullen worden. Zo weten we dat uit de lijn van Jacob de Messias zal komen. Daarna vinden we in Genesis 49:10 dat Jacob deze zegen overdraagt aan Juda, zijn zoon, en hem een tijdslimiet geeft waarbinnen hij de Messias zou kunnen verwachten: “de scepter zal van Juda niet wijken, noch de heersersstaf tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en hem zullen de volkeren gehoorzaam zijn.”

Nu is Silo, zoals de meest vooraanstaande Joodse schrijvers bevestigen, de Messias. De Talmoed legt “totdat Silo komt” uit met “tot de tijd dat Koning Messias zal komen.” Deze Silo moet gekomen zijn, omdat de scepter van Juda is weggegaan, want de Joden zijn nu verspreid over de aarde en niet langer onderworpen aan één erkende hoofd van de stam. Daarnaast, de moderne Joden kunnen niet bewijzen uit welke stammen zij voortkomen, of het nu is uit Juda, Levi, Benjamin, of delen van de 10 stammen die terugkeerden uit de Babylonische ballingschap. Daarom is het onloochenbaar dat de scepter en daarmee de met gezag beklede wetgever, is weggegaan uit Juda.

Daniël plaatst de komst van de Messias in zijn opmerkelijke profetie van de 70 weken (Daniël 9: 24- 27) bij een bepaalde periode die berekend wordt vanaf het uitgaan van een raadbesluit om Jeruzalem te herstellen en te bouwen en hij voorzegt dat na deze komst van de Messias het offer en het zondoffer zullen ophouden en dat het einde van de Joodse natie gepaard zal gaan met een stortvloed of een vijandige invasie en dat hun land totaal verwoest zal worden. Al deze gebeurtenissen hebben plaatsgevonden. Bijna 19 eeuwen zijn verstreken sinds de dagelijkse offers in de tempel van Jeruzalem zijn gestaakt, toen de Joodse regering omver werd geworpen door de vijandige invasie van de Romeinen en toen het hele land Judea verwoest werd door een zeer vernietigende oorlog. Deze feiten kunnen niet worden ontkend. En bovendien, Joodse schrijvers zelf, zoals de beroemde rabbi’s Rashi en R.J. Ibn Jahchai, zijn het er over eens dat het lijden, wat de Joden ondergingen door de hand van Titus, werd voorzegd in deze profetie. Josephus, de Joodse geschiedschrijver, erkent ook dat Daniël de verwoesting van het Joodse volk door de Romeinen voorspelde. Daarom, aangezien Daniël de komst van de Messias plaatst voor het plaatsvinden van deze gebeurtenissen en aangezien al deze gebeurtenissen lang geleden zijn geschied, moet de Messias reeds lang gekomen zijn.

De volgende Messiaanse profetie vinden wij in Deuteronomium 18:15-19. “Een profeet uit uw midden, uit uw broederen, zoals ik ben, zal de Here uw God u verwekken. Naar Hem zult gij luisteren. Juist zoals gij van de Here uw God gevraagd hebt op de Horeb, op de dag der samenkomst, toen gij zeidet: “Ik wil niet langer de stem van de Here mijn God horen en dit grote vuur niet langer zien, opdat ik niet sterve”. Toen zei de Here tot mij: “Het is goed wat zij gesproken hebben. Een profeet zal Ik hun verwekken uit het midden van hun broeders, zoals gij zijt. Ik zal Mijn woorden in Zijn mond leggen en Hij zal alles tot hen zeggen wat Ik Hem gebied. De man die niet luistert naar de woorden welke Hij in Mijn naam spreken zal, van die zal Ik rekenschap vragen.”
Veel Joodse rabbi’s interpreteren dit gedeelte als volgt op Messiaanse wijze: “Een waar profeet zal de Here uw God u geven, een profeet uit het midden van u, van uw broeders, zoals mij met de Heilige Geest, zal de Here uw God u opwekken; Hem zult gij gehoorzaam zijn. Mozes bracht slechts door de wonderen die hij bewerkte één enkel volk tot de aanbidding van God, maar de Messias zal al de volkeren tot de aanbidding van God brengen.” (Targum Palestina en R. Levi ben Gerhom).

Andere Joodse schrijvers verklaren dat dit gedeelte niets te maken heeft met de Messias maar dat het verwijst naar Jozua. Maar God zei niet dat Hij meteen deze Profeet zou zenden. Integendeel, Deuteronomium 34:10 is duidelijk; onmiddellijk na het noemen van Jozua in vers 9, houdt het denkbeeld dat de grote belofte toen werd vervuld geen stand. Verder, God zei niet dat Hij twee profeten als Mozes zou zenden. Ook niet velen, maar één. Dit is een opvallend feit in de Hebreeuwse geschriften. Er waren veel dienstknechten van God, er waren veel profeten, maar één wordt altijd beschreven als verschillend van de rest. Wie is deze ene? Hier is niet zomaar een raadsel. Het is heel anders. Het is een zaak van leven en dood, want het vers dat we voor ons hebben zegt dat één, slechts één, zou komen om de wens van Israël te vervullen: “opdat ik niet sterve.”

De woorden in Deuteronomium 34:10: “zoals Mozes die de Here gekend heeft van aangezicht tot aangezicht, is er in Israël geen profeet meer opgestaan” laten zien dat zo’n profeet niet meteen opstond. Toch staat er geschreven: “Ik zal opwekken.” Klaarblijkelijk was God een tussenliggende periode van jaren van plan. Zoals we hebben gezien was Jozua niet de profeet. Aan wie moeten wij dan denken? Hoe is het als we zeggen: Elia? Gaf hij een wet? Of Elisa? Werd hij als zodanig aangesteld? Of Jesaja? Zijn boek is erg kostbaar, maar het kenmerkt hem niet als een profeet zoals Mozes; hij is niet Gods boodschapper met de vastgestelde tekenen en kenmerken. Zo is het ook met de andere profeten. En boven dit alles uit weerklinken de woorden: “juist zoals gij van de Here uw God gevraagd hebt. . . opdat ik niet sterve!” Wie kan het aandurven om te zeggen dat zulke godsvruchtige mannen als Jeremia en Ezechiël dit vervulden? Zij brachten niet eeuwig leven. Dit is van vitaal belang. Het is een zaak van leven of dood. Hebt u een profeet door wie u eeuwig leven zult bezitten? “Opdat ik niet sterve” is het verzoek, dat God inwilligde. (Deuteronomium 5:28). En Mozes sprak op profetische wijze over zo Iemand die eeuwig leven zal brengen. Dat deze beloofde toekomstige profeet identiek is aan de engel in Exodus 23:21 wordt bewezen door Gods gebod Hem te gehoorzamen. God noemt Hem hier Profeet en vertelt ons dat Hij geboren zal worden uit een vrouw en zal zijn als één van onze broeders.

Wij hebben gezien uit de voorspelling over de Messias dat “het zaad van de vrouw” de Verlosser van de wereld zal zijn en verder dat Hij uit de stam Juda moest komen.

Nooit tevoren heeft in de geschiedenis van de wereld het onderwerp van de Messiaanse hoop zo’n alles overtreffend belang gekregen. Er is grote ophef onder de Joden, zowel nationaal als geestelijk, en een duidelijk uitreiken naar iets dat ontwijkt en toch erg dringend is. De Christelijke gemeente staat als nooit tevoren op haar tenen van verwachting, want de komst van de Here nadert. Israël, nu vol van nieuw leven en kracht, slaakt een zucht van verlangen, “gelijk een hinde die naar waterbeken smacht” (psalm 42), wachtend op hun komende Koning.

Wie kan zeggen of Zijn komst op handen is en dat het ogenblik nabij is dat Israël tenslotte “blijdschap en vreugde zal verkrijgen en kommer en zuchten zullen wegvluchten” ? (Jesaja 35:10)

2. WIE IS DE MESSIAS?

God beloofde aan Eva dat het “zaad van de vrouw” de Messias zou zijn en bij de vervulling ervan werd Hij geboren uit een maagd, zoals we lezen in Jesaja 7:14: “Daarom zal de Here Zelf u een teken geven: zie, de maagd zal zwanger worden en een zoon baren. En zij zal hem de naam Immanuël geven”. De joodse rabbi’s hebben dit Schriftgedeelte verkeerd geïnterpreteerd en verklaarden dat het geen enkele betrekking heeft op de Messias, maar dat het verwijst naar Hizkia, de zoon van Achaz; daarom zou het verkeerd zijn toegepast door Mattheüs in hoofdstuk 1:23. Het Hebreeuwse woord “almah” zou een jonge vrouw op huwbare leeftijd betekenen, maar niet een maagd. Laten we kijken naar de context van Jesaja 7:14.

Achaz, de koning van Juda, werd ongeveer 700 jaar voor Christus aangevallen door de koning van Assyrië en de koning van Israël. Achaz besloot, omdat hij bang was dat hij niet was opgewassen tegen zulke gecombineerde strijdkrachten, de koning van Assyrië om hulp te vragen. Hij realiseerde zich volledig dat door zo’n stap Juda haar onafhankelijkheid zou kwijtraken, maar het zou in elk geval de troon van David behoeden voor volledige verwoesting. Zo redeneerde Achaz bij zichzelf, aangezien hij geen geloof had. God stuurde daarom de profeet Jesaja naar hem toe met de boodschap dat hij niet bang moest zijn voor de twee koningen die ten oorlog waren opgetrokken tegen hem en de stad, de hoofdstad van Juda. De koning hoeft niet bang te zijn, omdat hij een afstammeling van de familie van David is en daarom van Juda, want God had beloofd dat het koninkrijk Juda niet verwoest zou worden, totdat de Messias kwam en omdat de Messias nog niet was gekomen, had hij zich veilig moeten voelen. Maar hij beefde als een blad in de storm (Jesaja 7:2), omdat hij niet geloofde dat de Messias geboren zou worden uit een vrouw zonder een echtgenoot. Daarom herhaalt God voor hem de belofte aan Adam en Eva, maar maakt die veel duidelijker.

Eerst zegt God tegen Achaz: “Vraag een teken voor uzelf”. Omdat hij weigerde en liet blijken dat hij Gods belofte niet geloofde, zegt de profeet daarop: “De Here Zelf zal u een teken geven. Zie een maagd zal zwanger worden en een zoon baren.” Dat wil zeggen: “Hoewel u, o Koning, niet gelooft dat God niet zal toelaten dat het Koninkrijk Juda verwoest zal worden, totdat de Messias komt, hetgeen God beloofde aan Eva dat het zaad van de vrouw de Messias zal zijn en wat Hij beloofde door Jacob, dat zal zeker gebeuren en een echt teken zijn. Hoewel u geen teken wilt, zal God die toch geven: De welbekende maagd over wie God vroeger sprak zal zwanger worden en een zoon baren. Dit zal het grootste teken zijn dat de wereld ooit heeft gezien.”
In Jesaja 7:11 zegt God tegen Achaz: “Vraag voor u een teken” maar wanneer Achaz weigert, wil Hij het hem niet opdringen, maar Hij wendt zich nu tot het huis van David en de stam Juda en spreekt in het meervoud: “De Here zal u een teken geven. Vreest niet; de twee koningen zullen de troon van David niet wegnemen en hier is een teken, want de Messias zal worden geboren uit een maagd zoals vroeger werd beloofd en de scepter zal niet worden weggenomen totdat Hij komt.”

Zo is het duidelijk dat de profeet alleen maar de vroegere belofte herhaalde dat de Messias geboren zal worden uit een vrouw alleen, omdat het woord “almah” maagd betekent en om het karakter en de aard aan te geven van Hem, Die de kop van de slang zal vermorzelen, zegt hij dat Hij Immanuël genoemd zal worden, dat is “God met ons”, zich daarbij realiserend net als Eva dat deed, dat het zaad geboren voor dit doel, God zou zijn, toen zij bij de geboorte van Kaïn zei: “Ik heb van de Here een man gekregen.” Dit is wat de apostel Johannes zegt in Johannes 1:14: “Het Woord is vlees geworden.”

Wij hebben gezien dat koning Achaz God niet om een teken wilde vragen, want hij geloofde de boodschap niet die de profeet hem bracht, dat het koninkrijk van Juda zou blijven, totdat de Messias komt. Jesaja sprak daarom tot hem en tot het hele huis van David, dat God een teken zal geven van het soort dat de wereld nooit heeft gekend. Een maagd zal een zoon baren die de Messias zal zijn. Hij zou opgroeien in armoede en voordat Hij de jongensleeftijd bereikte zou het land verwoest zijn door de Assyriërs. (Jesaja 7:14-25). In hoofdstuk 8 herhaalt Jesaja nog een keer het verhaal van de verwoesting van Juda door de Assyriërs, maar hij zei in zijn boodschap dat Juda echter niet totaal verwoest zou worden vanwege Immanuël, het kind van de maagd. De verwoesting zou niet verder reiken dan de nek van Juda, vanwege de te verwachten Immanuël, Die geboren zal worden uit de moeder die een maagd is.

In het negende hoofdstuk verwijst de profeet Jesaja opnieuw naar de komst van de Messias in het sublieme gedeelte dat begint met de woorden: “Het volk dat in donkerheid wandelt ziet een groot licht; over hen die wonen in het land van diepe duisternis, straalt een licht.” (Jesaja 9:2)

Dit is een verwijzing naar de Messias, de Zoon van David, Immanuël, geboren uit de maagd. Dit kind dat geboren zal worden, zal de troon van David bevestigen, die zo schandelijk werd verraden door Achaz, koning van Juda, die juist in die tijd op de troon van David zat en door zijn ongeloof de troon waarop hij zat, zeer wankel maakte. Deze Immanuël is de hoop van de HERE en de hoop van Israël.

Laten wij nu verder lezen: “Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij rust op Zijn schouder. En men noemt Hem Wonderbare Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst. Groot zal de heerschappij zijn en eindeloos de vrede op de troon van David en over Zijn Koninkrijk, doordat Hij het sticht en grondvest met recht en gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid. De ijver van de Here der heerscharen zal dit doen.” Wij zien daarom dat dit Kind, Dat beloofd werd in Jesaja 7:14, Dat geboren zal worden uit een maagd en naar Wie verwezen wordt in Jesaja 8:6-10 en profetisch helemaal in beeld gebracht wordt in Jesaja 9:6,7 nogmaals de troon van David zal bevestigen, welke tot wankelen werd gebracht door Achaz, Koning van Juda en de andere koningen die volgden.

De profeet Micha was een tijdgenoot van de profeet Jesaja en aan hem gaf God de profetie wat betreft de geboorteplaats van dit Kind, geboren uit een maagd. “En gij, Bethlehem Efratha, al zijt gij klein onder de geslachten van Juda, uit u zal Mij voortkomen, Die een heerser zal zijn over Israël, en Wiens oorsprong is vanouds, van de dagen der eeuwigheid”. (Micha 5:2) Toen Mattheüs daarom in hoofdstuk 1:23 Jesaja 7:14 citeerde, begreep hij helemaal de profetieën van het Oude Testament en was hij heel goed in staat door de zalving van de Heilige Geest het Oude Testament voor ons te interpreteren. Het Hebreeuwse woord “almah” (maagd) in Jesaja 7:14 is correct vertaald met maagd. In zes andere schriftgedeelten van het Oude Testament komt het woord “almah” voor. In elk geval betekent het een reine, ongehuwde, jonge vrouw, een maagd. (Genesis 24:43). (Exodus 2:8), (Hooglied 1:3, 6:8), (Psalm 68:25), (Spreuken 30:19). Wanneer we al deze gedeelten onderzoeken en merken dat “almah” overal maagd betekent dan zal er geen onzekerheid zijn over de bedoeling van de profeet wanneer hij zegt: “Een maagd zal zwanger worden en een zoon baren.” Dit is de reden dat hij het een teken noemt, want dat is het, als een vrouw zonder een man een kind krijgt door God. Immers, “bij God zijn alle dingen mogelijk.”

Wij leren verder uit de Septuagint vertaling van het Oude Testament, die vertaald werd uit het Hebreeuws in het Grieks door de Joden zelf rondom 275 v.Chr., dat het “almah” vertaalde als “Parthenos”, het Griekse equivalent voor een reine maagd. De Septuagint versie werd door de eerste Christenen gebruikt om met de Joden te discussiëren en om hen te bewijzen dat hun eigen Griekse vertaling van het Oude Testament het vordert, dat deze Immanuël het kind moet zijn van een “Parthenos”, een maagd, in de meest strikte betekenis van het woord. Ook de Syrische tekst, die werd geschreven in het eerste deel van de tweede eeuw, vertaalde “almah” met “Bethulah”, het precieze woord voor een maagd.

Laten we nu een aantal Oudtestamentische profetieën onderzoeken die verband houden met de beloofde Messias en die met betrekking tot hun vervulling vergelijken met een aantal historische verslagen zoals die gevonden worden in het Nieuwe Testament.

OUD-TESTAMENTISCHE PROFETIEEN EN HUN LETTERLIJKE VERVULLING IN HET NIEUWE TESTAMENT.

Jesaja 7: 14.
“Daarom zal de Here zelf u een TEKEN geven: Zie, de maagd zal zwanger worden en een Zoon baren, en zij zal Hem de naam IMMANUËL geven”.

In deze profetie openbaart God ons de naam van de Messias en beantwoordt Hij de vraag, gesteld in Spreuken 30 : 4: “Wie klom op ten hemel en daalde weer neder? Wie heeft de wind in Zijn vuist verzameld? Wie heeft de wateren saamgebonden in Zijn kleed, Wie heeft al de einden der aarde vastgesteld? Hoe is Zijn naam en hoe is de naam van Zijn Zoon? Gij weet het toch!”

Mattheüs 1 : 20-25.
“Toen die overweging bij hem opkwam, zie, een engel des Heren verscheen hem in de droom en zeide: “Jozef, zoon van David, schroom niet Maria, uw vrouw, tot u te nemen, want wat in haar verwekt is, is uit de Heilige Geest. Zij zal een Zoon baren en gij zult Hem de naam Jezus geven. Want Hij is het die Zijn volk zal redden van hun zonden”. … En Jozef had geen gemeenschap met haar, voordat zij een Zoon gebaard had. En hij gaf Hem de naam Jezus”.

Micha 5 : 1.
“En gij, Bethlehem Efratha, al zijt gij klein onder de geslachten van Juda, uit u zal Mij voortkomen die een Heerser zal zijn over Israël en Wiens oorsprong is van ouds, van de dagen der eeuwigheid”.

Lucas 2: 4-7.
“Ook Jozef trok op van Galiléa, uit de stad Nazareth, naar Judéa, naar de stad van David, die Bethlehem heet, omdat hij uit het huis en geslacht van David was, om zich te laten inschrijven met Maria, zijn ondertrouwde vrouw, welke zwanger was. En het geschiedde toen zij daar waren, dat de dagen vervuld werden dat zij baren zou, en zij baarde haar eerstgeboren Zoon …”

Hosea 11 : 1.
“Toen Israël een kind was, heb Ik het liefgehad, en uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen”.

Mattheüs 2: 14-20.
“Jozef stond op en hij nam in de nacht het Kind en Zijn moeder en week uit naar Egypte, en daar bleef hij tot de dood van Herodes, opdat vervuld zou worden hetgeen de Here door de profeet gesproken heeft, toen hij zeide: “Uit Egypte heb Ik mijn Zoon geroepen”. Toen Herodes gestorven was, zie een engel des Heren verschijnt in de droom aan Jozef in Egypte, en zegt: “Sta op, neem het Kind en Zijn moeder en reis naar het land Israël, want zij die het Kind naar het leven stonden, zijn gestorven”.

Zacharia 9: 9.
“Jubel luide, gij dochter van Sion, juich, gij dochter van Jeruzalem! Zie, uw Koning komt tot u, Hij is rechtvaardig en zegevierend, nederig, en rijdende op een ezel, op een ezelhengst, een ezelinnejong”.

Mattheüs 21: 4-11.
“Dit is geschied, opdat vervuld zou worden hetgeen gesproken is door de profeet toen hij zeide: “Zegt der dochter Sions: Zie, uw Koning komt tot u, zachtmoedig en rijdend op een ezel, en op een veulen, het jong van een lastdier”. … En de scharen die voor Hem uitgingen en die volgden, riepen zeggende: “Hosanna de Zoon van David, gezegend Hij die komt in de naam des Heren. Hosanna in de hoogste hemelen!” … En de scharen zeiden: “Dit is de Profeet, Jezus van Nazareth in Galilea!”

Jesaja 50: 6.
“Mijn rug heb Ik gegeven aan wie sloegen, en Mijn wangen aan wie Mij de baard uittrokken, Mijn gelaat heb Ik niet verborgen voor smadelijk speeksel”.

Mattheüs 26 : 67, 68.
Toen spuwden zij Hem in het aangezicht en sloegen Hem met vuisten. Anderen sloegen Hem in het gelaat en zeiden: ”Profeteer ons, Christus, wie is het die U geslagen heeft?”

Zacharia 11 : 12, 13.
“En ik heb tot hen gezegd: “Indien het goed is in uw ogen, geef mij mijn loon, maar indien niet, laat het”. Toen wogen zij mijn loon af: dertig zilverstukken. Maar de Here zeide tot mij: “Werp dat de pottenbakker toe, een heerlijke prijs waarop Ik hunnerzijds geschat ben!” En ik heb de dertig zilverstukken genomen en die in het huis des Heren de pottenbakker toegeworpen.”

Mattheüs 27: 3-7.
“Toen kreeg Judas die Hem verraden had berouw, daar hij zag dat Jezus veroordeeld was, en hij bracht de dertig zilverlingen aan de overpriesters en oudsten terug, en hij sprak: “Ik heb gezondigd, onschuldig bloed verraden!” … En de zilverlingen in de tempel werpende, verwijderde hij zich … De overpriesters namen de zilverlingen … en zij namen het besluit daarvoor het land van de pottenbakker te kopen …”

Psalm 22 : 17, 19.
“Een bende boosdoeners heeft Mij omsingeld, die Mijn handen en voeten doorboren. Zij verdelen Mijn klederen onder elkander en werpen het lot over Mijn gewaad”.

Johannes 19 : 23, 24.
“Toen dan de soldaten Jezus gekruisigd hadden, namen zij Zijn klederen en maakten daarvan vier delen, voor iedere soldaat één deel, en Zijn onderkleed. Dit kleed nu was zonder naad, aan één stuk geweven. Zij zeiden dan tot elkander: “Laten wij dit niet scheuren, maar erom loten voor wie het zal zijn”, zodat het Schriftwoord vervuld werd: “Zij hebben Mijn klederen onder elkander verdeeld en over Mijn kleding hebben zij het lot geworpen”.”

Psalm 69 : 22.
“Ja, zij gaven Mij gif tot spijze, en lieten Mij in Mijn dorst azijn drinken”.

Mattheüs 27: 34.
“En zij gaven Hem wijn vermengd met gal te drinken. En toen Hij die proefde, wilde Hij niet drinken.”

Psalm 34: 21.
“Hij behoedt al Zijn beenderen, niet één daarvan wordt gebroken.” (Lees Exodus 12 : 46.)

Johannes 19 : 33, 36.
“Maar toen zij bij Jezus gekomen waren en zagen dat Hij reeds gestorven was, braken zij Zijn benen niet. Dit is geschied opdat het Schriftwoord vervuld zou worden: “Geen been van Hem zal verbrijzeld worden”.”

Psalm 22: 2.
“Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten, verre zijnde van Mijn verlossing bij de woorden van Mijn jammerklacht?”

Mattheüs 27 : 46, 50.
“Omstreeks het negende uur riep Jezus met luider stem zeggende: “Eli, Eli, lama sabachthani?”, dat is: “Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?” … Jezus riep wederom met luider stem en gaf de geest.”

Psalm 16 : 10.
“Want Gij geeft Mijn ziel niet prijs aan het dodenrijk, noch laat Gij Uw gunstgenoot de groeve zien”.

Mattheüs 28 : 5, 6.
“Doch de engel antwoordde en zeide tot de vrouwen: “Weest gij niet bevreesd, want ik weet dat gij Jezus zoekt, de Gekruisigde. Hij is hier niet, want Hij is opgewekt, gelijk Hij gezegd heeft. Komt, ziet de plaats waar Hij gelegen heeft!””

Psalm 110: 1.
“Aldus luidt het woord des Heren tot mijn Heer: “Zet U aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gelegd heb als een voetbank voor Uw voeten”.”

Marcus 16: 19.
“De Here Jezus dan werd, nadat Hij tot hen gesproken had, opgenomen in de hemel en heeft Zich gezet aan de rechterhand Gods.”

Zacharia 12: 10.
“Zij zullen Hem aanschouwen Die zij doorstoken hebben en over Hem een rouwklacht aanheffen … over Hem bitter leed dragen als het leed om een eerstgeborene”.

Hand. 1 : 10, 11.
“. . Galilese mannen, wat staat gij daar en ziet op naar de hemel? Deze Jezus die van u opgenomen is naar de hemel, zal op dezelfde wijze wederkomen, als gij Hem ten hemel hebt zien varen”.

Al deze Schriftgedeelten bewijzen voldoende dat Jezus inderdaad de beloofde Messias is.

3. HET WERK VAN DE DRIE-EENHEID.

In onze gesprekken met diverse groepen Joden hebben we gemerkt, dat zij de indruk hebben, dat we onze godsdienst veranderd hebben en de godsdienst hebben aangenomen van de Christenen, die in drie verschillende goden geloven. Toen ik het Christendom aannam, gaf ik het Judaïsme niet op, maar ik werd een betere Jood, want ik ontdekte dat al de typen en voorafschaduwingen van het Oude Testament vervuld werden in de Messias, Jezus, Die mij veranderde door Zijn bovennatuurlijke kracht en een nieuwe schepping van mij maakte. Het Christendom is niet een andere godsdienst, maar het is de vervulling en voltooiing van de echte godsdienst van Israël, welke echter iets heel anders is dan het Rabbinisme of het moderne Jodendom.

Ik geloof in de Drie-eenheid, omdat Mozes en de profeten erover schreven. Meteen in het eerste vers van de Bijbel vinden we twee manifestaties van de Godheid. “In de beginnen schiep God . . . en de Geest Gods zweefde.” Hier zien we duidelijk dat God ons leerde te geloven, dat Hij de Schepper van alle dingen is en dat Zijn Geest Zich beweegt over deze aarde om ons te leiden, ons te gidsen en ons te instrueren op de weg, waarop wij zullen gaan.

De Drie-eenheid in het Oude Testament.

De Bijbel spreekt altijd over God als een eenheid en zij toont het werk van God, de Vader, het werk van de Zoon en het werk van de Heilige Geest, zoals wij zien uit de volgende Schriftgedeelten:

Genesis 1:26: “En God zeide: Laat Ons mensen maken naar Ons beeld, als Onze gelijkenis, . . .”

Genesis 3:22: “En de Here God zeide: Zie, de mens is geworden als Onzer . . .”

Genesis 11:7: “Welaan, laat Ons nederdalen en daar hun taal verwarren, zodat zij elkanders taal niet verstaan.”

Er staat in het Hebreeuws: “Elohim (God in het meervoud) zei: ‘Laat Ons mensen maken naar Ons beeld, als Onze gelijkenis.’” De Bijbel spreekt over God in het meervoud. Hier hebben we Eli, God, Eloah – God de Zoon en Elohim, God – Heilige Geest.

In Genesis 18 zien we duidelijk de gedachte van de Drie-eenheid, dat is God geopenbaard in drie verschillende persoonlijkheden. In het eerste vers lezen we: “En de Here verscheen aan hem (Abraham) bij de terebinten van Mamre, . . . En hij sloeg zijn ogen op en zag, en zie, drie mannen stonden bij hem . . .” en hoewel zij drie personen waren, richtte hij zich tot hen in het enkelvoud en zei: “Mijn Heer (niet Heren), indien ik uw genegenheid gewonnen heb . . .” (Genesis 18:3). Zo zien we God, Die aan Abraham verscheen en de drie mannen die Abraham zag, toen hij opkeek, waren één en dezelfde.

Jesaja 11:2: “En op hem zal de Geest des Heren rusten, de Geest van wijsheid en verstand, de Geest van raad en sterkte, de Geest van kennis en vreze des Heren; . . .” Wie is de “Hem”? Dat is de Messias, de Zoon van God. Jesaja spreekt over de komende Messias en schrijft dat de Geest des Heren op Hem zal rusten. Er zijn drie personen: de Geest, de Here, de “Hem”.

Jesaja 48:16: “Nadert tot Mij, hoort dit: Van de aanvang af heb Ik niet in het verborgene gesproken; ten tijde dat het geschiedt, ben Ik daar. En nu heeft de Here HERE Mij met Zijn Geest gezonden.”

Er zijn twee Troosters. Jezus – één, en de Heilige Geest – de ander. Beide zijn door de Vader gezonden. Hier hebben we het in het Oude Testament, vertaald zoals de meest gezaghebbende uitleggers het formuleren: “De Here HERE heeft MIJ en Zijn Geest gezonden.”

Jesaja 61:1: “De Geest van de Here HERE is op Mij.”

Het werk van de redding is uitgevoerd door drie Heilige Personen. De Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Zij allen werken samen om de mensheid te redden.

Zacharia 2:11: “En vele volken zullen te dien dage gemeenschap zoeken met de Here en zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal in uw midden wonen. Dan zult gij weten, dat de Here der heerscharen Mij tot u gezonden heeft.”

Hier in deze tekst gaat het over twee personen; de Here Jezus spreekt over Zichzelf als afzonderlijk en onderscheiden van de HERE.
Er zijn sommigen die zeggen: “Hoe kan God drie en één zijn tegelijkertijd?” Een volkomen bevredigend antwoord op deze vraag is duidelijk onmogelijk, omdat God Geest is en getallen in de eerste plaats tot de fysieke wereld behoren. Zoveel weten we wel, dat God wezenlijk één is en ook dat er drie Personen in deze ene Godheid zijn. Er is slechts één God, van eeuwigheid tot eeuwigheid, Die Zich manifesteert in drie Personen: Vader, Zoon en Heilige Geest. Als God werkelijk God is, moet Hij wel boven ons volkomen begrijpen uitgaan.

De Drie-eenheid in het Nieuwe Testament.

Laten we nu een aantal Schriftgedeelten in het Nieuwe Testament over deze drie Heilige Personen onderzoeken.

Lucas 1:35: “En de engel antwoordde en zeide tot haar: De Heilige Geest zal over u komen en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen; daarom zal ook het heilige, dat verwekt wordt, Zoon Gods genoemd worden.”
Hier ziet u de Heilige Drie-eenheid: (1) de Heilige Geest, (2) de Allerhoogste en (3) de Zoon van God. De hele Drie-eenheid is betrokken bij de redding, het eeuwig welzijn en geluk van al diegenen, die God toebehoren.

Mattheüs 3:16,17: “Terstond nadat Jezus gedoopt was, steeg Hij op uit het water. En zie, de hemelen openden zich, en hij zag de Geest Gods nederdalen als een duif en op Hem komen. En zie, een stem uit de hemelen zeide: Deze is mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb.”

Daar ziet u de Drie-eenheid, (1) Jezus is in het water, (2) de Heilige Geest daalt op Hem neer in de vorm van een duif, en (3) de stem van de Vader spreekt: “Deze is Mijn Zoon, de geliefde”.

Mattheüs 28:19: “Gaat dan henen, maakt al de volken tot mijn discipelen en doopt hen in de naam (1) des Vaders en (2) des Zoons en (3) des Heiligen Geestes en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb.”

2 Corinthiërs 13:13: “(1) De genade des Heren Jezus Christus, en (2) de liefde Gods, en (3) de gemeenschap des Heiligen Geestes zij met u allen.”
(1) De genade komt door Jezus, (2) de liefde komt door de Vader en (3) de gemeenschap met God komt door de Heilige Geest. We hebben de genade van de redding nodig; we hebben de liefde van God nodig, welke tot uitdrukking komt in de Zoon, en we hebben de gemeenschap van de Heilige Geest nodig, Die ons te allen tijde verbindt met de Hemel en de Heerlijkheid. Er is de hele Drie-eenheid voor nodig om ons te redden, ons te bewaren en ons te zegenen.

Wat is nu het werk van de Vader, het werk van de Zoon en het werk van de Heilige Geest in de redding van de mens?

1. Elke gelovige weet dat “God de wereld zo lief heeft gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft.” We weten dat het fundament van de redding in het hart van de Vader is. Het hart van de Vader brengt tot uitdrukking wat Hij vindt van verloren mensen. Toen Filippus bij Jezus kwam en zei: “Toon ons de Vader,” antwoordde Jezus: “Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien.” Als God u zo liefhad, dat Hij Zijn Zoon opgaf, dan ziet u, dat u de Vader moet begrijpen. Jezus is de enorme uitdrukking van de liefde van de Vader. “Met welk een liefde heeft de Vader ons liefgehad, dat wij kinderen van God genoemd worden?” We staan niet genoeg stil bij het feit, dat het hele plan van de verlossing werd geboren in het oneindige hart van de Vader en Zijn liefde voor ons.

2. De Here Jezus Christus heeft niet alleen voor onze redding gezorgd, maar Hij is onze redding.

We lezen in Jesaja 42:1: “Zie, Mijn knecht, die Ik ondersteun; Mijn uitverkorene, in Wie Ik een welbehagen heb. Ik heb Mijn Geest op Hem gelegd: Hij zal de volken het recht openbaren.” God spreekt hier over de Here Jezus Christus, de Messias. Zoals Mozes de slang in de woestijn verhoogde, zo verhoogt God de Vader de Zoon, zodat iedereen, die op Hem ziet, gered zal worden.
“Zie Mijn Knecht.” Hier zien we Hem in Zijn knechtschap. Hij is de Knecht van God. Wie dient Hij? Hij dient zondaren met de redding en Hij dient de geredden met heiligmaking en troost.

Psalm 40: 7,8: “Toen zeide ik: Zie ik kom. In de boekrol is over mij geschreven. Ik heb lust om uw wil te doen, mijn God. Uw wet is in mijn binnenste.”

Onze redding is de Here Jezus Zelf. Hij is de Knecht van God. De hele Bijbel spreekt over de Here Jezus. De Heilige Geest schrijft in de Bijbel niet zoveel over individuen, maar Hij schrijft over Hem.

Efeziërs 5: 2: “Wandelt in de liefde, zoals ook Christus u heeft liefgehad en Zich voor ons heeft overgegeven als een gave en slachtoffer, Gode tot een welriekende reuk.”

Met andere woorden, het Woord van God zegt: “Hij heeft Zichzelf voor ons gegeven, Hij is voor ons gestorven, Hij heeft Zijn bloed voor ons gestort, Hij heeft God genoegdoening gegeven, Hij heeft met God verzoend en Hij wil van ons, dat wij niet alleen in Hem geloven, maar dat wij alles aan Hem overgeven.” Wij kunnen onszelf niet redden en wij kunnen onze redding niet bewerken. De Here Jezus Christus begint en voleindigt het werk van de redding. Hij is onze hulp niet nodig. Wij kunnen nooit gered worden door onze werken. De redding is een vrije gave, die ons uit genade en barmhartigheid wordt verleend.

In Hebreeën 9:14 merken we op dat Jezus Christus Zich opofferde om voor ons te sterven en voor ons de verantwoordelijkheid op Zich te nemen. “Hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door de eeuwige Geest Zichzelf als een smetteloos offer aan God gebracht heeft, ons bewustzijn reinigen van dode werken om de levende God te dienen!”

Efeziërs 1: 22,23: “. . . en God heeft alle dingen onder Zijn voeten gesteld en Hem als hoofd boven al wat is gegeven aan de gemeente, die Zijn lichaam is, vervuld met Hem Die alles in allen volmaakt.”

Hij is het die alles in allen vervult. Hij is de volheid. Wij hebben niets te doen, want wij kunnen niets geven. Onze getrouwheid is in het nemen, in het geloven, in het vertrouwen. Hij is de volheid van alles.

Johannes 14: 3: “. . . en wanneer Ik heengegaan ben en u plaats bereid heb, kom Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat ook gij zijn moogt waar Ik ben.”
Hij is heengegaan om een plaats voor Zijn gemeente te bereiden. Spoedig zal elke gelovige opgenomen worden en de Here ontmoeten in de lucht en met Hem zijn voor eeuwig en eeuwig. Dat is de gezegende hoop die Hij aan Zijn gemeente heeft gegeven.

3. Nu komen we bij het werk van de Heilige Geest. Hij is de derde persoon van de Drie-eenheid en het eerste wat Hij doet is getuigen, zoals wij lezen in Johannes 15:26: “wanneer de Trooster komt die Ik u zenden zal van de Vader, de Geest der waarheid, Die van de Vader uitgaat, zal Deze van Mij getuigen.”

Hij zegt niet: “Wij zullen van Hem getuigen.” Een ander Schriftgedeelte zegt: “Ik behoef het getuigenis van een mens niet.” Als de Heilige Geest het getuigenis niet geeft zal ons getuigenis van geen waarde zijn. De Heilige Geest is in de gemeente om te getuigen, en Hij getuigt van Hem. Het is Zijn werk om het volbrachte werk van Christus te nemen en het aan ons te tonen. Hij laat ons Zijn wondervol bloed zien, de betekenis van Golgotha en van de redding. Hij toont ons verder hoe wij worden gerechtvaardigd en hoe wij worden geheiligd en hoe Christus het allemaal heeft gedaan.

Johannes 16:14: “Hij zal Mij verheerlijken, want Hij zal het uit het Mijne nemen en het u verkondigen.”
De Heilige Geest heeft niet de opdracht de mens te verheerlijken. Hij komt niet in ons, opdat wij iets mogen hebben om onszelf op te beroemen. Wanneer de Heilige Geest werkt, verheerlijkt Hij alleen maar Christus. Hoe meer de Heilige Geest in ons is hoe geringer wij van onszelf denken. Hij wil dat wij Christus verheerlijken.

Johannes 16:8: “en als Hij komt, zal Hij de wereld overtuigen van zonde, en van gerechtigheid, en van oordeel.”
Het is het werk van de Heilige Geest om mensen te overtuigen van zonde, van gerechtigheid, en van oordeel. Hij toont aan de wereld dat zij hebben gezondigd; Hij toont aan mensen dat Christus hun gerechtigheid is en dat hun zonde geoordeeld is op Golgotha. Het was een opmerkelijk moment, toen de Heilige Geest mij van zonde overtuigde en mij openbaarde dat Jezus de Christus, de Zoon van de levende God, is. Hij zal hetzelfde doen met een ieder die in Hem gaat geloven.

1 Thessalonicenzen 5:23: “en Hij, de God des vredes, heilige u geheel en al, en geheel uw geest, ziel en lichaam moge bij de komst van onze Here Jezus Christus blijken in allen dele onberispelijk bewaard te zijn.”

De Heilige Geest is Degene Die heilig maakt. Hij heiligt ons, dat is, Hij zondert ons af. Heiligmaking betekent afgezonderd worden van de wereld en verbonden worden met de Here Jezus Christus.

Romeinen 8:16: “die Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen Gods zijn.”

Er is slechts één manier om te weten dat wij kinderen van God zijn en dat is door de Heilige Geest. Hij vertelt ons en geeft ons de zekerheid dat wij gered zijn. Als de Heilige Geest in ons hart en onze ziel is, dan vertelt Hij ons dat wij kinderen van God zijn, omdat Hij daar getuigenis van aflegt.

Efeziërs 1:13: “in Hem zijt ook gij nadat gij het woord der waarheid, het evangelie uwer behoudenis, hebt gehoord, in Hem zijt gij toen gij gelovig werd, ook verzegeld met de Heilige Geest der belofte.”
Verzegeld betekent “aangeduid” of “gekenmerkt”. Wanneer de Heilige Geest in ons is dan zal er iets met ons aan de hand zijn dat anders zal zijn. Wij zullen niet gelijkvormig zijn aan de dingen van deze wereld, maar zullen veranderd worden door het vernieuwingsproces dat aan de gang is in onze geest door het werk van de Heilige Geest. Wanneer de Heilige Geest in ons is merkt Hij ons en wij zullen weten of wij wel of niet gehoorzame Christenen zijn. Als wij ongehoorzaam zijn bedroeven we de Heilige Geest en zullen ons ellendig voelen. Een gehoorzaam Christen is gekenmerkt en daarom verzegeld.

Romeinen 8:11: “en indien de Geest van Hem, Die Jezus uit de doden heeft opgewekt in u woont, dan zal Hij, Die Christus Jezus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken door Zijn Geest, Die in woont.”

De Heilige Geest zal elke gelovige opwekken even zeker als Hij Jezus Christus heeft opgewekt. Hier wordt het werk van de opstanding van onze lichamen toegeschreven aan de Heilige Geest.

Wij zien dat de hele Drie-eenheid wordt genoemd in het werk van de verlossing:

1 Petrus 1:2: “uitverkorenen naar de voorkennis van (1) God, de Vader, in heiliging door (2) de Geest, tot gehoorzaamheid en besprenkeling met het bloed van (3) Jezus Christus: genade en vrede worden vermenigvuldigd!”

Ten eerste zijn wij een uitverkoren volk; ten tweede zijn wij een geheiligd volk; ten derde zijn wij door het bloed van Jezus een volk, gehoorzaam aan de Here Jezus Christus. Daar zien we de Vader Die ons verkiest, de Heilige Geest Die ons heiligt, en de Here Jezus Christus Die ons tot onderwerping aan Hem brengt.

De Schrift geeft voldoende bewijs dat er een Drie-eenheid in de Godheid is. God heeft Christus en de Heilige Geest tot ons gezonden. Wij hebben de liefde van de Vader, het offer van de Zoon, en de bediening van de Heilige Geest in deze Drie-eenheid van de Godheid.

4. DE RECHTSZAAK TEGEN JEZUS

Elke rechtszaak moet een basis hebben. De basis voor de rechtszaak van Jezus bestond uit twee delen: een deel was de wet van Mozes of de eerste vijf boeken van het Oude Testament, en het andere deel was de Talmoed die een encyclopedie is en wordt verdeeld in twee gedeelten, welke heten de Mishna en de Gemara. De Mishna is een uitleg van de Joodse wetten en gewoonten, de Gemara is poëzie, spreekwoorden en theologie.

De vijf boeken van Mozes zijn de bron waaruit alle Joodse gewoonten zijn ontstaan. Naarmate de aantallen Joden toenamen en hun relaties gecompliceerder werden, werd het noodzakelijk wetten, gewoonten en rechtsmiddelen uit te breiden en te verhelderen. De rechtsmiddelen en het systeem van Joodse rechtbanken waren gebaseerd op de oude wet, waar Mozes de kinderen Israëls vertelde dat zij rechters en opzieners moesten kiezen. Wij vinden dit in Exodus 18:25,26 en Deuteronomium 16:18: “Rechters en opzieners zult gij aanstellen in al de steden die de Here uw God u geven zal naar uw stammen. Zij zullen het volk berechten met een rechtvaardige rechtspraak”. Ook de basis voor het grote Sanhedrin lag in de wet van Mozes, toen God tegen Mozes zei 70 mannen uit te kiezen om bij hem te staan voor de tent van het verbond. (Numeri 11:16,17.)

In de tijd van Jezus hadden de Joden drie verschillende rechtbanken. Ten eerste, de rechtbank van de Richters, waarin drie rechters waren. Deze rechtbank kon alleen burgerlijke zaken behandelen en kon niet een zaak onderzoeken, waar een misdaad bij betrokken was. Ten tweede was daar het kleine Sanhedrin bestaande uit 23 leden, welke allerlei soorten zaken kon behandelen; en ten derde het grote Sanhedrin, dat zitting had in Jeruzalem en bestond uit 70 leden inclusief de hogepriester. Het grote Sanhedrin was samengesteld uit drie groepen leden, 23 priesters, 23 schriftgeleerden, en 23 oudsten. De schriftgeleerden waren mannen die geleerd waren in de wet; zij schreven de wet. Het moest met de hand geschreven worden. De oudsten waren zakenlieden of leidinggevenden.

De leden van het Sanhedrin waren grondig getraind en hadden veel ervaring. Ook taalkundig waren zij volkomen op de hoogte van al de talen van de omliggende naties, aangezien zij geen tolk konden gebruiken op hun zittingen. Zij mochten niet jonger dan 40 jaar zijn om te kunnen behoren tot het grote Sanhedrin. Dat aantal jaren was nodig om zich te bekwamen in de wet van Mozes en de Talmoed, die zij moesten memoriseren. Elk lid moest getrouwd zijn en vader van kinderen. Er werd gedacht dat een vader barmhartiger zou zijn.

De voorzitter van het grote Sanhedrin, de hogepriester, werd gekozen door het volk. In die tijd was het hogepriesterschap een zaak van politiek belang. Het werd gekocht van de Romeinse stadhouder door de hoogste bieder. Het werd verleend als een gunst aan diegenen die de stadhouder kon assisteren bij de keizerlijke rechtbank. Het huis van Annas bestond uit goddeloze en slechte aristocraten en was schuldig aan de meest wrede, goddeloze en zondige daden. In het Sanhedrin waren tijdens de rechtszaak van Jezus Annas en Kajafas tegenwoordig (zij lijken beiden in hetzelfde paleis te hebben gewoond) en de meeste andere leden waren zonen en familieleden van Annas.

Overeenkomstig de wet kon het Sanhedrin slechts op één plaats samenkomen en dat was in de tempel in een zaal die bekend staat als de “Zaal van de gehouwen stenen”. Elke andere plaats van samenkomst was absoluut onwettig en maakte hun besluit nietig en zonder effect. De jurisdictie van het Sanhedrin bestond uit allerlei soorten zaken. Zij hadden drie manieren om de doodstraf uit te voeren. De één was onthoofding voor moord, verbranding was een andere en steniging was een derde methode.

Het Sanhedrin dat zitting had genomen bij de rechtszaak tegen Jezus, had een complot tegen hem gesmeed. Dat was absoluut onwettig. De leiders van de Joodse aristocratie werden in beroering gebracht door het openbare en radicale onderwijs van Jezus, terwijl het gewone volk “Hem gaarne hoorde”. (Marcus 12:37.) Het was het persoonlijke gevoel en de jaloezie die deze leiders opzetten tegen Jezus. Bijvoorbeeld: toen zij zagen dat Hij in staat was de ongeneeslijken te genezen, probeerden zij Hem aan te klagen wegens hekserij. (Mattheüs 9:24, 12: 24; Marcus 3: 22; Lucas 11: 15.) Toen Hij hen vertelde dat geen profeet geëerd werd in zijn eigen land, werden zij vervuld met toorn en wilden Hem doden. (Lukas 4:24-29.) Dit was in Nazareth in Galilea, waar ze geen enkel wettig recht hadden om iemand ter dood te laten brengen, omdat de plaats geen 23 rabbi’s had voor het vormen van een “Klein Sanhedrin”. (Ramb. Sanhed. 1.3; 5.2.)

Toen Jezus de man met een verdorde hand genas maakten zij van deze gelegenheid gebruik Hem te beschuldigen van sabbatsontheiliging. (Mattheüs 12:9-13; Marcus 3: 1-6; Lucas 6:6-11.) En ondanks Zijn argument dat het wettig geoorloofd is op de sabbat goed te doen spanden zij met de Herodianen samen om te overleggen hoe ze Hem uit de weg zouden kunnen ruimen.

Toen de Farizeeën en Sadduceeën Hem uitnodigden om bij hen te eten, waren al hun vragen erop gericht om Hem te vangen met iets dat Hij zich zou laten ontvallen. (Lukas 11:37- 57.) Toen Hij hen eraan herinnerde dat de tempel Gods een gebedshuis was voor alle volkeren (Jesaja 56:7), en dat zij het tot een rovershol maakten, zochten ze middelen om Hem te kunnen ombrengen. (Mattheüs 21:12-16; Marcus 11:15-18; Lucas 19:45-47.)Zij probeerden Hem in een politieke val te laten lopen in de hoop Hem te kunnen beschuldigen van verraad, maar zij faalden jammerlijk. “Is het geoorloofd de keizer belasting te betalen of niet?” vroegen zij. Hij antwoordde: “Geef de keizer wat des keizers is en Gode wat Gods is”. (Mattheüs 22:15-21; Marcus 12:13-17; Lucas 20:19-25.) Hun felste haat echter, die zij niet voor zich konden houden, was er, toen Hij Lazarus opwekte (Johannes 11:43-45), want hun eigen ogen waren getuige van de grootheid van Jezus. Hun jaloersheid kende op dit moment geen grenzen. Ze zouden Hem op klaarlichte dag verslonden hebben, maar dat konden zij niet, vanwege de velen die in Hem geloofden. (Mattheüs 21:32; Johannes 2:23, 4:39,50,53, 8: 30, 11: 45, 12: 11.) In feite hoopten ze Lazarus te doden die een levend getuigenis was van de kracht en de positie van Jezus (Johannes 12:10), maar zij vonden het te gevaarlijk, omdat iedereen de reden zou weten voor zo’n daad.

Tenslotte kwamen zij tot het besluit zich in ieder geval van Hem te ontdoen, maar dan op zo’n manier dat niemand hun verraderlijke streken zou opmerken en de menigte daar ter plaatse, die in Hem geloofde en Hem liefhad, niet opgewonden zou raken. (Mattheüs 26:3-5; Johannes 11: 47-54.) Daarom maken zij afspraken met één van de zwaksten van zijn discipelen, Judas Iskariot, die net als zij de mammon van deze wereld liefhad boven de Here, Die hem kocht (Deuteronomium 32:6-18). Zij zouden hem 30 zilverlingen geven (Mattheüs 27: 3-9), zoals voorspeld was in Jeremia en Zacharia, opdat hij hen de plek zou aanwijzen, waar Hij midden in de nacht rustte met Zijn discipelen, wanneer al de mensen in Jeruzalem vast in slaap zouden zijn.

Jezus was in de bovenzaal met de discipelen het Pascha aan het vieren (Lukas 22:12-14). Midden onder de ceremonie, terwijl de discipelen met hun Meester aan tafel waren, verliet Judas hen en ging naar het Sanhedrin en ontving zijn 30 zilverstukken. Toen opende Jezus Zijn hart voor de discipelen en vertelde hen dat Hij veel dingen moest lijden van de kant van de overpriesters, dat Hij gekruisigd zou worden en dat Hij op de derde dag zou opstaan. Later ging Hij met drie van de discipelen Gethsemané in. Het uur naderde en kort na middernacht kwam daar de grote schare van overpriesters, oudsten en dienaren van de tempel, die Jezus arresteerden.

Nu was er een wet in die tijd, gebaseerd op de oude wet van Mozes (Deuteronomium 17:6-7), dat het een lid van het Sanhedrin niet gewettigd was een arrestatie uit te voeren. Jezus sprak tot hen en zei: “Als tegen een rover zijt gij uitgetrokken met zwaarden en stokken om Mij gevangen te nemen. Dagelijks zat Ik in de tempel te leren, maar gij hebt Mij niet gegrepen.” (Mattheüs 26:55.) Het was eveneens onwettig om iemand te arresteren na zonsondergang; het maakte niet uit wat voor een slechte misdadiger hij was. Het mocht alleen als hij op heterdaad betrapt werd. Onder de wet hij was absoluut veilig tot de volgende dag. En dan kon hij alleen maar worden gearresteerd door de getuige. Verder, Jezus werd in werkelijkheid gearresteerd door Judas en op zijn aanwijzing, wat volgens de wet illegaal was, omdat we lezen in Leviticus 19:16: “Gij zult niet onder uw volksgenoten als een lasteraar rondgaan; gij zult uw naaste niet naar het leven staan: Ik ben de Here.” Een getuige moest iemand van goede naam zijn; het was hem verboden om een omkoopsom aan te nemen. Een heiden kon geen getuige zijn. Een medeplichtige of een betrokkene bij de zaak kon geen getuige zijn onder welke omstandigheden dan ook. Dus kon Judas geen getuige zijn of arresteren, omdat hij een metgezel, een verrader, “een lasteraar” was.

Overeenkomstig de Mozaïsche en de Talmoedische wet bestond er niet zoiets als een vooronderzoek. Een verhoor vooraf was een gruwel voor de Wet. Het ’s nachts voorleiden van Jezus voor Annas om ondervraagd te worden was absoluut onwettig volgens de wet, zowel omdat het ’s nachts was en omdat geen enkel persoon de aangeklaagde of een getuige, wettig kon ondervragen. Het onderzoeksteam van het Sanhedrin moest uit drie tot zeven mensen bestaan; niemand kon onafhankelijk een getuige of een aangeklaagde ondervragen.

Het was ook wet dat een mens zichzelf niet schuldig kon verklaren, met andere woorden, hij kon geen straf ondergaan of een straf op zich nemen op grond van zijn eigen bekentenis; het moest ondersteund worden door het getuigenis van twee of drie getuigen. Dit was gebaseerd op de Mozaïsche wet, zoals is vastgelegd in Deuteronomium 17:6, 19:15; Numeri 35: 30. Jezus kende de Wet en Hij hield die Annas voor, tot wie Hij zei: “Ik heb vrij tot de wereld gesproken. Ik heb voortdurend in de synagoge en in de tempel geleerd . … Waarom vraagt gij Mij? Vraag hen, die gehoord hebben wat ik tot hen gesproken heb”. (Johannes 18: 20,21) Hij wist dat Hij niet ondervraagd kon worden door de hogepriester alleen of zonder de toestemming van het Sanhedrin. Hij wist verder dat zij niet een vonnis zouden kunnen vaststellen zonder tenminste twee getuigen.

Naast de onwettigheid van de arrestatie en de onwettigheid van het verhoor voor Annas en Kajafas was het onwettig voor het Sanhedrin om ‘s nachts samen te komen. Het was onwettig voor hen om samen te komen voorafgaande aan het morgenoffer. Zij mochten niet een rechtszaak hebben op de dag voorafgaande aan hun sabbat. Een dag begon volgens de Joodse wet bij zonsondergang en eindigde de volgende dag bij zonsondergang. Zo was de arrestatie van Jezus en Zijn verhoor voor Annas en Kajafas niet slechts onwettig, omdat het ‘s nachts gebeurde, maar ook om de verdere reden dat het plaatsvond op de dag voor de sabbat. Verder kon er geen rechtszaak worden gehouden op een feestdag en, zoals we hebben gezien, was dit de Paschaweek waarin elke dag een feestdag was.

Elke rechtszaak voor het Sanhedrin bestond in werkelijkheid uit twee zittingen, één op de ene dag, de andere op de volgende. Tussen de twee zittingen moesten de leden van het Sanhedrin vasten en elkaar thuis opzoeken om de zaak vanuit elke gezichtshoek te bespreken ten einde, indien mogelijk, een middel proberen te vinden om de aangeklaagde vrij te spreken.

Na het morgenoffer, wanneer zij samenkwamen in de “Zaal van de gehouwen stenen”, werd er zitting gehouden. Er waren drie griffiers, één noteerde alles in het voordeel van de beschuldigde, de ander wat tegen hem getuigde en de derde nam het hele verhoor op. De beschuldigde moest tussen de twee griffiers staan voor de derde griffier.

De getuigen werden ieder apart voor het Sanhedrin geleid, maar konden niet getuigen zoals zij dat nu doen, dat wil zeggen, de ene getuigde van het ene feit en een andere getuigde van een ander feit. Elke getuige moest het hele verhaal vertellen en moest een ooggetuige zijn van de misdaad van het begin tot het eind. Iedere getuige werd eerst ondervraagd wat betreft de datum, de dag en het uur en elk detail moest precies overeenstemmen met de verklaring over de tijd, het uur en de gebeurtenis. Als er drie getuigen waren en het getuigenis van één getuige klopte niet tot in de details met het andere, dan zou de aangeklaagde niet schuldig moeten worden bevonden en vrijgelaten moeten worden.

We vinden in Deuteronomium 17:6, 19:15 en Numeri 35:30, dat er meer dan één getuige vereist was; ook in Mattheüs 18:16, waar Jezus zei: “Op de verklaring van twee of drie getuigen staat elke zaak vast.” Verder konden zij ook geen schriftelijke bewijzen aannemen, want brieven werden niet toegelaten bij een rechtszaak. Elke getuige moest ondervraagd worden en afzonderlijk zijn getuigenis geven zonder dat een andere erbij was. Er werd geen eed afgenomen, want een eed was afstotend voor een Jood, omdat zij de naam van God niet in de mond konden nemen.

Zodra de aanklagers klaar waren, begon de verdediger met zijn pleidooi. Nadat alle getuigenissen waren gegeven, kwam de discussie. Maar het Sanhedrin moest in z’n geheel zwijgen, totdat één van de leden opstond om een argument in te brengen ten gunste van de aangeklaagde. Als niemand ten gunste van hem ging opstaan, was er geen discussie. Nadat iemand ten gunste van de aangeklaagde had gesproken, had iemand ook het recht er tegenin te gaan. Elke keer als er iemand sprak, moest hij een deugdelijke reden geven voor zijn houding ten opzichte van de aangeklaagde.

Dan kwam het stemmen. Overeenkomstig de wet kon de hogepriester nooit zijn mening geven noch de getuige of de aangeklaagde ondervragen. Hij kon nooit zeggen of de man schuldig of onschuldig was. Hij moest geheel en al zwijgen. De hogepriester was absoluut het laatst aan de beurt om te stemmen. Vanwege zijn hoge ambt en zijn invloed vond men, dat hij zijn mening niet kon uiten, totdat de laatste had gesproken. Niemand kon zijn stem anders uitbrengen dan zijn reeds uitgesproken mening, of het moest zijn ten gunste van vrijspraak. Men begon met het stemmen bij het jongste lid van het Sanhedrin. Eerst werden de stemmen geteld van degenen, die ten gunste van de aangeklaagde stemden, daarna van degenen die tegen hem waren. Als elk lid van het Sanhedrin ermee instemde dat de aangeklaagde schuldig was werd het vonnis volgens de wet nietig verklaard en moest de man vrijgelaten worden. Want overeenkomstig de Talmoed hadden zij als één van hun regels, dat de man minstens twee stemmen ten gunste van hem moest hebben en als hij die niet had moest hij vrijgelaten worden. Er moest bij de stemming een meerderheid zijn van twee of meer stemmen om een man schuldig te verklaren. Als het Sanhedrin in twee gelijke kampen verdeeld was, moest de aangeklaagde op vrije voeten worden gesteld. Verder zou dus ook een unanieme uitslag hem vrijuit laten gaan.

Na het stemmen werd de zitting verdaagd en de volgende dag na vasten, bidden en overleg en na het morgenoffer, hielden zij een nieuwe zitting met als doel het werk van de vorige dag na te gaan ten einde te proberen, indien mogelijk, een reden te vinden om de aangeklaagde vrij te laten. Als zij na deze tweede zitting nog steeds dezelfde mening hadden, moest de executie meteen plaatsvinden voor zonsondergang. De gerechtsdienaren van het Sanhedrin voerden de executie niet uit. De getuigen moesten als eersten de hand tegen hem keren. (Deuteronomium 17:7). Nadat de getuigen zo met de executie waren begonnen, keerden ook de handen van het volk zich tegen hem, maar niet de handen van de rechters.

Het was niet noodzakelijk dat al de zeventig leden op de zitting aanwezig waren: op z’n minst waren er drieëntwintig nodig voor een wettige uitspraak. Nadat Annas Jezus verhoord had, zond hij Hem naar Kajafas. We weten niet of het hele Sanhedrin zitting had genomen of slechts drieëntwintig. Het was na middernacht. Kajafas ondervroeg Jezus, Die zweeg. Boos en teleurgesteld negeerde Kajafas zijn plicht, die hij natuurlijk wel kende. Als hogepriester kon hij geen getuige ondervragen en kon hij geen mening uitspreken. Tegen de wet in probeerde hij Jezus onder ede te ondervragen, voordat er een getuige was ondervraagd. Kajafas zei, terwijl hij Jezus onwettig de eed afnam: “Ik bezweer U bij de levende God, dat Gij ons zegt of Gij zijt de Christus, de Zoon van God.” (Mattheüs 26:63.) Deze vraag zou Jezus beantwoorden, omdat Hij Zichzelf niet kon verloochenen en daarom antwoordde Hij: “Gij hebt het gezegd . . .” Toen gaf de hogepriester zijn mening, waartoe hij niet het recht had, en hij zei: “Zie, nu hebt gij de godslastering gehoord. Wat dunkt u?” Zij antwoordden en zeiden: “Hij is des doods schuldig.” (Mattheüs 26:65,66, Marcus 14:63, Lucas 22:71.)
Zoals wij eerder noemden, kon niemand iets inbrengen tegen de aangeklaagde, totdat iemand ten gunste van hem gesproken had. Er was in dat Sanhedrin niet één gunstig commentaar uitgesproken voor Jezus. Daarom zou dat alleen al Hem in vrijheid moeten stellen.

Naar de wet zou men van Jezus hebben gevorderd dat Hij Zijn Messiasschap verdedigde, aangezien het Joodse volk uitkeek naar de Messias. De drie wijzen waren bij Herodes gekomen en Herodes had de overpriesters geroepen, die zeiden dat de tijd rijp was voor de Messias. Zo weten we dat zij uitzagen naar Hem en het Sanhedrin behoorde Jezus te hebben ondervraagd of Hij de Christus was, de Zoon van God. Het was hun plicht om ijverig te hebben nagespeurd of deze dingen zo waren overeenkomstig Deuteronomium 13:14. Aangezien zij de Messias verwachtten, waren zij door de wet en door de regels van de rechtsspraak verplicht de woorden van Jezus voor waar te houden, totdat zij het tegendeel bewezen. Het was de plicht van het Sanhedrin om tijdens de rechtszitting uit te maken of Hij niet hun Messias was of om Zijn verklaring, dat Hij de Christus was, als waar aan te nemen. Er bestaat geen twijfel of Jezus zou bewezen hebben dat Hij de Messias is.

Het Sanhedrin deed de wet op nog een volgend punt geweld aan, toen zij in Zijn gezicht spuwden en Hem sloegen. Zij deden Hem lichamelijk geweld aan. (Marcus 14:65.) Geen rechter kon zijn handen slaan aan een getuige of een aangeklaagde of op enige manier hem mishandelen.

Er was nog een onwettige daad, toen Kajafas aan het eind van de zitting zijn kleren scheurde. We lezen in Leviticus 21:10: “De priester die de hoogste is onder zijn broeders, op wiens hoofd de zalfolie is uitgegoten en die men gewijd heeft door hem de heilige klederen aan te trekken, zal zijn hoofdhaar niet los laten hangen en zijn klederen niet scheuren,”

Na een gehaast overleg te hebben gevoerd met als conclusie dat zij de moord zelf niet uit konden voeren, brachten zij Jezus zo vroeg mogelijk naar de rechtszaal van Pilatus. (Mattheüs 27:1,2, Marcus 15:1, Lucas 23:1.)

Hoe anders waren de misdaden die zij tegen Jezus inbrachten, toen zij in de rechtszaal van het Hooggerechtshof waren in de tegenwoordigheid van de Romeinse stadhouder. Het was niet langer theologie, maar verraad jegens het volk en de staat. “We hebben bevonden dat Deze ons volk verleidt, doordat Hij verbiedt de keizer belasting te betalen en van Zichzelf zegt dat Hij de Christus, de Koning, is.” (Lucas 23:2; Johannes 18:30.) Niettemin, zij wisten dat het eerste deel van de beschuldiging precies het tegenovergestelde was van Zijn onderwijs en een regelrechte leugen van hun kant, want Hij leerde hen aan de keizer te geven hetgeen van de keizer is. En toen Petrus door de ontvangers van het hoofdgeld werd gevraagd of zijn Meester het hoofdgeld betaalde, antwoordde hij bevestigend en ging hij meteen naar Jezus toe om om het hoofdgeld te vragen. (Mattheüs 17:24-37; 22:21; Marcus 12:17, Lucas 20:25.) Maar waar zij Hem ook van beschuldigd zouden hebben, het zou even laaghartig zijn geweest, omdat Hij een “Lam was, onberispelijk en vlekkeloos”. Toch wisten zij heel goed dat deze beschuldiging de gevoelens van de Stadhouder meer zouden raken dan welke andere aanklacht ook. En dat was juist wat zij nodig hadden.

Nadat Pilatus de zaak had uitgezocht sprak hij verscheidene keren een vonnis van ‘niet schuldig’ uit. Maar hij had rekening te houden met de ‘menigte’, die schreeuwde om het leven van Jezus. Deze menigte bestond echter niet uit de burgers van Judea, Samaria en Galilea, die Jezus kenden en liefhadden, maar het waren diegenen die jaarlijks naar het Paasfeest kwamen vanuit Europa, Kleinazië, Perzië, Griekenland, Afrika, zelfs op een grotere schaal dan op het Pinksterfeest, zoals dat opgetekend is in het tweede hoofdstuk van de Handelingen der Apostelen. Deze mensen, die de hogepriester zagen als het belangrijkste gezag in Jeruzalem, kwamen nauwelijks in aanraking met het leven en het werk van Jezus.

Josephus, de Joodse historicus, vermeldt (Oorlogen 6:9-3) dat op één van de Paasfeesten de Hogepriester een overzicht van het aantal geslachte paaslammeren kreeg. Dat bedroeg niet minder dan 256.500. Aangezien volgens de wet het aantal mensen per lam minstens tien moest zijn, moet het aantal mensen bij die gelegenheid niet minder dan 2.565.000 geweest zijn en waarschijnlijk meer. Dat waren buitenlandse Joden, die niet op de hoogte waren van de interne aangelegenheden in Jeruzalem. Dezen vormden daarom de menigte, die ertoe werd overgehaald om de partij van de priesters te steunen tegenover Pilatus. Uit angst dat zij hem schade zouden berokkenen bij de rechtbank van de keizer, gaf deze zwakke en weifelende man Jezus over om gekruisigd te worden. (Mattheüs 27:20-26; Marcus 15:15; Lucas 23:16-19; Johannes 18:39,40.)

We hebben zo laten zien dat deze rechtszaak van Jezus van het begin tot het eind onwettig was en dat dit de reden is dat er buiten de evangeliën geen verslag van bestaat. Het Sanhedrin was bang een verslag te bewaren, want zij wisten dat zij onwettig handelden. Tegen de Joodse wet in werd Jezus vermoord door beginselloze, gewetenloze en jaloerse heersers, die hun Romeinse stadhouder dwongen met bedreigingen als “indien gij deze man laat gaan zijt gij geen vriend van de keizer . . .” om hun actie te ondersteunen en hen te helpen hun zeer bloeddorstige daad ten uitvoer te brengen. Zo’n daad had de wereld nooit gezien, noch ervoor, noch erna. Maar Jezus moest sterven om de eeuwige verzoening tot stand te brengen volgens Leviticus 17:11: “Want de ziel van het vlees is in het bloed en Ik heb het u op het altaar gegeven om verzoening over uw zielen te doen, want het bloed bewerkt verzoening door middel van de ziel.”

God vordert bloed om de zonde te verzoenen. Het leven van de mens was verbeurd verklaard en hij moest sterven of het loon van de dood betalen. Hij kon niet de straf dragen en leven, dus had hij een plaatsvervanger nodig. Elke mens had gezondigd en kon niet een plaatsvervanger voor zijn medemens zijn, maar Christus was zondeloos en kon de plaatsvervanger voor de mens zijn. Hij is die Plaatsvervanger geworden, omdat Hij gestorven is in plaats van de mens om zo de wet te voldoen. Er was voorspeld dat Hij zou sterven, zoals we lezen in Handelingen 2:23: “Deze, naar de bepaalde raad en voorkennis van God uitgeleverd, hebt gij door de handen van wetteloze mensen aan het kruis genageld en gedood.” De exacte vorm van Zijn dood werd voorspeld in Psalm 22. Zoals we hiervoor noemden was de Joodse wijze van de dood van de misdadiger door steniging, maar de Romeinse wijze van executie was door kruisiging. Deze Romeinse dood werd dus voorspeld, eeuwen voordat de Romeinen aan de macht kwamen. De kostbare naam van de onberispelijke Zoon van God moest geplaatst worden op de duistere rol van moordenaars en wetsovertreders, zoals er geschreven stond: “Hij werd onder de overtreders geteld.” (Jesaja 53:12.) Degenen die bij het kruis stonden en getuige waren van die meest vreselijke aanblik, zagen de woorden van David letterlijk vervuld: “Zij doorboorden mijn handen en voeten.” (Psalm 22:16). Terwijl zij Zijn uitgeteerde lichaam zagen hangen, konden zij “al Zijn beenderen tellen”, zoals de psalmist had voorzegd. Er was ook voorspeld dat de soldaten, die het doodsvonnis uitvoerden, om Zijn kleren zouden gokken aan de voet van het kruis en dat zij ook het lot zouden werpen over zijn onderkleed, dat zonder zoom was; en zo vond het allemaal plaats. De precieze woorden, die over Zijn verdroogde lippen kwamen, waren duizend jaar voordat zij werden uitgesproken opgeschreven zoals ze staan in Psalm 22. Er werd voorzegd dat de Joodse autoriteiten Hem een misdadigersgraf zouden toewijzen, maar “bij de rijke was Hij in Zijn dood”. Dit werd gedaan door Jozef van Arimathea, die verzocht om toestemming om het lichaam van Jezus te krijgen, opdat hij het zou begraven in zijn eigen nieuw graf. Veel andere details van de kruisiging werden minutieus beschreven en duidelijk verklaard en een elk ervan werd letterlijk uitgevoerd, alsof David, Jesaja en Zacharia daar werkelijk te midden van die groep toeschouwers hadden gestaan en ooggetuige waren geweest van Zijn dood op Golgotha. Als zij werkelijk aanwezig waren geweest bij die afsluitende scene van het leven van onze Here hier beneden, dan zouden ze geen juister en treffender verslag hebben kunnen geven van alles dat plaatsvond.

Wanneer we hun profetieën lezen en de vervulling ervan in de Evangeliën onderzoeken, dan worden we gedwongen ons af te vragen, waar en hoe al deze voorspellingen ontstonden, waarvan er niet één onvervuld bleef of in diskrediet raakte, maar elke jota en tittel gebeurde echt.

Zeker kunnen we geen andere eerlijke conclusie trekken dan dat zij kwamen van Hem, Die het einde ziet vanaf het begin en Die het resultaat van alle dingen voorzegt, voordat er een enkele gebeurtenis plaatsvindt. Wat een overtuigend bewijs van de inspiratie van de Bijbel is heel deze reeks profetieën, die zo wonderbaarlijk en gedetailleerd die wonderlijke geboorte, dat weergaloze leven, die opmerkelijke rechtszaak en die nog verbazingwekkender dood voorzegden van Hem, Die werd gezonden door de Vader om de Redder van de wereld te zijn. Hij, Die uit Zijn eigen vrije wil gekomen is om tot op de letter de wil van God uit te voeren. Er kon geen complot zijn geweest tussen de profeten, die deze gebeurtenissen voorspelden en de apostelen, die ze opschreven, want God liet 400 jaar voorbijgaan tussen de profetie van Maleachi en het evangelie van Mattheüs.

Dezelfde verbazingwekkende nauwkeurigheid is van toepassing op de voorspelde opstanding van onze Here, op Zijn hemelvaart en Zijn verheerlijking aan de rechterhand van God. Heel deze Oudtestamentische Schrift en deze Nieuwtestamentische geschriften zijn vastgelegd, opdat “gij gelooft dat Jezus is de Christus, de Zoon van God, en opdat gij, gelovende, het leven hebt in Zijn naam” (Johannes 20:31).